Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL0547

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
13/845095-07 (Golden Sun)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn mededaders feitelijk leiding gegeven aan de beleggingsfraude in de zaak Golden Sun. De beleggers werd een toentertijd stevig, maar niet ongeloofwaardig rendement in het vooruitzicht gesteld. Ook werden op het oog vertrouwenwekkende, maar in werkelijkheid niet bestaande zekerheden beloofd. Het geld van de beleggers is na aftrek van de gemaakte kosten via bankrekeningen in Turkije en Nederlandse rechtspersonen contant gemaakt en verdwenen.

In totaal zijn in de zaak Golden Sun circa 230 beleggers benadeeld voor een bedrag van ruim 19,5 miljoen euro. Verdachte wordt voor zijn aandeel in de gepleegde fraude veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden.

Daarnaast hebben circa 200 beleggers zich gesteld als benadeelde partij. De rechtbank acht de enkele getalsmatige omvang van de vorderingen op zichzelf nog geen beletsel om die in het strafproces te kunnen behandelen. De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen grotendeels worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2010, 42

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/845095-07 (Golden Sun)

Datum uitspraak: 11 januari 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] te [geboortedatum] 1968,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, laatst bekende adres: [adres],

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 januari 2009 en 2, 3, 8, 9 en 29 december 2009.

Het Openbaar Ministerie deed zich in december 2009 vertegenwoordigen door mrs. E.C. Visser en M.J. Dontje; verdachte is niet ter zitting verschenen, hij werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw mr. C. Maat.

1. Tenlastelegging

1.1. De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 2 december 2009 - ten laste gelegd hetgeen staat omschreven in de als bijlage 1 aan dit vonnis gehechte weergave van die tenlastelegging. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De tenlastelegging komt samengevat op het volgende neer.

De tenlastelegging in de zaak Golden Sun bevat drie strafbare feiten. Het eerste verwijt houdt in dat de vennootschap [H&V], hierna ook H&V, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 augustus 2007 te Amsterdam en/of IJsselstein en/of [vestigingsplaats] en/of elders in Nederland door middel van oplichting beleggers heeft bewogen geldbedragen over te maken. De beleggers werd daarbij voorgewend dat met de door hen ingelegde gelden een vakantieresort in Turkije (Alanya en/of Bodrum) zou worden gebouwd, en dat zij hun inleg na drie jaar zouden terugkrijgen en zij jaarlijks een rendement van 12,8 % zouden ontvangen. De belegging zou zijn gedekt door hypothecaire zekerheden. Ook was de investering gewaarborgd, onder meer door een financiële prognose en zou er een accountantsverklaring zijn afgegeven. Verdachte wordt ervan beschuldigd aan die gedragingen feitelijk leiding te hebben gegeven.

Het tweede verwijt betreft een Turkse eigendomsakte van bouwgrond in Turkije (Tapu), die in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 oktober 2006 in Amsterdam en/of [vestigingsplaats] en/of Utrecht en/of elders in Nederland valselijk zou zijn opgemaakt door H&V , dit met het doel die akte als echt en onvervalst te gebruiken tot bewijs van enig feit. Ook daaraan zou verdachte feitelijk leiding hebben gegeven.

Ten derde wordt verdachte oprichting van en deelname aan een criminele organisatie verweten die als doel zou hebben het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen.

1.2. Verbeteringen van kennelijke misslagen

De rechtbank leest in de zaak Golden Sun in het onder 1 en 2 tenlastegelegde feit de zinsnede ‘terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen’ als ‘terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen’. De opsteller van de tenlastelegging heeft immers onmiskenbaar bedoeld het medeplegen van feitelijk leidinggeven aan genoemde feiten ten laste te leggen. In de tekst van de betreffende feiten in de tenlastelegging wordt meermalen gesproken van een samenwerkingsverband en uit het achterliggende zaaksdossier komt overduidelijk de verdenking naar voren dat verdachte samen met enkele medeverdachten als feitelijk leidinggever van H&V heeft gefungeerd. Bovendien heeft de officier van justitie dit samenwerkingsverband nog expliciet willen benadrukken door dit aan verdachte als apart strafbaar feit, te weten oprichting van of deelname aan een criminele organisatie, ten laste te leggen. Er is hier dan ook sprake van een kennelijke misslag.

Verdachte is door de verbetering van die misslag niet in zijn verdediging geschaad.

Voor zover overigens verbeteringen in de tenlastelegging zijn aangebracht, zijn die slechts van taalkundige aard. Ook door die verbeteringen is verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Het bewijs

De feiteni

1. [persoon 1] voert een eenmanszaak in websiteontwikkeling en –hosting onder de naam Websoft Sitedesign and Support (hierna: Websoft), gevestigd in [vestigingsplaats]. Eind 2005 neemt [persoon 1] zijn jeugdvriend [persoon 2] in dienst ii.

2. Begin april 2006 worden vanaf het emailadres [emailadres 1] de domeinnamen [domeinnaam 1], [domeinnaam 2] en [domeinnaam 3] geregistreerd.iii

3. Op 10 april 2006 vindt een bespreking plaats bij het trust- en adviesbureau [trust- en adviesbureau] Groep Limited (hierna: [trust- en adviesbureau]), een handelaar in bestaande vennootschappen. Aanwezig zijn [persoon 3] en drie personen die zich voorstellen als [verdachte], [persoon 1] en [persoon 2]. De bespreking gaat over het aankopen van een bestaande BV ten behoeve van de ontwikkeling van een vakantieresort in Turkije iv. De aan te kopen BV wordt [H]. Op 4 mei 2006 wordt de koopovereenkomst vastgelegd, met verdachte als koper van de aandelen v. De koopsom bedraagt € 4850,=.

