Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL0916

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
1035510 DX EXPL 09-206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis Effectenlease-overeenkomst; zorgplicht; schade; voordeelstoerekening; eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

zaak- en rolnummer: 1035510 DX EXPL 09-206

vonnis van: 27 januari 2010

f.no.: 694

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

nader te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. J.C.T. Papeveld,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 maart 2009, met producties.

Bij rolmededeling van 31 maart 2009 is de zaak, evenals alle destijds bij de rechtbank aanhangige effectenlease-zaken, aangehouden in afwachting van arresten van de Hoge Raad waarin rechtsvragen zouden worden beantwoord die partijen in effectenlease-zaken verdeeld houden. Op 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een drietal arresten gewezen, waarin hij op deze rechtsvragen een antwoord heeft gegeven.

Bij rolmededeling van 22 juli 2009 is de zaak verwezen naar de rol van 12 augustus 2009 voor uitlating doorhaling dan wel voortprocederen, waarop [eiser] te kennen heeft gegeven te willen voortprocederen.

Vervolgens zijn ingediend:

- de akte tot hervatting tevens inhoudende akte vermeerdering van eis van [eiser];

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 9 september 2009 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Ter comparitie zijn verschenen [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. R.H.J.M. Silvertand, en van de zijde van Dexia [persoon 1] en [persoon 2], bijgestaan door mr. J.M.K.P. Cornegoor. Van hetgeen besproken is ter comparitie heeft de griffier aantekening gehouden. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [eiser] de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte uitlating en een akte uitlating producties met producties, en door Dexia per fax van 19 november 2009 aanvullende stukken ingediend, welke thans tot de processtukken behoren.

Daarop is vonnis bepaald op heden.

De rechter die de zaak ter comparitie heeft behandeld, is vanwege organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen en uit te spreken.

Gronden van de beslissing

1. De feiten in conventie en reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

1.2. [eiser] heeft de volgende overeenkomsten tot effectenlease ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd

1 27141468 14-06-2001 Troefplan € 37.503,30 60 mnd.

2 76183551 15-06-2001 WinstVer10Dubbelaar € 30.342,10 120 mnd.

Bovengenoemde overeenkomsten zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk lease-overeenkomst 1 en 2 en gezamenlijk als de lease-overeenkomsten.

1.3. De eerste betaling door [eiser] aan Dexia op grond van lease-overeenkomst 1 vond plaats op 26 juni 2001. In totaal heeft [eiser] op grond van lease-overeenkomst 1 € 10.268,55 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en geen dividenden of andere voordelen ontvangen. De eerste betaling door [eiser] aan Dexia op grond van de lease-overeenkomst 2 vond plaats op 28 juni 2001. In totaal heeft [eiser] op grond van lease-overeenkomst 2 € 5.445,60 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en geen dividenden of andere voordelen ontvangen.

1.4. Dexia heeft per 8 november 2005 met betrekking tot lease-overeenkomst 1 een eindafrekening opgesteld. Deze eindafrekening zag er, voor zover van belang, als volgt uit:

Eindafrekening lease-overeenkomst 1:

Waarde aandelen € 16.970,55

7 Resterende termijnen à € 228,19 contant gemaakt tegen 5,00 % (af) 1.571,61

Eerste aflossingstermijn (af) 45,38

Beëindigingskosten (af) 110,00

Restant hoofdsom (af) 23.098,36

Contractueel nog verschuldigde premie (af) 412,82

Achterstallige post(en) (af) 1.825,52

Subtotaal (af) 27.063,69

Nog te voldoen € 10.093,14

[eiser] heeft dit bedrag niet aan Dexia voldaan. Na verrekening van dividenden (€ 57,97) staat van deze eindafrekening thans nog een bedrag van € 10.035,17 open.

Dexia heeft per 3 januari 2007 met betrekking tot lease-overeenkomst 2 een eindafrekening opgesteld. Deze eindafrekening zag er, voor zover van belang, als volgt uit:

Eindafrekening lease-overeenkomst 2:

Waarde certificaat € 16.924,22

Eerste aflossingstermijn (af) 45,38

Beëindigingskosten (af) 110,00

Restant hoofdsom (af) 16.682,72

Achterstallige posten (af) 794,15

Subtotaal (af) 17.632,25

Nog te voldoen € 708,03

[eiser] heeft dit bedrag niet aan Dexia voldaan.

1.5. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten was [eiser] 54 jaar en woonde hij samen met zijn echtgenote.

1.6. Voordat [eiser] de onderhavige lease-overeenkomsten aanging, had hij, voor zover van belang, de volgende overeenkomsten tot effectenlease met Dexia gesloten:

Nr. Contractnr. Naam overeenkomst Datum beëindiging Batig saldo

a. 70902695 WinstVerdubbelaar 13-06-2001 € 18.958,16

b. 74115989 WinstVerDriedubbelaar 03-12-2001 -

c. 90017538 Beleggen met Korting 11-12-2000 € 822,10

Deze eerdere effectenlease-overeenkomsten zijn geëindigd en de geleasete effecten zijn verkocht. Na verkoop van de effecten en nadat aan alle verplichtingen uit de lease-overeenkomsten waren voldaan resteerde voor [eiser] een batig saldo zoals in bovenstaande tabel weergegeven en derhalve van in totaal € 19.780,26 (hierna: het batig saldo).

2. Het geschil in conventie en in reconventie

2.1. [eiser] vordert in conventie op gronden als vermeld in de processtukken na vermeerdering van eis dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Dexia wegens schending van de zorgplicht veroordeelt om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van € 13.064,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat bedrag tot aan de dag van algehele voldoening. Voorts vordert [eiser] dat de kantonrechter Dexia beveelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het BKR te Tiel en alle aan die registratie gekoppelde andere inschrijvingen, ongedaan wordt gemaakt, zulks op straffe van een dwangsom. Ten slotte vordert [eiser] dat de kantonrechter Dexia veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

2.2. Dexia heeft de vorderingen in conventie en de grondslag daarvan bestreden op gronden die, voor zover van belang, hierna aan de orde zullen komen.

2.3 In reconventie vordert Dexia [eiser] te veroordelen tot betaling van € 4.297,28, zijnde 40 % van het in totaal resterende saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekeningen inzake de lease-overeenkomsten, stellende dat [eiser] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomsten.

2.4 [eiser] voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen in reconventie.

3. Beoordeling van de vorderingen

In conventie

Zorgplicht, causaal verband en eigen schuld

3.1 In zijn eerdergenoemde arrest van 5 juni 2009 (LJN: BH 2815) heeft de Hoge Raad uitgangspunten en een beoordelingskader geformuleerd wat betreft de volgende vragen:

(i) heeft Dexia de op haar rustende bijzondere zorgplicht geschonden?

(ii) zo ja, in hoeverre bestaat er causaal verband (als bedoeld in artikel 6:162 BW) tussen deze onrechtmatige daad van Dexia en de door [eiser] geleden schade?

(iii) welk deel van deze schade moet op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) voor rekening van [eiser] blijven?

In een viertal op 1 december 2009 uitgesproken arresten, heeft het Amsterdamse hof deze uitgangspunten en dit beoordelingskader van een nadere invulling voorzien (zie LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983). De kantonrechter neemt de in deze rechtspraak neergelegde overwegingen en beslissingen tot leidraad voor de verdere beoordeling van het voorliggende geschil. Dit betekent voor de onderhavige zaak het volgende.

3.2 Op Dexia rust als professionele dienstverlener jegens haar wederpartij als particuliere belegger met wie zij voornemens is een overeenkomst tot effectenlease aan te gaan een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortkomende bijzondere zorgplicht. Deze bijzondere zorgplicht strekt ertoe particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Deze bijzondere zorgplicht is tweeledig en brengt allereerst mee dat Dexia degene met wie zij een overeenkomst tot effectenlease aangaat tevoren indringend in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen moet waarschuwen voor het bijzondere, aan het risicovolle en complexe effectenlease-product verbonden, gevaar van een restschuld bij (tussentijdse) beëindiging van de overeenkomst (de waarschuwings¬plicht). Gelet op de ratio van de waarschuwingsplicht moet onder ‘restschuld’ worden verstaan het verschil tussen (het restant van) de hoofdsom en de waarde van de geleaste effecten bij verkoop op het moment van beëindiging van de lease-overeenkomst, vermeerderd met hetgeen eventueel overigens is verschuldigd wegens (voortijdige) beëindiging. Tevens brengt de bijzondere zorgplicht mee dat Dexia voorafgaande aan het aangaan van de overeenkomst onderzoek moet doen naar de inkomens- en vermogenspositie van haar wederpartij, ten einde zich er rekenschap van te geven dat deze over voldoende bestedingsruimte beschikt om naar redelijke verwachting aan zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te kunnen voldoen (de onderzoeksplicht).

3.3 Op grond van hetgeen hieromtrent uit de gedingstukken en de stellingen van partijen blijkt, stelt de kantonrechter vast dat Dexia ook jegens [eiser] de waarschuwingsplicht en de onderzoeksplicht heeft geschonden. Nu de waarschuwingsplicht erop is gericht [eiser] te behoeden voor het lichtvaardig aangaan van de lease-overeenkomsten, moet het ervoor worden gehouden dat [eiser] de lease-overeenkomsten niet zou hebben afgesloten als Dexia wel aan haar waarschuwingsplicht had voldaan. Dexia heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat er causaal verband (in de zin van condicio sine qua non verband als bedoeld in artikel 6:162 BW)) bestaat tussen de schending van de waarschuwingsplicht en het aangaan van de lease-overeenkomsten. Dit betekent tevens dat niet alleen de restschuld, maar ook de op grond van de lease-overeenkomsten betaalde rente en eventuele periodieke aflossingen worden aangemerkt als schade ten gevolge van deze onrechtmatige daad van Dexia. Deze schade kan ook aan Dexia worden toegerekend als schade die het gevolg is van schending van de waarschuwingsplicht (zoals bedoeld in artikel 6:98 BW), nu Dexia geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.4 Op de schade die Dexia aldus – behoudens eigen schuld (zie hierna) – dient te vergoeden dient ingevolge artikel 6:100 BW (verrekening van voordeel) in mindering te worden gebracht het voordeel dat [eiser] ingevolge de lease-overeenkomsten heeft genoten, zoals aan [eiser] betaalde of toekomende dividenden.

3.5 Onder dit voordeel moet tevens worden begrepen het batig saldo dat [eiser] heeft behaald uit eerdere effectenlease-overeenkomsten, voorzover de onderhavige lease-overeenkomsten binnen één jaar na het behalen van dat batig saldo (dat wil zeggen het moment van verkoop van de onderliggende effecten) zijn aangegaan. Aldus moet een batig saldo van € 19.780,26 op de door Dexia te vergoeden schade in mindering worden gebracht (zie 1.6). De kantonrechter zal dit voordeel in eerste instantie in mindering brengen op de schade bestaande uit de verschuldigde rente en eventuele periodieke aflossingen en vervolgens, voor zover dan nog een deel van het batig saldo resteert, op de restschuld. Dit ligt het meest voor de hand, omdat deze betalingsverplichtingen zich eerder hebben voorgedaan dan dat de restschuld zich openbaarde. Dit betekent dat er geen schade in de vorm van termijnen voor vergoeding in aanmerking komt en dat nog een bedrag van € 1.504,41 aan voordeel op de restschuld in mindering moet worden gebracht.

3.6 Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre ten aanzien van de restschuld de door [eiser] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door hemzelf veroorzaakt voor zijn rekening moet blijven.

3.7 De kantonrechter stelt in dit verband voorop dat uit de lease-overeenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eiser] over het geleende bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

3.8 Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, is niet gebleken. De door [eiser] aangevoerde omstandigheden zijn in de verdeling van de schade waarbij het tekortschieten van Dexia zwaarder is gewogen dan de eigen schuld van [eiser], reeds verdisconteerd.

Proceskosten

3.9 Gelet op de uitslag van de procedure dient [eiser] te worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden in conventie aan de zijde van Dexia begroot op € 600,00 (2 x € 300,-) aan salaris gemachtigde.

In reconventie

3.10 Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de maandtermijnen geheel voor rekening van [eiser] komen. Dit betekent dat hij het bedrag aan achterstallige termijnen op de eindafrekeningen volledig aan Dexia zal moeten betalen. Ten aanzien van het resterende door Dexia gevorderde bedrag geldt, zoals in conventie is overwogen, dat 2/3 deel van de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld voor rekening van Dexia komt. Onder verwijzing naar de in de aan dit vonnis gehechte bijlage weergegeven berekening, betekent het voorgaande dat [eiser] nog een bedrag van € 6.291,58 aan Dexia zal moeten betalen.

Proceskosten

3.11 Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden in reconventie aan de zijde van [eiser] begroot op € 250,00 (1/2 x 2,5 x € 200,-) aan salaris gemachtigde.

In conventie en in reconventie

BKR registratie

3.12 Nu de kantonrechter heeft vastgesteld dat [eiser] nog betalingsverplichtingen jegens Dexia heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie

I. wijst de vorderingen af;

II. veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 600,00;

III. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

IV. veroordeelt [eiser] om aan Dexia te betalen een bedrag van € 6.291,58;

V. veroordeelt Dexia in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 250,00;

VI. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter