Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL0915

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
840829 DX EXPL 07-77
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vonnis effectenlease-overeenkomst; huurkoop; certificaatproduct; artikel 1:88 BW; aflevering; verjaring; schending zorgplicht; schade; voordeelstoerekening; eigen schuld; onaanvaardbare last?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

zaak- en rolnummer: 840829 DX EXPL 07-77

vonnis van: 27 januari 2010

f.no.: 574

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

nader te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 november 2005, met producties;

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 30 augustus 2006 is vastgesteld dat de procedure is geschorst. Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam heeft [eiser] een afschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij gebruik heeft gemaakt van de opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), waarin hij verklaart niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- een conclusie van antwoord van Dexia, met producties;

Bij tussenvonnis van 20 augustus 2008 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 18 november 2008. Ter comparitie zijn verschenen [eiser] in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T.H.E. Repko en van de zijde van Dexia [persoon 1], bijgestaan door mr. C. Velink. Van hetgeen besproken is ter comparitie heeft de griffier aantekening gehouden. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [eiser] bij brief van 12 november 2008 een akte uitlating na tussenvonnis met producties en door Dexia per fax van 5 november 2008 aanvullende stukken ingediend, welke thans tot de processtukken behoren.

Bij rolmededeling van 26 november 2008 zijn alle bij de rechtbank aanhangige effectenlease-zaken, waaronder de onderhavige, aangehouden in afwachting van arresten van de Hoge Raad waarin rechtsvragen zouden worden beantwoord die partijen in effectenlease-zaken verdeeld houden. Op 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een drietal arresten gewezen, waarin hij op deze rechtsvragen een antwoord heeft gegeven.

Bij rolmededeling van 22 juli 2009 is de zaak verwezen naar de rol van 12 augustus 2009 voor uitlating doorhaling dan wel voortprocederen, waarop [eiser] te kennen heeft gegeven te willen voort procederen.

Vervolgens is in gediend:

- een conclusie na comparitie aan de zijde van [eiser];

- een nadere conclusie met producties aan de zijde van Dexia

Daarop is vonnis bepaald op heden.

De rechter die de zaak ter comparitie heeft behandeld, is vanwege organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen en uit te spreken.

Gronden van de beslissing

1 De feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

1.2. [eiser] heeft de volgende overeenkomst tot effectenlease (hierna: de lease-overeenkomst) ondertekend waarop hij/zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd

1 38402372 03-12-1999 Koers Extra € 16.336,08 240 mnd

1.3. De eerste betaling door [eiser] aan Dexia ter zake van de lease-overeenkomst vond plaats op 23 december 1999 en is verricht ten laste van een zogenoemde en/of-rekening op naam van [eiser] en [persoon 2]. In totaal heeft [eiser] op grond van de lease-overeenkomst € 4.084,20 aan maandtermijnen aan Dexia betaald.

1.4. Dexia heeft per 14 december 2004 met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld. Deze eindafrekening zag er, voor zover van belang, als volgt uit:

Eindafrekening:

Waarde aandelen € 4.084,58

Restant hoofdsom (af) € 5.826,83

Nog te voldoen € 1.742,25

1.5. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst was de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] en – indien van toepassing – van diegene(n) met wie hij/zij een huishouding voerde, als volgt:

Leeftijd 46 jaar

Gezinssamenstelling 2 volwassenen, 3 kinderen

Netto maandinkomen € 2.275,00

In aanmerking te nemen vermogen € 3.951,97

1.6. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst was [eiser] gehuwd met [persoon 2].

1.7. [persoon 2] heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de lease-overeenkomst. Bij brief van 12 mei 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [persoon 2] met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomst vernietigd en terugbetaling gevorderd van alle door [eiser] betaalde termijnen.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert op gronden als vermeld in de processtukken dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de overeenkomst is of wordt vernietigd, althans ontbonden, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, en dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van al hetgeen in het kader van de onderhavige overeenkomst aan Dexia is betaald, bij dagvaarding gesteld op € 5.826,45, vermeerderd met de wettelijke rente over die betalingen vanaf de dag van de betalingen tot aan de dag van algehele terugbetaling door Dexia. Voorts vordert [eiser] dat de kantonrechter Dexia beveelt om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het BKR te Tiel, althans de aan die registratie gekoppelde achterstandcodering ongedaan wordt gemaakt, zulks op straffe van een dwangsom. Ten slotte vordert [eiser] dat de kantonrechter Dexia veroordeelt tot betaling van de werkelijke proceskosten.

2.2. [eiser] heeft aan deze vordering – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat de lease-overeenkomst moet worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming van [persoon 2] behoefde ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat zij deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft zij de lease-overeenkomst rechtsgeldig kunnen vernietigen. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat Dexia de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, alsmede dat de lease-overeenkomst door de raadsman van [eiser] is vernietigd onderscheidenlijk ontbonden op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, misleidende reclame en dwaling.

2.3. Dexia heeft de vordering en de grondslag daarvan bestreden op gronden die, voor zover van belang, hierna aan de orde zullen komen.

3. Beoordeling

Huurkoop

3.1. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) wordt de onderhavige overeenkomst aangemerkt als huurkoop. De Hoge Raad heeft vooropgesteld dat onder aflevering moet worden verstaan dat de afnemer het genot van de aandelen verkrijgt. Dat ook sprake was van recht op dividend op de aandelen gold als bijkomende omstandigheid om aan te nemen dat het genot was verkregen. De Hoge Raad noemt immers allereerst het feit dat de afnemer het volledige risico van de waardeontwikkeling van de aandelen droeg. Dat laatste is ook bij de onderhavige lease-overeenkomst het geval: aan [eiser] kwamen dadelijk nadat de overeenkomst was aangegaan, alle waardeveranderingen van het vermogensrecht (het “certificaat”) toe. In de lease-overeenkomst is immers uitdrukkelijk bepaald dat [eiser] het risico van “de koerswaarde van de waarden” draagt. Bij certificaatproducten als de onderhavige doet de omstandigheid dat de afnemer geen recht heeft op dividend aan het voorgaande niet af, nu de “certificaten”, de vermogensrechten waar het hier om gaat, geen recht geven op dividend. Aldus is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van aflevering in de zin van de artikelen 7A:1576 en 7A:1576h BW. Hieruit volgt dat ook in dit geval sprake is van huurkoop.

3.2. Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomst van toepassing is, zodat [eiser] voor het aangaan van de lease-overeenkomst de toestemming van [persoon 2] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rechtsoverweging 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [persoon 2] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

Verjaring

3.3. Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [persoon 2] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomst.

3.4. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

3.5. Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft Dexia allereerst aangevoerd dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. Deze stelling is echter naar het oordeel van de kantonrechter in haar algemeenheid onvoldoende om bekendheid van [persoon 2] met de beslissing van [eiser] tot het aangaan van de lease-overeenkomst aan te nemen. De kantonrechter verwijst in dit verband naar het eerder genoemde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 2009.

3.6. Daarnaast heeft Dexia aangevoerd dat de op grond van de lease-overeenkomst verschuldigde betalingen hebben plaatsgevonden van een zogenoemde en/of-rekening die op naam staat van [eiser] en [persoon 2], zodat [persoon 2] vanaf de datum van ontvangst van het bankafschrift betreffende de oudste betaling geacht moet worden op de hoogte te zijn geraakt van de lease-overeenkomst.

3.7. [eiser] heeft dit weersproken. Volgens hem is [persoon 2] in 2004 voor het eerst op de hoogte geraakt van het bestaan van de lease-overeenkomst toen bekend werd dat er moest worden bijbetaald omdat er een restschuld was ontstaan. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat hij met de lease-overeenkomst een buffer wilde creëren voor de toekomst van zijn kinderen en dat hij [persoon 2] “dan ook” niet heeft geïnformeerd over het contract. [persoon 2] leidt aan manische depressiviteit. Daarom dient [eiser] haar te vrijwaren voor al te grote spanningen. Om deze reden heeft [eiser] haar niet belast met de financiële huishouding en beheert hij de financiële zaken van het huishouden alleen. Verder heeft [persoon 2], die beeldend kunstenaar is, in het geheel niets met financiële zaken. [persoon 2] heeft alleen een eigen bankrekening voor het huishoudgeld en eventuele inkomsten die zij als beeldend kunstenaar verwerft.

3.8. Naar aanleiding hiervan overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser] heeft omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten worden afgeleid dat [persoon 2] bankafschriften van de en/of-rekening, ofschoon deze mede aan haar zijn gericht, niet heeft ingezien en zij langs die weg derhalve geen kennis heeft genomen van het bestaan van de lease-overeenkomst. De kantonrechter kan [eiser] hierin niet volgen. Niet valt in te zien dat het creëren van een buffer voor de toekomst van de kinderen te veel spanningen bij [persoon 2] te weeg zou brengen. Nu [eiser], naar zijn eigen stellingen, de lease-overeenkomst zag als een spaarvorm, valt evenmin in te zien dat hierdoor te veel spanningen bij [persoon 2] te weeg zouden worden gebracht. Dat [persoon 2] meer risico’s ziet dan [eiser] en “teveel beren op de weg ziet”, zoals [eiser] ter comparitie heeft verklaard, maakt dit niet anders. Naar Dexia ter comparitie onweersproken heeft gesteld, heeft [persoon 2] immers zelf ook een spaarvoorziening voor de kinderen getroffen. Daarmee behoefde ook de stelling van [eiser] dat [persoon 2] niets heeft met financiële zaken een nadere motivering. Daartoe schiet te kort de stelling dat [persoon 2] beeldend kunstenaar is, nu die omstandigheid niet dwingend tot de door [eiser] bepleitte slotsom leidt.

3.9. Dit betekent dat de door [eiser] ingeroepen omstandigheden, zo zij zouden komen vast te staan, hem niet kunnen baten nu zij niet tot het oordeel kunnen leiden dat het beroep door Dexia op verjaring niet op zou gaan. Reeds hiermee is gegeven dat – zonder dat bewijs behoeft te worden bijgebracht – als vaststaand moet worden uitgegaan van de door Dexia aan het beroep op verjaring ten grondslag gelegde feiten, zodat dit beroep doel treft. Hetgeen [eiser] op de voet van artikel 1:88 BW heeft gevorderd, ligt dan ook voor afwijzing gereed.

Dwaling, misleidende reclame, misbruik van omstandigheden

3.10. In zijn arrest van 5 juni 2009 (LJN: BH 2815) heeft de Hoge Raad voor soortgelijke geschillen een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, die de kantonrechter overneemt. In essentie komt dit in de onderhavige zaak neer op het volgende.

3.10.1. Dexia heeft middels het als productie overgelegde informatiemateriaal voldoende duidelijk gemaakt dat er sprake was van het verstrekken van een geldlening, dat aan de lease-overeenkomst koersrisico’s waren verbonden en dat het risico bestond van een tekort (restschuld) in het geval dat de overeenkomst (tussentijds) zou worden beëindigd en de waarde van de effecten ontoereikend zou zijn om de aankoopsom volledig te voldoen. Op die grond faalt het beroep op dwaling. Dit laat onverlet dat – zoals hierna nog aan de orde komt – op Dexia uit hoofde van haar bijzondere zorgplicht een waarschuwingsplicht van andere aard rust.

3.10.2. Maatstaf bij de vraag of sprake is van misleidende reclame is – kort gezegd – hetgeen kon worden begrepen door een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming van de betreffende reclame (zie HvJ EG 16 juli 1998, C-210/96, NJ 2000, 374). Getoetst aan deze maatstaf, is geen sprake van misleidende reclame. Voor een andere maatstaf, die uitgaat van een minder dan gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument, is geen plaats. Dat uit de op Dexia rustende bijzondere zorgplicht een waarschuwingsplicht voorvloeit, noopt ook hier niet tot een ander oordeel.

3.10.3. Er is geen sprake van misbruik van omstandigheden, nu niet is gebleken dat Dexia wist of moest begrijpen dat [eiser] door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het aangaan van de lease-overeenkomst en het tot stand komen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen Dexia wist of moest begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden.

3.10.4. De door [eiser] aangevoerde omstandigheden leiden in dit geval niet tot een ander oordeel.

Zorgplicht, causaal verband en eigen schuld

3.11. In zijn eerdergenoemde arrest van 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad ook uitgangspunten en een beoordelingskader geformuleerd wat betreft de volgende vragen:

(i) heeft Dexia de op haar rustende bijzondere zorgplicht geschonden?

(ii) zo ja, in hoeverre bestaat er causaal verband (als bedoeld in artikel 6:162 BW) tussen deze onrechtmatige daad van Dexia en de door [eiser] geleden schade?

(iii) welk deel van deze schade moet op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) voor rekening van [eiser] blijven?

In een viertal op 1 december 2009 uitgesproken arresten, heeft het Amsterdamse hof deze uitgangspunten en dit beoordelingskader van een nadere invulling voorzien (zie LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983). De kantonrechter neemt de in deze rechtspraak neergelegde overwegingen en beslissingen tot leidraad voor de verdere beoordeling van het voorliggende geschil. Dit betekent voor de onderhavige zaak het volgende.

3.12. Op Dexia rust als professionele dienstverlener jegens haar wederpartij als particuliere belegger met wie zij voornemens is een overeenkomst tot effectenlease aan te gaan een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortkomende bijzondere zorgplicht. Deze bijzondere zorgplicht strekt ertoe particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Deze bijzondere zorgplicht is tweeledig en brengt allereerst mee dat Dexia degene met wie zij een overeenkomst tot effectenlease aangaat tevoren indringend in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen moet waarschuwen voor het bijzondere, aan het risicovolle en complexe effectenlease-product verbonden, gevaar van een restschuld bij (tussentijdse) beëindiging van de overeenkomst (de waarschuwings¬plicht). Tevens brengt de bijzondere zorgplicht mee dat Dexia voorafgaande aan het aangaan van de overeenkomst onderzoek moet doen naar de inkomens- en vermogenspositie van haar wederpartij, ten einde zich er rekenschap van te geven dat deze over voldoende bestedingsruimte beschikt om naar redelijke verwachting aan zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te kunnen voldoen (de onderzoeksplicht).