Diezelfde dag stuurt [persoon 1] een email aan [trust- en adviesbureau] met onder meer de mededeling: “Hierbij nogmaals de gegevens tbv de aanschaf van de BV: [H] (…)”. Op een uitdraai van deze email uit de administratie van [trust- en adviesbureau] staat met de hand geschreven: “[nr]. dhr. [persoon 2] gesproken. Laat collega tel + fax nr doorgeven en ook e-mail en www.naam. [nr]. Volgens [persoon 2] T [telefoonnr] F [faxnr], I [www] E: [emailadres]“.

De levering van de aandelen vindt plaats op 6 juni 2006. Vanaf dat moment is verdachte enig aandeelhouder en directeur van [H].

4. Op 5 juli 2006 wordt de naam van [H] gewijzigd in [H&V] (hierna: H&V). Het adres van de vennootschap wordt [adres]. Dat adres betreft een ‘statig’ pand met meerdere kantoren die worden verhuurd door [persoon 6]. Op 15 mei 2006 heeft verdachte, namens H&V, een huurovereenkomst gesloten met [persoon 6] waarbij H&V in het pand de kantoorruimte “[S]” huurt vi. Een en ander is besproken met de medewerkster van [persoon 6], [persoon 7], die in het pand als receptioniste werkt. [persoon 1] installeert in de, niet al te grote, kantoorruimte een paar laptops, een fax en een printer. Op het kantoor van H&V komen regelmatig [persoon 2], verdachte en een man die zich [persoon 5] noemt vii.

5. Op 17 juli 2006 opent verdachte een rekening voor H&V bij de ABN-Amrobank met nummer [nr] viii. De eerste storting op deze rekening, van € 1050, vindt plaats op 7 september 2006, vanaf een geldautomaat op het Smaragdplein in Utrecht ix.

6. Op 4 oktober 2006 wordt via een geldautomaat op de Weverstedehof 1 in [vestigingsplaats] (op 290 meter van het kantoor van Websoftx) € 1050 gestort op de rekening van H&V. Een dag later wordt van de rekening van H&V € 1045,42 overgemaakt naar [persoon 6] onder vermelding van ‘Rent october. [S] xi’.

7. In de zomer van 2006 ontwikkelt [persoon 1], met zijn bedrijf Websoft, brochures voor het project Golden Sun, die hij laat drukken door RV Productions xii. Ook maakt hij de websites voor H&V en Golden Sun. De websites worden rond september 2006 operationeel xiii. De brochures zijn voorzien van foto’s van vakantiehuizen, zwembaden en het kantoorpand aan de [straatnaam]. In de brochure is vermeld dat er via een obligatielening kan worden deelgenomen in het project Golden Sun, waarbij een resort met vakantievilla’s zal worden gebouwd in Turkije. De bouwgrond is eigendom van de Turkse partner van H&V en de obligatielening wordt gedekt door hypothecaire zekerheid.

8. Op 1 november 2006 brengt H&V een prospectus uit over het project. Het prospectus is te downloaden via de websites van H&V en Golden Sun. In het prospectus is onder meer het volgende vermeld: “Deze prospectus geeft u inzicht in alle belangrijke aspecten van uw eventuele belegging bij [H&V] (…) De vennootschap heeft als belangrijkste bedrijfsactiviteit het financieren en doen ontwikkelen van vastgoedprojecten zoals het project Golden Sun.Dde financiering van de bouw van het project geschiedt met de opbrengst van de uitgifte van obligaties. (…) De vennootschap en [M] Ltd. Sti. zijn een samenwerkingsverband aangegaan ter ontwikkeling en verkoop van het project: Golden Sun Resorts. Obligatiehouders gaan met de vennootschap een overeenkomst aan van geldlening voor de duur van 36 maanden tegen een rentevergoeding van 12,8% per jaar. De obligaties worden uitgegeven in eenheden van € 1.000 met een minimum van € 50.000. De verplichtingen van de vennootschap uit hoofde van een obligatie zijn gedekt met hypothecaire zekerheid. (…) Op 4 september 2006 heeft [M] Ltd. Sti. de gronden verworven voor de prijs van € 21.500.000. [M] Ltd. Sti. is juridisch eigenaar van de gronden. De eigendomsakten zijn in deze prospectus opgenomen als bijlagen (bijlagen 1 t/m 8). Er is bij de start van het project (..) reeds een dekking van ruim € 12,5 miljoen onder de hypotheek aanwezig. Door de vennootschap is een prognose opgesteld ten aanzien van het project. Deze prognose is door een accountant gecontroleerd. Resultaatprojectie van het project 2006-2009: Geprognosticeerd resultaat na belastingen € 12.502.350. De accountantsverklaring wordt in de loop van week 48 toegevoegd als bijlage 13 onderaan deze prospectus. De looptijd van een obligatie bedraagt 36 maanden. De rente wordt maandelijks achteraf betaald, uiterlijk op de vierde dag van de maand die volgt op de kalendermaanden waarover de rente verschuldigd is. Aflossing van de obligaties geschiedt na afloop van de looptijd. Met de opbrengst van de uitgegeven obligaties financiert de vennootschap de bouw van de onroerende zaken op de gronden xiv”.

9. Bijlage 1 bij het prospectus is een ‘tapu senedi’, een Turkse grondeigendomsakte. Bijlage 2 bij het prospectus is een beëdigde Nederlandse vertaling van die ‘tapu’. Die vertaling luidt voor zover hier van belang: “(…) Provincie: Antalya (..) Kavel Nr. [nr] Perceel Nr. 2 Oppervlakte: Hectare 10, M2 8798, Dm2 33, Soort: Bouwgrond, Eigenaar: [M] Ltd. Sti. Datum: 04/09/2006. Conform het register: [persoon 8] Directeur van het Eigendomsregister [handtekening + stempel]”.

10. Op 27 november 2006 komen op de rekening van H&V de eerste betalingen binnen van beleggers in het project Golden Sunxv. Vanaf die datum tot aan 11 september 2007 wordt door ongeveer 230 beleggers in totaal meer dan € 19 miljoen euro overgemaakt op de rekening van H&V onder de noemer participaties Golden Sun/Golden Sun Golf Resort. Onder meer [persoon 9], [persoon 10], [persoon 11], [persoon 12], [persoon 13], [persoon 14], [persoon 15], [persoon 16]. [persoon 17] en [persoon 18], hebben ieder voor tenminste € 50.000 en samen in totaal voor € 2.201.000,= belegd xvi in het project door overboeking van genoemde bedragen naar de bankrekening van H&V in de periode van 27 november 2006 tot en met 11 september 2007. Daarnaast betaalden zij € 9.951,00,= aan kosten.xvii

11. In de periode van 29 november 2006 tot en met 27 augustus 2007 maakt H&V in totaal € 12.740.000,= over naar de rekening van [M] Ltd. Sti (hierna: [M]). Een bedrag van € 250.000,= is rechtstreeks overgemaakt naar de eigenaar van [M], [persoon 19]xviii.

12. Vanaf 1 januari 2007 staat [persoon 2] op de loonlijst van H&V als marketing manager. In de periode van 29 januari 2007 tot en met 27 april 2007 maakt H&V salaris over aan [persoon 2]. Op 8 mei 2007 ontvangt hij nog een betaling onder de vermelding ‘Datum uit dienst; 30-04-07 Eindbetaling inc. Vakantiegeld’xix.

13. Op 2 januari 2007 sluit verdachte namens H&V een huurovereenkomst met Rijwielhandel [L], waarbij wordt afgesproken dat verdachte de kantoorruimte boven de fietsenwinkel aan de [adres] huurt. Van de kantoorruimte werd regelmatig gebruik gemaakt, maar in de zomer van 2007 was de ruimte plotseling verlaten xx.

14. Vanaf januari 2007 worden op RTL7 wervende reclamespots uitgezonden voor het project Golden Sun. De reclamespots zijn gemaakt door Websoft en de contacten over de uitzending en de betaling ervan zijn verlopen via [persoon 1] xxi.

15. Op 19 januari 2007 brengt H&V een deels vernieuwde versie van het prospectus uit. Onder het kopje ‘accountantsverklaring’ staat in dit prospectus vermeld: “(…) Wij zijn van oordeel dat het prospectus ten minste die gegevens bevat die, voor zover van toepassing, op grond van Bijlage B bij het Besluit toezicht beleggingsinstellingen zijn vereist. 23 januari 2007, Ernst & Young Accountants”xxii.

Een prospectus met datum 26 maart 2007 bevat onder het kopje ‘accountantsverklaring’ de mededeling: “De jaarcijfers van [H&V] liggen momenteel ter beoordeling van Ernst & Young Accountants. Medio april kan de prospectus met de nieuwe accountantsverklaring m.b.t. de jaarcijfers worden gedownload vanaf de website van Golden Sun Resorts”xxiii.

16. Ernst & Young Accountants heeft nooit diensten verleend aan H&V xxiv.

17. Op 1 juni 2007 is H&V in kort geding gedagvaard door TRE Investments II BV (hierna: TRE). TRE had in 2005 een project ontwikkeld voor de financiering van de bouw van onroerend goed in Turkije door middel van uitgifte van obligaties en zij had daarvoor een prospectus uitgebracht. TRE stelde in kort geding dat het door H&V uitgegeven prospectus nagenoeg gelijk was aan het hare en dat H&V daarmee inbreuk maakte op haar auteursrecht. De voorzieningenrechter heeft op 28 juni 2007 geoordeeld dat het prospectus van H&V een bijna woordelijke kopie is van dat van TRE en zij heeft H&V verboden het prospectus te gebruikenxxv.

18. Na 1 juni 2007 heeft H&V op haar website de mededeling geplaatst “Emissie per 31 mei voltekend. Vanaf 8 juni is deelname in Golden Sun Golf mogelijk”xxvi. Voor het project Golden Sun Golf brengt H&V een aparte brochure uit. Daarin wordt vermeld dat het Golden Sun Golf Resort zal worden opgezet in het Turkse Bodrum en zal bestaan uit een 18 holes golfbaan met daar omheen 180 villa’sxxvii. Vanaf 8 juni 2007 is het prospectus voor dit nieuwe project te downloaden vanaf de website van H&V. Het prospectus bevat onder meer de volgende mededelingen:

“(…) De aanleg en bouw van het project zal wederom tot stand komen in samenwerking met [M] Ltd. Sti. Obligatiehouders gaan met de vennootschap een overeenkomst aan van geldlening voor de duur van 36 maanden tegen een rentevergoeding van 12,8% per jaar. De obligaties worden uitgegeven in eenheden van € 1.000 met een minimum van € 50.000. De verplichtingen van de vennootschap uit hoofde van een obligatie zijn gedekt met hypothecaire zekerheid. De heer [persoon 20] is namens [H&V] feitelijk belast met het dagelijks beleid van de vennootschap. (…) Op 3 mei 2007 heeft [M] Ltd. Sti. de gronden verworven. (..) De gronden zijn aangeschaft voor een bedrag van € 26.500.000. Er is bij de start van het project (…) reeds een dekking van ruim € 17,5 miljoen onder de hypotheek aanwezig. (…) De accountantsverklaring zal worden toegevoegd zodra deze door Ernst & Young Accountants wordt verstrekt. De looptijd van een obligatie bedraagt 36 maanden. De rente wordt maandelijks achteraf betaald, uiterlijk op de vierde dag die volgt op de kalendermaanden waarover de rente verschuldigd is. Aflossing van de obligaties geschiedt na afloop van de looptijd. Met de opbrengst van de uitgegeven obligaties financiert de vennootschap de bouw van de onroerende zaken op de gronden. De hypotheek (…) dient als zekerheid voor betaling van de verplichtingen van de vennootschap jegens de obligatiehouders xxviii”.

19. Per 22 mei 2007 wordt [persoon 20] enig aandeelhouder en directeur van H&V in plaats van verdachte xxix. In de periode van mei tot en met augustus 2007 maakt H&V nog maandelijks salaris over naar verdachte xxx.

20. Vanaf 22 mei 2007 tot en met 6 juni 2007 maakt H&V in totaal € 1.230.000,= over naar de rekening van [U] xxxi. Eveneens met ingang van 22 mei 2007, tot en met 15 juni 2007, worden in totaal zo’n 360 pinopnames gedaan van de rekening van [U], in veel gevallen met de vermelding ‘NSC’xxxii. Deze afkorting verwijst naar opnamen in Holland Casino xxxiii.

21. Vanaf 16 juli 2007 tot en met 2 augustus 2007 maakt H&V in totaal € 1.410.032,30 over naar de rekening van [T]. In de periode van 14 juli 2007 tot en met 4 augustus 2007 worden van de rekening van [T] pinopnames gedaan tot een totaalbedrag van € 767.350,=, ook hier in veel gevallen met de vermelding ‘NSC’. Van de rekening van [T] wordt voorts in totaal € 640.930,= overgeboekt naar de rekening van [F]sxxxiv. Van de rekening van [F] wordt tussen 17 juli 2007 en 6 augustus 2007 € 392.500,= opgenomen in het Holland Casino xxxv.

22. In augustus 2007 wordt van de rekening van [T] in totaal € 357.000,= overgeboekt naar de Hollandsche Bank Unie ten behoeve van de aankoop van in totaal 22,75 kg goud.

23. In augustus 2007 boekt H&V in totaal ruim € 100.000 over naar [E] en ruim € 50.000,= naar W&G Juridisch Advies xxxvi. In diezelfde maand maakt H&V in totaal € 461.313 over naar de rekening van MW Consultants xxxvii.Vanaf de rekening van MW Consultants worden bedragen overgemaakt naar [T] (€ 386.000,=), [E] (€ 25.100,=) en [P] (€ 25.000,=)xxxviii.

24. In de zomer van 2007 haalt [persoon 20] de administratie van H&V op bij de boekhouder [persoon 21]xxxix.

25. Eind augustus 2007 blokkeert de bank de rekening van H&V xl.

26. De laatste rentebetaling aan beleggers heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007 xli. Daarna blijven rentebetalingen uit xlii. Beleggers die zich daarover beklagen bij H&V krijgen alleen nog contact met [persoon 22], die per 1 februari 2007 als ‘senior consultant’ bij H&V is gaan werken xliii. [persoon 22] meldt zich op 17 september 2007 bij de politie om aangifte te doen van beleggingsfraude xliv.

27. Op 8 november 2007 wordt het kantoor van Websoft in [vestigingsplaats] doorzocht.xlv Bij die doorzoeking wordt een notitieblaadje aangetroffen met daarop handgeschreven aantekeningen. Dit papiertje ligt op een bureau dat die dag in gebruik is bij [persoon 23], medewerker van Websoft.xlvi Op dit papiertje staat onder meer het volgende met de hand geschreven:

[persoon 24]

* Bank ABN-AMRO pin [pin] (omcirkeld)

€ 1050,00 voor 05-10-2006 storten!

Dus uiterlijk 04-10-2006 --> wordt op 05-10-2006 via telebankieren afgeschreven

----------------------------------------------------------------------------------------------------

a. [persoon 24] € 262,50

b. [persoon 25] € 262,50 huur october (omcirkeld)

c. [persoon 26] € 262,50

d. [persoon 27] € 262,50

[persoon 27] Vertaling (omcirkeld) € 220,00 + 32,50 = 252,50

[persoon 25] Betaald (omcirkeld) € 200,00 + 32,50 stempel (omcirkeld) = 232,50

-----------

485,00

[persoon 24] totaal dus 262,50 + 121,25 = 383,75

[persoon 26] totaal dus 262,50 + 121,25 = 382,75

¼ deel van

28. Bij doorzoeking van de woning van verdachte, ook op 8 november 2007, wordt een DVD met databestanden aangetroffenxlvii. Ook wordt een briefje aangetroffen met daarop handgeschreven: ‘[pers[persoon 20] [nr]’xlviii De aangetroffen DVD bevat onder meer de volgende bestanden:

- Een word-document met als bestandsnaam: ‘[bestandsnaam]’. Dit bestand heeft als datum 12 april 2006. Als auteur staat vermeld ‘[pe[persoon 1]’.xlix In dit bestand staat onder meer:

’12,1 % rente per jaar’

‘De activiteiten van Golden Sun III worden gefinancieerd door [H&V] op basis van het uitgeven van kortlopende vastgoedobligaties met een rendement van 12,1 % per jaar. De obligaties hebben de volgende kenmerken:

Minimum inleg: € 50.000,-

Looptijd: 3 jaar

12,1 % rente per jaar

Maandelijkse uitkering van de rente

Hypothecaire zekerheid (zie ook ‘ZEKERHEDEN’)’

(…)

[H&V] is een Nederlandse projectontwikkelaar, gevestigd te [vestigingsplaats]. Zij zal het (inmiddels al derde) project ‘Golden Sun III’ gaan ontwikkelen, bouwen en verkopen.’

(…)

(…) is er voor gekozen in Turkije een dochteronderneming op te richten die eigenaar is van de gronden. Met deze dochter, [dochter], vormt [H&V] een maatschap.’

(…)

‘De gronden, 163.265 m2, zijn inmiddels door [dochter] aangekocht en ingebracht in de maatschap.’l

- Een word-document met als bestandsnaam ‘Prospectus Golden Sun.doc’.li Op de eerste pagina van dit bestand valt te lezen: ‘Prospectus, 21 december 2005, Golden Sun Resorts’. Op pagina 7 staat ‘Dit prospectus is vastgesteld op 21 december 2005 door TRE Investments II B.V. ‘. In de voettekst valt te lezen: ‘©[H&V] – alle rechten voorbehouden.’.lii

Uit de samenvatting van de documenteigenschappen blijkt dat het bestand is gemaakt op 6 april 2006 met als auteur ‘[voornaam]’ en bedrijf ‘Websoft’. Het bestand is laatst gewijzigd op 13 april 2006. Het bestand is laatst opgeslagen door ‘[D]’.liii

- Een psd-bestand genaamd ‘[psd bestand]’, dat is gedateerd op 10 mei 2006. In dit bestand staat het blanco sjabloon van een Turkse kadastrale akte. Op de plekken waar tekst moet worden ingevuld staat ‘tekst’ en (in het midden) ‘hier komt de tekst te staan.’liv

- Een psd- bestand genaamd ‘[psd bestand]’, dat is gedateerd op 11 mei 2006, met daarin een afdruk van een stempel.lv

29. De Nederlandse justitiële autoriteiten doen op 21 november 2007 een rechtshulpverzoek aan Turkije. Bij dit rechtshulpverzoek zijn vier eigendomsbewijzen gevoegd, die zich in het dossier bevinden als documenten D/138 (p. 18 en 19), D/223 (p. 17 en 18), D/328 (p. 16 en 17), D/141 (p. 17 en 18) en D/142 (p. 17 en 18).lvi Op 7 mei 2008 stuurt [persoon 28], directeur kadaster Register te Alanya, een brief aan het parket van de hoofdofficier van justitie te Alanya. In deze brief staat onder meer: ‘Gebleken is dat de als bijlagen bij uw schrijven gevoegde eigendomsbewijzen niet door ons directoraat zijn opgemaakt. Voorts is gebleken dat [directeur], Directeur Kadaster Register, wiens handtekeningen voortkomen op de (..) eigendomsbewijzen, op 08-06-2005 uit zijn functie is getreden als Directeur Kadaster Register te Alanya.’lvii Bij deze brief is een uittreksel uit het Turkse kadaster gevoegd dat ziet op Eiland nr/Perceel [nr]/2 met oppervlakte 108,798.33 m2. Bij hoedanigheid ‘onverdeeld’ onroerend goed staat vermeld: ‘akker/bouwland’. Als eigenaren staan vermeld: [persoon 30], [persoon 31], [persoon 32] en [persoon 33], elk voor ¼ aandeel sinds 22.11.1985 (verkoop).lviii

30. Op 21 januari 2009 wordt H&V failliet verklaard. De curator deelt mee dat van de ingelegde gelden nog een bedrag van ongeveer € 325.000,= aanwezig was op de bankrekening van H&V. Op dat saldo is door meerdere crediteuren beslag gelegd. Voor het overige is de boedel leeg lix.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs in de zaak Golden Sun

Oplichting door H & V en valsheid van de tapu

Allereerst stelt de rechtbank vast dat H&V door het doen uitzenden van reclamespotjes en door het verspreiden van brochures en prospectussen potentiële beleggers heeft bewogen door aankoop van obligaties te beleggen in vastgoed in Turkije.

Belangrijk element van de prospectussen was de vermelding dat H&V in Turkije een zakenpartner had gevonden in [M], dat [M] in Turkije grond had verworven en dat de verplichtingen die H&V tegenover de obligatienemers op zich zou nemen, waren gedekt met een hypotheekrecht op die grond. Ten bewijze dat [M] eigenaar van de grond was, was het Turks eigendomsbewijs (de in de tenlasteleggingen bedoelde tapu) en een vertaling daarvan in de prospectussen opgenomen.

Dat eigendomsbewijs was een vervalsing. Dit volgt uit de hiervoor onder 29 genoemde feiten. Niet [M], maar anderen waren de eigenaren van de grond en op de dag waarop de in de prospectussen opgenomen tapu zou zijn ondertekend door de directeur van het register, was deze niet langer in die functie werkzaam.

Daarmee staat vast dat de beleggers zijn misleid en dat volgt eveneens uit het feit dat ook overigens op geen enkele wijze is gebleken dat aan [M] bouwgrond toebehoorde of aan H&V enig hypotheekrecht op grond in Turkije is verleend.

Daarnaast moet worden vastgesteld dat in de prospectussen ten onrechte melding is gemaakt van een accountantsverklaring die zou worden verkregen. Uit niets is gebleken dat een dergelijk vooruitzicht bestond. Integendeel, de in de prospectussen genoemde accountant heeft H&V nooit als klant gehad.

Voorts volgt uit de wijze waarop H&V het door de beleggers ingelegde geld heeft besteed, dat H&V heeft voorgewend dat dit geld zou worden gebruikt voor de financiering van vastgoed in Turkije. Immers miljoenen zijn overgeheveld naar Nederlandse ondernemingen als [U] en [T], terwijl daartegenover geen zichtbare tegenprestatie stond. Van het geld dat in Turkije is terechtgekomen, is niets terug gevonden. Niet is gebleken dat enig deel daarvan is aangewend voor de aankoop van onroerend goed of is gebruikt voor de in de prospectussen genoemde projecten.

De verdediging van [persoon 1] en [persoon 34] heeft in dit kader, voor zover de rechtbank niet tot een vrijspraak mocht komen, aangevoerd dat die conclusie zonder nader onderzoek in Turkije niet kan worden getrokken. Die stelling moet evenwel worden verworpen. Zoals blijkt uit de onderzoeksresultaten uit Turkije, hebben de locale autoriteiten een deel van de door H&V aan beleggers verstrekte informatie over het Golden Sun project onderzocht. Uit dat onderzoek kwam onder meer naar voren dat de eigendomsbewijzen vals waren en dat het geld grotendeels contant was opgenomen.

De in dit onderzoek gehoorde betrokkenen hebben op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat wel sprake zou zijn geweest van financiering in vastgoed en/of eigendom van bouwgronden. Gelet op de professionaliteit die H&V pretendeerde en de aard en stelligheid van de door haar in de prospectussen gedane beweringen mocht minst genomen van haar worden verwacht dat zij enige aanwijzing voor de beweerdelijk gedane investeringen had gegeven. Een zodanige aanwijzing kan echter noch uit enige verklaring van de bij H&V betrokken personen noch uit haar administratie worden geput. Niet is gebleken dat er op enig moment concrete bouwplannen hebben bestaan. Er waren slechts gefotoshopte tekeningen van modellen die van het internet waren gehaald, en de 3D-impressies van de huizen zijn deels met behulp van zelfverzonnen gegevens gemaakt.lx Ook is er geen spoor van enige bemoeienis van een architect of aannemer, hetgeen bij projecten van een dergelijke omvang als hier aan de orde wel voor de hand zou liggen.

Ter zitting heeft de verdediging geen feiten of omstandigheden genoemd die een ander licht op de besteding van het geld werpen of die anderszins tot nader onderzoek in Turkije nopen. Zij heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom zodanig onderzoek noodzakelijk is voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Bewezen kan dus worden verklaard dat in de prospectussen onjuiste mededelingen zijn gedaan omtrent de eigendom van bouwgronden en, daarmee, het bestaan van zekerheden, alsmede (het uitzicht op) de accountantsverklaring. Het betreft met name die elementen van het prospectus die voor beleggers van doorslaggevende betekenis zijn bij het nemen van hun beslissing om deel te nemen in het aangeboden beleggingsproduct. Voorts kan uit de geldstromen worden afgeleid dat de ingelegde gelden niet overeenkomstig de in de prospectussen vermelde doeleinden zijn besteed. Uit de wijze waarop deze gelden via verschillende wegen zijn weggesluisd volgt dat van deponeren of bewaren ten behoeve van de beleggers geen sprake is geweest. Daarmee staat tevens vast dat in strijd met de waarheid is vermeld dat met de belegde gelden in vastgoed zou worden geïnvesteerd en dat de inlegger na een looptijd van 36 maanden de inleg gegarandeerd terug zou ontvangen. Die onwaarheden zijn kennelijk opzettelijk in het prospectus opgenomen met het doel (potentiële) beleggers te misleiden.

Aangenomen moet worden dat dit van meet af de opzet is geweest van degenen die kennelijk speciaal voor dit doel de vennootschap hebben aangekocht die H&V is gaan heten, en die vervolgens met behulp van H&V beleggers tot deelname aan de projecten hebben bewogen.

Niet is gebleken dat H&V zich met iets anders heeft bezig gehouden dan het aantrekken van geld van beleggers en illustratief is dat uit onderzoek aan de bij Verdachte aangetroffen DVD, waarin een blanco concept-tapu en een daarbij behorend stempel bleken te zijn opgeslagen die kennelijk zijn gebruikt om de valse tapu van de prospectussen te maken, is gebleken dat de eerste handelingen ten behoeve van het samenstellen van de prospectussen en het inrichten van de website dateren van voor de aankoop van H&V.

Welke verdachten zijn hierbij betrokken?

Betrokkenheid verdachte [verdachte]

De verdediging heeft geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd omdat -samengevat- zijn directeurschap van H&V en zijn betrokkenheid bij de “oprichting” van die vennootschap daartoe onvoldoende is.

Niet is gebleken dat verdachte leiding heeft gegeven aan de persoon die zich [persoon 5] noemde, of aan [persoon 1]. Verdachte was in de periode dat hij werkzaam was bij H&V (tot eind mei 2007) niet daadwerkelijk betrokken bij bestuurlijke activiteiten. Zijn betrokkenheid beperkte zich tot niet delictgerelateerde activiteiten als “de oprichting”, de huur van bedrijfsruimte, het openen van de bankrekening van de BV en contacten met de administrateur [persoon 21]. Evenmin heeft verdachte zich ingelaten met het aan de man brengen van obligaties Golden Sun (Golf) Resorts. Het overmaken van gelden naar Turkije paste bij de opzet van de projecten aldaar en de beleggers kregen de hun toegezegde rendementen uitgekeerd. In het dossier wordt er ten onrechte van uitgegaan dat er geen voornemen bestond tot het realiseren van de resorts in Turkije.

Derhalve is niet aangetoond dat verdachte wist dat er gefraudeerd zou worden. Aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit betoog.

De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat het van meet af aan de bedoeling is geweest om met de tot H&V omgedoopte BV beleggers tot deelname te bewegen zonder daartegenover de beloofde tegenprestaties te stellen. Het uitbetalen van rendement was kennelijk uitsluitend bedoeld als een bij ponzi-schemes als deze gebruikelijk lokmiddel nu van enig werkelijk rendement geen sprake kon zijn. De rendementen zijn uit de inleg van de beleggers betaald.

Het is niet erg waarschijnlijk dat verdachte als eigenaar en directeur van H&V dit niet heeft geweten, gelet op zijn betrokkenheid bij de aankoop van de BV en gelet op de daarna daarin door hem ontplooide activiteiten. Immers, hij was actief betrokken bij het verwerven van de aandelen H&V, bij de naamswijziging van deze BV, bij het registreren van domeinnamen lxi, bij het openen van een bankrekening op naam van de BV, waarover hij vervolgens kon beschikken aangezien hij de pashouder daarvan werd, bij het aangaan van de huur van bedrijfsruimte in het pand aan de [straatnaam] in Amsterdam, en bij het brengen van post van H&V naar de boekhouder.

Er is echter meer. Niet alleen is bij verdachte de DVD aangetroffen, waarin de blanco tapu met stempel was opgeslagen, en is er het hiervoor onder 27 van de vaststaande feiten vermelde papiertje, waaruit de rechtbank concludeert dat verdachte, wiens voornaam [persoon 27] is, een van de vier initiatiefnemers is van de oplichting, maar ook zijn er twee door de boekhouder [persoon 21] op 27 en 28 november 2006 gevoerde, opgenomen telefoongesprekken, het eerste met dezelfde [persoon 27] (dus: Verdachte) en het tweede met [persoon 25] (dat is [persoon 2]), waaruit blijkt dat Verdachte betrokken was bij het overnemen van het prospectus van TRE Invest door H&V en waaruit blijkt dat hij een voorbeeld wilde hebben van een accountantsverklaring om die voor het prospectus van H&V te gebruikenlxii, nadat hij eerder met [persoon 35] van Accountantskantoor WEA over een zodanige verklaring had gesproken.lxiii Verdachte wist dus precies waarmee de vennootschap zich bezig hield, schroomde niet het prospectus van een bonafide onderneming over te nemen en had kennelijk de bedoeling om de tekst van het voorbeeld van de accountantsverklaring in het prospectus van H&V op te nemen. Daarmee is gegeven dat hij kennelijk de bedoeling had in het prospectus een valse accountantsverklaring op te nemen, en staat vast dat hij het boos opzet had met behulp van H&V beleggers op te lichten.

Voorts is nog gebleken dat de door RV Productions uitgebrachte offerte voor folders, presentatiemappen en enveloppen aan Verdachte is gerichtlxiv en dat in contacten met beleggers en bij het ondertekenen van obligaties zijn naam wordt gebruikt.lxv

Dat verdachte ontslag zou hebben genomen betekende niet het einde van zijn bemoeienissen met H&V. Nog in juni 2007 heeft hij een advocaat geïnstrueerd om hoger beroep in te stellen tegen een tegen H&V in kort geding gewezen vonnis.

Aan de overtuiging dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onderhavige fraude draagt bij dat hij niet de moeite heeft genomen om enige verantwoording af te leggen over zijn beleid als eigenaar en directeur van H&V. Hij is sinds geruime tijd voortvluchtig.

Verdachte moet dan ook worden beschouwd als medepleger van het feitelijk leiding geven aan de door H&V gepleegde oplichting.

Betrokkenheid verdachte [persoon 2]

[persoon 2] wist niet van de oplichting, aldus de verdediging, en had ook geen reden te vermoeden dat H&V de beleggers oplichtte. Hij was slechts gedurende korte tijd voor H&V werkzaam. De getuige [persoon 7] vergist zich in het moment waarop [persoon 2] bij H&V is begonnen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

[persoon 2] wist van de oplichting. Dit volgt uit het al genoemde telefoongesprek dat hij op 28 november 2006 met [persoon 21] voerde. Daarin spreekt hij eerst over een accountantsverklaring voor het prospectus van H&V, vertelt [persoon 21] vervolgens dat er veel klanten binnenlopen en reageert tenslotte op de opmerking van [persoon 21] “’t is ook een prachtig produkt (..) en de presentatie is denk helemaal (..) en een prachtig rendement natuurlijk” met: “Ja daarom (..) ik denk dat we het goed voor mekaar hebben zo (..) ik denk wat [H&V] op die manier brengt dat gewoon (..) goed in mekaar zit .. als je gaat kijken naar (..) de mensen die d’r op reageren qua beroepsmatig (..) ’t zijn toch hoog opgeleide mensen (..).”lxvi

Voorts was [persoon 2] betrokken bij de vertaling van de valse tapu’s. Hij was daarvoor bij het kantoor van [persoon 36].

Uit het hiervoor onder 27 van de vaststaande feiten vermelde papiertje, blijkt dat [persoon 2] vanaf het begin bij de oplichting was betrokken en bovendien dat hij daarvan een van de initiatiefnemers was. Daarop wijst ook dat hij op 10 april 2006 met [persoon 1] en Verdachte bij [trust- en adviesbureau] was, dat hij samen met Verdachte naar de [straatnaam] in Amsterdam is gegaan om daar de kantoorruimte te huren en dat hij met [persoon 1] daar een fax en een printer installeerde. Ook daarna deed hij nog mee, want hij was aanvankelijk 3 à 4 dagen per week op het kantoor aan de [straatnaam], maar later werd dat minder. Na mei 2007 heeft de getuige [persoon 7] hem daar niet meer gezien. Dat past bij de hierna nog te bespreken betrokkenheid van [persoon 2] bij de zaak Royal Dubai.

In het licht van het voorgaande moeten de loonbetalingen door H&V aan [persoon 2] per 1 januari 2007 en het ontslag per 28 april 2007 worden gezien als camouflage, kennelijk vooral bedoeld om te doen voorkomen dat [persoon 2] niet meer was dan een werknemer met een kortlopend dienstverband die van niets wist.

De conclusie is dan ook dat ook [persoon 2] moet worden aangemerkt als medepleger van het feitelijk leiding geven aan de met behulp van H&V gepleegde oplichting, zij het voor een kortere periode dan zijn mededaders.

Betrokkenheid verdachte [persoon 34]

