Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL1674

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
13/820033-08 RK: 09/1235; 09/1236
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De strafzaak tegen verzoeker is bij brief van de officier van justitie d.d. 28 januari 2009 onvoorwaardelijk geseponeerd. Op grond van de Europeesrechtelijke jurisprudentie met betrekking tot de onschuldpresumptie mag de rechter zich bij de beoordeling van verzoekschriften om schadevergoedingen niet uitlaten over de eventuele schuld van de verzoeker aan de verweten feiten. Dit ligt evenwel anders als het gaat om uitlatingen over de gronden van verdenking die er jegens verzoeker bestonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat de onschuldpresumptie er niet aan in de weg staat om de gronden van verdenking mee te wegen in een verzoekschriftprocedure ex artikel 89 en 591a Sv, mits er geen sprake is van een onherroepelijke vrijspraak. Uit de Europees rechtelijke jurisprudentie vloeit naar het oordeel van de rechtbank mitsdien niet zonder meer voort dat in het geval van een sepot de gronden van verdenking nimmer mogen worden meegewogen. De zaak tegen verzoeker is onvoorwaardelijk geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat thans nog gronden van verdenking aanwezig zijn, ligt hierin geen beletsel voor toekenning van een schadevergoeding. Een andere vraag is of verzoeker de detentie aan zichzelf te wijten heeft. De rechtbank heeft geconstateerd dat verzoeker weliswaar in zijn verhoren op 11 en 13 november 2008 heeft getracht zijn betrokkenheid bij de brandstichting te verdoezelen, maar dat hij van meet af aan consistent heeft verklaard dat hij op geen enkele manier betrokken was bij afpersing. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het niet aan verzoeker zelf te wijten is geweest dat hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft verbleven. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank alles overwegend gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van € 1.170,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE KAMER VOOR EUROPEES STRAFRECHT EN MENSENRECHTEN

Parketnummer: 13/820033-08

RK: 09/1235; 09/1236

BESCHIKKING

Op de verzoeken ex artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

voor dit verzoek woonplaats kiezende op het kantoor van zijn raadsvrouw,

mr. R.M. Maliepaard, Goeman Borgesiuslaan 77, 3515 ET Utrecht,

verzoeker.

Procesgang

Het verzoek is op 23 februari 2009 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft eerst op 30 juli 2009 de raadsvrouw van verzoeker en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. De behandeling van de zaak is toen aangehouden teneinde deze door te verwijzen naar de meervoudige kamer voor Europees strafrecht en mensenrechten.

De rechtbank heeft op 16 december 2009 de raadsvrouw van verzoeker en de officier van justitie opnieuw in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De rechtbank vangt het in raadkamer van 30 juli 2009 geschorste onderzoek opnieuw aan, aangezien zij thans in een andere samenstelling zitting houdt.

Inhoud van het verzoekschrift

- Artikel 89 Sv -

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding voor de schade die verzoeker tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 1.195,-.

- Artikel 591a Sv -

Het verzoekschrift strekt voorts tot het toekennen van een vergoe¬ding ten bedrage van € 275,- voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de door de raadsvrouw namens verzoeker ingediende verzoeken moeten worden afgewezen, omdat er in dit geval geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een schadevergoeding toe te kennen. De officier van justitie heeft zijn op schrift gestelde toelichting aan de rechtbank overgelegd. Deze toelichting is als bijlage aan deze beschikking gehecht en dient te worden beschouwd als hier ingevoegd. De officier van justitie heeft - kort samengevat - het navolgende aangevoerd.

- Gronden van billijkheid -

Verzoeker werd verdacht van betrokkenheid bij afpersing. Naar aanleiding daarvan is verzoeker in verzekering en later door de rechter-commissaris in bewaring gesteld. Verzoeker heeft er zelf aan bijgedragen dat zijn vrijheidsberoving langer heeft geduurd dan wellicht noodzakelijk was geweest. Toen verzoeker op 11 november 2008 door de politie werd gehoord, heeft hij immers niet de gehele waarheid verteld. Ook in de twee weken daarna heeft hij niet geheel naar waarheid verklaard. Een verdachte heeft weliswaar het recht om te liegen, maar bij een verzoek tot schadevergoeding kan een leugen leiden tot de conclusie dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van schadevergoeding. Eind januari 2009 is duidelijk geworden wat de rol van verzoeker was ten aanzien van de afpersing. Toen bleek dat verzoeker zelf slachtoffer was geworden van afpersing, heeft de officier van justitie de zaak tegen verzoeker geseponeerd wegens onvoldoende wettig bewijs. Indien verzoeker direct de gehele waarheid had verteld aan de politie, dan was hij misschien niet of in elk geval een kortere tijd van zijn vrijheid beroofd geweest. Omdat verzoeker er voor heeft gekozen om een verklaring af te leggen die niet geheel conform de waarheid was, is de verdenking die tegen hem bestond tegen hem blijven bestaan. Afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding is, gelet op het voorgaande, dan ook niet in strijd met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