3.13. Op grond van hetgeen hieromtrent uit de gedingstukken en de stellingen van partijen blijkt, stelt de kantonrechter vast dat Dexia jegens [eiser] de waarschuwingsplicht en de onderzoeksplicht heeft geschonden. Nu de waarschuwingsplicht erop is gericht [eiser] te behoeden voor het lichtvaardig aangaan van de lease-overeenkomst, moet het ervoor worden gehouden dat [eiser] de lease-overeenkomst niet zou hebben afgesloten als Dexia wel aan haar waarschuwingsplicht had voldaan. Dexia heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat er causaal verband (in de zin van conditio sine qua non verband als bedoeld in artikel 6:162 BW)) bestaat tussen de schending van de waarschuwingsplicht en het aangaan van de lease-overeenkomst. Dit betekent tevens dat niet alleen de restschuld, maar ook de op grond van de lease-overeenkomst betaalde rente en eventuele periodieke aflossingen worden aangemerkt als schade ten gevolge van deze onrechtmatige daad van Dexia. Deze schade kan ook aan Dexia worden toegerekend als schade die het gevolg is van schending van de waarschuwingsplicht (zoals bedoeld in artikel 6:98 BW), nu Dexia geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.14. Op de schade die Dexia aldus – behoudens eigen schuld (zie hierna) – dient te vergoeden dient ingevolge artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht het voordeel dat [eiser] ingevolge de lease-overeenkomst heeft genoten, zoals aan [eiser] betaalde of toekomende dividenden.

3.15. Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de door [eiser] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door hemzelf veroorzaakt voor zijn rekening moet blijven.

3.16. Wat betreft de verschuldigde maandelijkse termijnen (rente en eventuele aflossingen) geldt het volgende. Indien nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat de lease-overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser] zou hebben gelegd was Dexia gehouden het aangaan van de lease-overeenkomst te ontraden. Dit betekent dat in dat geval ook een deel van de schade bestaande uit verschuldigde maandelijkse termijnen voor vergoeding in aanmerking komt. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat van deze (na verrekening van voordeel resterende) schade in beginsel 1/3 deel vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser] behoort te blijven. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts de ‘betaalde’ termijnen omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

3.17. Indien nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht daarentegen niet zou hebben uitgewezen dat de lease-overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser] zou hebben gelegd, was Dexia niet gehouden het aangaan van de lease-overeenkomst te ontraden. In een dergelijk geval moet de schade wat betreft de verschuldigde maandelijkse termijnen geheel voor rekening van [eiser] blijven. In die situatie kan die schade immers geheel worden toegeschreven aan de omstandigheid dat [eiser] de lease-overeenkomst is aangegaan terwijl hijwist of behoorde te weten dat met geleend geld werd belegd (zie Hoge Raad 5 juni 2009, LJN: BH 2815, r.ov. 5.6.3).

3.18. Bij de beantwoording van de vraag of de lease-overeenkomst een onaanvaardbare financiële last voor [eiser] met zich bracht, gaat de kantonrechter uit van de berekening die het Amsterdamse hof in zijn arresten van 1 december 2009 heeft gehanteerd. De daarvoor benodigde gegevens zijn deels reeds voorhanden (zie hierboven onder 1.5). Enkele gegevens ontbreken evenwel nog, te weten de netto woonlast en de maandelijkse rente- en aflossingsverplichting van lopende schulden, telkens ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst. [eiser] zal op na te melde wijze in de gelegenheid worden gesteld deze gegevens, gestaafd met bescheiden, in het geding te brengen. Vervolgens zal Dexia in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.

3.19. De kantonrechter tekent hierbij het volgende aan. Bij in aanmerking neming van de zogenoemde “Nibud-basisnorm” (Y) en het door Nibud gehanteerde basisbedrag met betrekking tot de (netto) woonlasten, behorende bij de gezinssamenstelling van [eiser] ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst, alsmede van de hoogte van de leasesom en de looptijd van de lease-overeenkomst, laat voormelde berekening zien dat de – thans nog niet vaststaande – posten “Woonlasten boven Nibud” (W) en “verpl. eerdere overig krediet” (C) substantieel van omvang dienen te zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat de lease-overeenkomst een onaanvaardbare financiële last met zich bracht. Voor deze berekening verwijst de kantonrechter naar de aan dit vonnis gehechte bijlage. Voor de normbedragen die het Nibud met betrekking tot de verschillende gezinssituaties door de jaren heen heeft gepubliceerd, verwijst de kantonrechter naar: www.rechtspraak.nl/Gerechten/Rechtbanken/Amsterdam/Actualiteiten/Basis+en+woonlastnormen.htm.

3.20. In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

I. Verwijst de zaak naar de rol van 24 februari 2010 ter fine van hetgeen hierboven onder 3.18 is overwogen;

II. houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. W.A.J.P. van den Reek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter