Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL1670

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
13/997140-05 RK: 09/4787; 10/554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van het hem telastegelegde. Op grond van de Europeesrechtelijke jurisprudentie met betrekking tot de onschuldpresumptie, mag de rechter zich bij de beoordeling van verzoekschriften om schadevergoedingen niet uitlaten over de eventuele schuld van de verzoeker aan de verweten feiten. Dit ligt evenwel anders als het gaat om uitlatingen over de gronden van verdenking die er jegens verzoeker bestonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM echter worden afgeleid dat de onschuldpresumptie er aan in de weg staat om de gronden van verdenking mee te wegen in een verzoekschriftprocedure ex artikel 89 en 591a Sv, als er sprake is van een onherroepelijke vrijspraak. Ten aanzien hiervan heeft het EHRM immers overwogen dat ’even the voicing of suspicions’ niet meer is toegestaan. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker de verdenking die jegens hem bestond in stand heeft gelaten doordat hij geen enkele verklaring heeft willen afleggen. Dit zwijgrecht kan verzoeker in de onderhavige procedure worden tegengeworpen aldus de officier van justitie. De rechtbank deelt dit standpunt, gelet op voorgaande overwegingen, niet. Bij de beoordeling van het verzoekschrift kan immers, gelet op de onschuldpresumptie na een onherroepelijke vrijspraak, het eventuele voortbestaan van een verdenking geen rol meer spelen. De rechtbank acht derhalve gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van € 22.005,-. Voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift zal de rechtbank de standaardvergoeding toe kennen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 89
Wetboek van Strafvordering 136
Wetboek van Strafvordering 591a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 113
NBSTRAF 2010/113

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE KAMER VOOR EUROPEES STRAFRECHT EN MENSENRECHTEN

Parketnummer: 13/997140-05

RK: 09/4787; 10/554

BESCHIKKING

Op de verzoeken ex artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

voor dit verzoek woonplaats kiezende op het kantoor van zijn raadsman,

mr. K.B.H. Welvaart, Oeverwal 2, 6221 EN Maastricht,

verzoeker.

Procesgang

Het verzoek is op 26 augustus 2009 ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De rechtbank heeft op 16 december 2009 verzoeker, diens raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Inhoud van het verzoekschrift

- Artikel 89 Sv -

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding voor de schade die verzoeker tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 110.375,-.

- Artikel 591a Sv -

Het verzoek strekt voorts tot het toekennen van een vergoeding ten bedrage van € 540,- voor de kosten van het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de door de raadsman ingediende verzoeken dienen te worden afgewezen, nu er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van beide verzoeken geen aanleiding is om een hogere vergoeding dan de standaardvergoeding toe te kennen. De officier van justitie heeft haar op schrift gestelde toelichting aan de rechtbank overgelegd. Deze toelichting is als bijlage aan deze beschikking gehecht en dient te worden beschouwd als hier ingevoegd. De officier van justitie heeft haar standpunten - kort samengevat - als volgt gemotiveerd.

- Gronden van billijkheid ex artikel 89 Sv -

Verzoeker is vrijgesproken van moord/doodslag. Volgens vaste jurisprudentie is de enkele omstandigheid dat verzoeker is vrijgesproken onvoldoende voor de stelling dat de detentie onrechtmatig is geweest, omdat daaruit slechts blijkt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het strafbare feit heeft begaan. Niet de einduitspraak in de strafzaak is beslissend, maar hetgeen over de toepassing van de vrijheidsbenemende dwangmiddelen kan worden gezegd. Ondanks het feit dat de vervolging is geëindigd in een onherroepelijke vrijspraak kan worden geconcludeerd dat er sterke verdenkingen jegens verzoeker aanwezig waren. Verzoeker had het recht om te zwijgen. Dit kan hem echter wel worden tegengeworpen in het kader van een procedure ex artikel 89 Sv.

Verzoeker is in eerste instantie in 2004 op de vlucht geslagen voor de politie en heeft zich tot zijn aanhouding in 2006 verborgen gehouden. Verzoeker heeft voorts op geen enkel moment een aannemelijke verklaring willen afleggen over de bestaande gegronde verdenking jegens hem. Hierdoor zijn de verdenkingen jegens hem blijven bestaan. De vrijspraak zoals deze door het Hof Amsterdam is gemotiveerd, is bijna een technische vrijspraak. Vaststaat dat er drie Nomads zijn vermoord. Het Hof Amsterdam komt echter niet tot de vaststelling van individuele schuld van de leden van de Nomads. Gelet op het voorgaande zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig om tot het toekennen van een schadevergoeding over te gaan.

Indien de rechtbank van oordeel is dat er in casu gronden van billijkheid aanwezig zijn om schadevergoeding toe te kennen, is er geen ruimte voor een hogere vergoeding dan de standaardvergoeding. Materiële of immateriële schade dient op grond van artikel 89 Sv een rechtsreeks gevolg te zijn van de detentie. Schade die betrekking heeft op de verdenking of de vervolging valt buiten het bereik van het artikel. Overigens is over bijzondere publiciteit ten aanzien van de aanhouding van verzoeker niets gesteld, noch gebleken. Op grond van het voorgaande dient het verzoek ook op dit punt te worden afgewezen, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de zaak van verzoeker gronden van billijkheid aanwezig zijn om een schadevergoeding toe te kennen. De raadsman heeft zijn op schrift gestelde toelichting aan de rechtbank overgelegd. Deze toelichting is als bijlage aan deze beschikking gehecht en dient te worden beschouwd als hier ingevoegd. De raadsman heeft - kort samengevat - het volgende betoogd.

- Gronden van billijkheid -

Verzoeker is vrijgesproken van het hem telastegelegde. De detentie was niet onrechtmatig, maar achteraf bezien wel onterecht. Bovendien is verzoeker niet zelf debet geweest aan het voorarrest door het afleggen van een onjuiste of valse verklaring. Verzoeker heeft zich van meet af aan op zijn zwijgrecht beroepen en verklaard dat hij onschuldig was. Dat mag hem niet worden tegengeworpen. Afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding is in strijd met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Het EHRM laat er geen twijfel over bestaan dat de gronden van verdenking na een onherroepelijke vrijspraak niet mogen worden geuit.

In raadkamer heeft de raadsman aangevoerd dat verzoeker het als zeer zwaar heeft ervaren dat hij verdacht werd van een drievoudige moord. Zijn omgeving is hem met andere ogen gaan bekijken. Daarnaast is de zaak breed uitgemeten in de media. Verzoeker heeft daardoor het gevoel gekregen dat ook mensen die hem niet kenden een oordeel over hem hadden. De combinatie van 14 maanden detentie, de berichtgeving in de media, het idee dat hem een proces boven zijn hoofd hing en de omstandigheid dat zijn relatie is uitgegaan, maakt dat het billijk is om verzoeker een hogere vergoeding toe te kennen dan de standaardvergoeding.

- Hogere vergoeding ex artikel 591a Sv -

De raadsman heeft in raadkamer, ter aanvulling van zijn verzoekschrift, verzocht om voor het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift een bedrag van € 2.975,- toe te kennen. De raadsman stelt dat hij wegens het Europeesrechtelijke karakter van de zitting, meer tijd aan het opstellen van verzoekschrift heeft besteed dan hij normaliter zou hebben gedaan.

Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Verzoeker is op 02 juni 2009 door de meervoudige kamer van deze rechtbank vrijgesproken van het hem telastegelegde.

De strafzaak tegen verzoeker onder bovenvermeld parketnummer is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

- Gronden van billijkheid -

De toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 89 en 591a, tweede lid, Sv heeft steeds plaats indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Bij de beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan staat voorop dat verzoeker is vrijgesproken van de aan hem telastegelegde feiten.

Op grond van de Europeesrechtelijke jurisprudentie met betrekking tot de onschuldpresumptie, mag de rechter zich bij de beoordeling van verzoekschriften om schadevergoedingen niet uitlaten over de eventuele schuld van de verzoeker aan de verweten feiten. Dit ligt evenwel anders als het gaat om uitlatingen over de gronden van verdenking die er jegens verzoeker bestonden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM echter worden afgeleid dat de onschuldpresumptie er aan in de weg staat om de gronden van verdenking mee te wegen in een verzoekschriftprocedure ex artikel 89 en 591a Sv, als er sprake is van een onherroepelijke vrijspraak. Ten aanzien hiervan heeft het EHRM immers overwogen dat ’even the voicing of suspicions’ niet meer is toegestaan.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker de verdenking die jegens hem bestond in stand heeft gelaten doordat hij geen enkele verklaring heeft willen afleggen. Dit zwijgrecht kan verzoeker in de onderhavige procedure worden tegengeworpen aldus de officier van justitie.

De rechtbank deelt dit standpunt, gelet op voorgaande overwegingen, niet. Bij de beoordeling van het verzoekschrift kan immers, gelet op de onschuldpresumptie na een onherroepelijke vrijspraak, het eventuele voortbestaan van een verdenking geen rol meer spelen.

De rechtbank acht derhalve, alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte.

- Hogere vergoeding ex artikel 89 Sv -

De raadsman heeft in raadkamer betoogd dat het in casu billijk is om vijfmaal de standaardvergoeding toe te kennen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Het standaardbedrag dat in het kader van een verzoek ex artikel 89 Sv wordt toegekend is feitelijk een vergoeding voor de materiële en immateriële schade ten gevolge van de detentie. Daarnaast kan ingevolge artikel 89 Sv een extra vergoeding worde toegekend voor andere schade, mits deze een rechtstreeks gevolg is van de detentie.

In het onderhavige geval ziet de rechtbank geen aanleiding om een extra vergoeding toe te kennen. De schade die verzoeker stelt te hebben geleden, te weten dat hij is getroffen in zijn eer en goede naam, dat hij wegens berichten in de media door anderen anders werd aangekeken en dat de verdenking van een drievoudige moord een grote impact op hem heeft gehad, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schadevergoeding leiden. Deze schade kan - zo al aanwezig - niet worden aangemerkt als schade ten gevolge van de detentie, maar is meer een gevolg van de verdenking. Dergelijke schade komt, wegens het ontbreken van rechtstreeks verband met de detentie niet voor vergoeding op grond van artikel 89 Sv in aanmerking.

- Hoogte van de vergoeding ex artikel 89 Sv -

Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 136 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge deze bepaling wordt onder één dag verstaan een tijd van vierentwintig uren. Dit brengt mee dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt. De eerste dag van de inverzekeringstelling wordt echter altijd naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.

Verzoeker heeft in totaal 1 dag op een politiebureau en 418 dagen in een huis van bewaring doorgebracht. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 95,- per dag op het politiebureau, € 70,- per dag in een huis van bewaring.

Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 95,- maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 70-, wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 70,-.

De raadsman heeft ten aanzien van de toe te wijzen schadevergoeding om verrekening ex artikel 90, vierde lid Sv, verzocht met een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf van 105 dagen. De rechtbank ziet aanleiding om deze verrekening toe te passen. Dit betekent dat slechts 313 dagen hechtenis voor vergoeding in aanmerking komen en dat de overige dagen in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf.

- Artikel 591a Sv -

De raadsman heeft in raadkamer aangevoerd dat de extra tijd die hij heeft besteed aan het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift een hogere vergoeding dan de standaard vergoeding rechtvaardigt. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet.

De rechtbank overweegt hiertoe dat de gehanteerde standaardvergoeding bevordert dat er door verschillende rechters in verschillende zaken geen uiteenlopende bedragen worden toegekend voor het opstellen, indienen en toelichten van verzoekschriften. De standaardvergoeding is gebaseerd op het aantal uren dat er gemiddeld aan het opstellen, indienen en toelichten van een verzoekschrift wordt besteed. Dat de raadsman in casu, naar aanleiding van een vrijblijvend verzoek van de rechtbank, meer tijd aan het verzoekschrift heeft besteed dan hij normaal wellicht zou doen, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet af. De rechtbank zal aldus voor het opstellen, indienen en toelichten de forfaitaire vergoeding toe kennen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing:

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding TOE voor de schade, die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van € 22.005,- (tweeëntwintigduizendvijf euro).

De rechtbank bepaalt dat 105 dagen die verzoeker in hechtenis heeft gezeten in mindering zullen worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit 's Rijks kas een vergoeding TOE ten bedrage van

€ 540,- (vijfhonderdveertig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Wijst het meer of anders verzochte AF.

Deze beslissing is op 27 januari 2010 gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. A.H. van Zutphen en A.A. Spoel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Jeurens, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De voorzitter van de rechtbank te Amsterdam beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 22.545,- (tweeëntwintigduizend vijfhonderdvijfenveertig euro) op rekeningnummer [nr], ten name van [X], o.v.v. vergoeding 89 en 591a Sv, inzake: [verzoeker].

Aldus gedaan op 27 januari 2010

Door mr. G.H. Marcus, voorzitter.