- Gronden van verdenking in het geval van een sepotbeslissing

Ten aanzien van het standpunt van de raadsvrouw dat in het geval van een sepotbeslissing, evenals bij een vrijspraak, de gronden van verdenking niet mogen worden meegewogen in de procedure ex artikel 89 Sv, heeft de officier van justitie het navolgende aangevoerd.

Uit jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat er bij de beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om een schadevergoeding toe te kennen, onderscheid wordt gemaakt tussen overwegingen waaruit de overtuiging spreekt dat de verzoeker schuldig is en overwegingen die slechts een staat van verdenking beschrijven. Uit deze jurisprudentie volgt dat de onschuldpresumptie zich er - in het geval van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie - niet tegen verzet dat bij de beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding de verdenkingen die tegen verzoeker bestaan een rol spelen. Bij een vrijspraak is echter zelfs voor ‘the voicing of suspicions’ geen ruimte meer. Immers heeft bij een vrijspraak de zittingsrechter reeds een oordeel over de schuld van verzoeker gegeven.

Anders dan bij een vrijspraak door de zittingsrechter is er in het geval van een sepotbeslissing geen definitief oordeel door een rechter gegeven over de schuld van verdachte. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat het meewegen van de gronden van de verdenking in het geval van een sepotbeslissing niet in strijd is met artikel 6, tweede lid van het EVRM, mits er niets wordt overwogen over de schuld van verzoeker, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft in raadkamer gepersisteerd bij de door haar ingediende verzoeken. De raadsvrouw heeft hiertoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

- Gronden van billijkheid -

De officier van justitie heeft gesteld dat verzoeker niet direct de waarheid heeft gesproken over zijn eventuele betrokkenheid bij het aanvankelijke plan om brand te stichten in het bedrijf van [persoon 1]. Verzoeker is echter aangehouden en in verzekering gesteld terzake van afpersing van [persoon 1]. Over de vermeende afpersing heeft verzoeker telkens verklaard dat hij hier niet bij betrokken was en dat hij zelf, net als [persoon 1], het slachtoffer was van afpersing door [persoon 2]. Verzoeker heeft op zowel 11 als 12 november 2008 verklaard dat hij erg bang was voor [persoon 2] en zijn mannen. Ook bij de rechter-commissaris en in de raadkamer gevangenhouding is door verzoeker telkens verklaard dat hij niet als dader betrokken was bij de afpersing van [persoon 1]. Hiervoor waren ook van meet af aan aanwijzingen te vinden in het dossier. Ondanks hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, werd verzoeker niet geloofd door het openbaar ministerie. Verzoeker zou niet eerder in vrijheid zijn gesteld, indien hij eerder eerlijk had verklaard. Er werd pas geloof gehecht aan zijn verklaring, toen hij vertelde wat de aanleiding van de afpersing was. Verzoeker heeft ten onrechte gedetineerd gezeten, zonder dat dit aan hem zelf te wijten was. Gelet op het voorgaande zijn er gronden van billijkheid aanwezig om de schade die verzoeker ten gevolge van de door hem ondergane detentie heeft geleden, te vergoeden.

- Gronden van verdenking in het geval van een sepotbeslissing -

In raadkamer heeft de raadsvrouw betoogd dat er in het geval van een sepotbeslissing, anders dan in het geval een zaak bij de rechter wordt aangebracht en waarop vrijspraak volgt, niet eens voldoende bewijs voorhanden is om de zaak aan te brengen. Indien de zaak van verzoeker op zitting had gestaan, was verzoeker vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs. Gelet op het voorgaande dient voor een sepotbeslissing dezelfde Europeesrechtelijke maatstaf te gelden als voor een vrijspraak. Dit betekent dat de gronden van de verdenking geen rol meer mogen spelen bij de beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid zijn om een schadevergoeding toe te kennen.

Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

De strafzaak tegen verzoeker is bij brief van de officier van justitie d.d. 28 januari 2009 onvoorwaardelijk geseponeerd. In haar beschikkingen van 28 april 2009 (BI2606, BI2607, BI2608 en BI2609) heeft de rechtbank beslist dat een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 89 Sv. Gelet op voornoemde sepotbeslissing is de strafzaak tegen verzoeker onder bovenvermeld parketnummer derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

- Gronden van billijkheid -

De toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 89 en 591a, tweede lid, Sv heeft steeds plaats indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Bij de beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan staat voorop dat de zaak van verzoeker is geëindigd met een onvoorwaardelijk sepot, kennelijk omdat het openbaar ministerie onvoldoende wettig bewijs voorhanden achtte om de zaak voor de rechter te brengen. De rechter heeft daardoor het bewijs ter zake van de aan verzoeker verweten gedragingen niet inhoudelijk kunnen beoordelen.

Op grond van de Europeesrechtelijke jurisprudentie met betrekking tot de onschuldpresumptie mag de rechter zich bij de beoordeling van verzoekschriften om schadevergoedingen niet uitlaten over de eventuele schuld van de verzoeker aan de verweten feiten. Dit ligt evenwel anders als het gaat om uitlatingen over de gronden van verdenking die er jegens verzoeker bestonden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat de onschuldpresumptie er niet aan in de weg staat om de gronden van verdenking mee te wegen in een verzoekschriftprocedure ex artikel 89 en 591a Sv, mits er geen sprake is van een onherroepelijke vrijspraak.

Uit de Europees rechtelijke jurisprudentie vloeit naar het oordeel van de rechtbank mitsdien niet zonder meer voort dat in het geval van een sepot de gronden van verdenking nimmer mogen worden meegewogen.

De zaak tegen verzoeker is onvoorwaardelijk geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat thans nog gronden van verdenking aanwezig zijn, ligt hierin geen beletsel voor toekenning van een schadevergoeding.

Een andere vraag is of de detentie zodanig aan verzoeker is te wijten dat dit ertoe dient te leiden dat er geen gronden van billijkheid zijn om een vergoeding toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank kan, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, niet gesteld worden dat het aan de eigen schuld van verzoeker te wijten is dat hem zijn vrijheid is benomen.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker op 11 november 2008 in verzekering en op 13 november 2008 in bewaring is gesteld ter zake van de vermeende afpersing van [persoon 1]. Aan de detentie lag aldus naar het oordeel van de rechtbank niet ten grondslag de vermeende betrokkenheid van verzoeker bij het plan om het bedrijfspand van [persoon 1] in brand te steken en zodoende verzekeringspenningen op te strijken.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verzoeker weliswaar in zijn verhoren op 11 en 13 november 2008 heeft getracht zijn betrokkenheid bij de brandstichting te verdoezelen, maar dat hij van meet af aan consistent heeft verklaard dat hij op geen enkele manier betrokken was bij de afpersing van [persoon 1]. Sterker nog, verzoeker heeft bij de politie verklaard dat hij zelf werd afgeperst en dat hij erg bang was voor [persoon 2] en zijn mannen.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het niet aan verzoeker zelf te wijten is geweest dat hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank alles overwegend gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte.

- Hoogte van de vergoeding ex artikel 89 Sv -

Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 136, eerste lid, Sv. Ingevolge deze bepaling wordt onder één dag verstaan een tijd van vierentwintig uren. Dit brengt mee dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt. De eerste dag van de inverzekeringstelling wordt echter altijd naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.

Verzoeker heeft in totaal 2 dagen op een politiebureau en 12 dagen in een huis van bewaring doorgebracht. De rechtbank kent per 1 september 2008 een vergoeding toe van € 105,- per dag op het politiebureau en € 80,- per dag in een huis van bewaring.

Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 105,- maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 80,- wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 80,-.

- Artikel 591a Sv -

De rechtbank zal voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen. Voor de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer zal de rechtbank geen schadevergoeding toekennen nu de raadsvrouw in raadkamer heeft verklaard dat verzoeker ten aanzien van de behandeling van het verzoekschrift een toevoeging heeft gekregen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing:

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding TOE voor de schade, die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van € 1.170,- (elfhonderdzeventig euro).

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit 's Rijks kas een vergoeding TOE ten bedrage van

€ 275,- (tweehonderdvijfenzeventig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Deze beslissing is op 27 januari 2010 gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. A.H. van Zutphen en A.A. Spoel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Jeurens, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De voorzitter van de rechtbank te Amsterdam beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.445,- (veertienhonderdvijfenveertig euro) op rekeningnummer , ten name van [X], o.v.v. vergoeding 89 en 591a Sv, inzake: [verzoeker].

Aldus gedaan op 27 januari 2010

door G.H. Marcus, voorzitter.