Diverse aangevers en getuigen hebben verklaard dat hun contactpersoon bij H&V [persoon 5] was.lxvii Geen van hen heeft [p[persoon 5] in persoon ontmoet; allen hebben telefonisch en/of per e-mail contact met hem gehad. Op de DVD die in de woning van verdachte is aangetroffen, staan bestanden met visitekaartjes van “H&V Drs. [persoon 5] Financieel Manager”lxviii. Verdachte [persoon 2] heeft verklaard dat [persoon 5] hem bij H&V in dienst heeft genomen.lxix [persoon 22] heeft verklaard dat hij op zijn beurt een sollicitatiegesprek heeft gevoerd met [persoon 2] en [persoon 5].lxx [persoon 2] heeft verder verklaard dat [persoon 5] de klanten te woord stond en veelal het gesprek overnam als [persoon 2] een klant aan de telefoon had. Volgens [persoon 22] verkocht [persoon 5] aanvankelijk de obligaties zelf en bleef hij na de komst van [persoon 22], die dat werk overnam, op de achterhand altijd beschikbaar om alle vragen van klanten te beantwoorden. [persoon 5] stuurde [persoon 22] per mail de gegevens toe van geïnteresseerden met wie [persoon 22] contact moest opnemen. [persoon 5] wist alles van de financiële en fiscale aspecten van het product en van het project, tot de bouwkundige aspecten aan toe. Hij beschikte ook over de codes om elektronische betalingen te kunnen doen namens H&V, aldus [persoon 22]. Verdachte [persoon 1] heeft verklaard dat verdachte hem begin 2006 heeft voorgesteld aan [persoon 5], in het kantoor van H&V aan de [straatnaam].lxxi [persoon 5] heeft zich volgens [persoon 1] intensief met het reclamemateriaal bemoeid en is daarvoor verschillende keren op het kantoor van Websoft in [vestigingsplaats] geweest. [persoon 37] die ook bij Websoft werkte, heeft verklaard dat hij van [persoon 5] regelmatig opdracht kreeg kavels op de website van Golden Sun op optie te zetten en ook om foto’s van huizen op de eigen website van H&V te vervangen.lxxii [persoon 7], de receptioniste van het kantoorpand aan de [straatnaam], heeft verklaard dat [persoon 5] vanaf mei/juni/september 2006 vrijwel dagelijks aanwezig was en vanaf eind 2006/februari/mei 2007 minder vaak op kantoor kwam.

Bij de FIOD is het vermoeden ontstaan dat [persoon 5] een alias is van [persoon 34]. Dit vermoeden wordt ontleend aan uitlatingen van [persoon 38], die op 22 mei 2008 door de FIOD is verhoord in verband met zijn betrokkenheid bij valse facturen die werden gebruikt voor het creëren van zwarte geldstromen, onder meer op naam van [U]. [persoon 38] vertelde de FIOD, zonder dat hem iets was gevraagd, over Golden Sun of H&V, dat boven de personen met wie hij in het kader van de valse facturen te maken had, een ‘stelletje oplichters’ zat dat ook betrokken was bij ‘die oplichting van die huisjes in Turkije’.lxxiii Hij had gehoord dat een van de betrokkenen “[persoon 26]” werd genoemd en dat zijn achternaam [persoon 34] of [persoon 34] was. “[persoon 26]” had een broer die [voornaam broer] heette. Er was ook een [voornaam 1] bij betrokken, die na de oplichting met de Turkse huisjes naar Thailand of Maleisië was gevlucht en daar zat te genieten van het geld. De bende zat ook in de pillen, gebruikte kooivechters als bodyguard en hield zich op in de omgeving van Delft maar ging ook regelmatig naar Amsterdam. Nader onderzoek op de naam [persoon 34] in de omgeving van Delft leidde tot verdachte [persoon 34], die in Rijswijk woont en een broer heeft die [voornaam broer] heet.

Foto’s van [persoon 34]lxxiv zijn opgenomen in een fotomap die is samengesteld volgens de regels voor meervoudige fotoconfrontaties.lxxv [persoon 7] heeft bij een fotoconfrontatie zonder voorbehoud de man op die foto’s aangewezen als degene die zij kent als [persoon 5].lxxvi De rechtbank acht, anders dan de raadsman, deze herkenning betrouwbaar en een vergissing niet waarschijnlijk. [persoon 7] heeft in een eerder verhoor op de aan haar getoonde losse foto’s feilloos Verdachte lxxvii [persoon 2]lxxviii [persoon 1]lxxix, [persoon 22]lxxx en [persoon 39] lxxxiaangewezen.lxxxii Zij heeft blijkens haar verklaring een goed geheugen voor gezichten: toen [persoon 5] haar in juni 2007 voorstelde aan de nieuwe medewerker [nwe medewerker] herkende zij deze als [persoon 39], die in Thailand gevangen had gezeten wegens drugs.lxxxiii Dat [persoon 34], zoals de rechtbank hem op de zitting heeft kunnen zien, niet voldoet aan de eerder door [persoon 7] gegeven beschrijving van [persoon 5] (“zonnebankbruin Albert Cuijptype met grove schakelketting”) is niet van betekenis, aangezien die beschrijving geen onveranderbare elementen in het uiterlijk omvat.

De fotomap met daarin de foto’s van [persoon 34] is ook getoond aan de getuigen [persoon 22], [persoon 40], [persoon 41] en [persoon 39]. Bij de fotoconfrontatie volgde bij geen van hen een herkenning. Aan [persoon 22] is vervolgens nog een losse foto van [persoon 34] uit 2007 getoond.lxxxiv Op die foto herkent [persoon 22] de man die hij kent als [persoon 5]. Als hem daarna de foto’s van [persoon 34] uit de fotomap nog een keer getoond worden, verklaart [persoon 22] dat hij nu ziet dat op een van de foto’s [persoon 5] staat. Op deze recentere foto’s heeft [persoon 5] volgens [persoon 22] zijn haar geblondeerd en anders geknipt en is zijn gezicht ouder. [persoon 22] vindt het logisch dat hij deze foto’s er bij de meervoudige fotoconfrontatie niet uitgehaald heeft, omdat het gezicht aanmerkelijk veranderd is en hij maar 4 seconden naar de foto’s heeft mogen kijken. Als consulent van een haarlaserkliniek let [persoon 22], zo zegt hij, beroepshalve op zaken als haar en gezicht. Bij vergelijking van de foto’s D/423 en D/425 en D/426 valt de rechtbank op dat [persoon 34] op de eerste foto, uit 2007, veel donkerder haar heeft en een gladder en voller gezicht. De opmerking van [persoon 22], dat het haar lichter en het gezicht verouderd is, kan de rechtbank daarom wel plaatsen.

Aan de getuigen [persoon 37]lxxxv en [persoon 42]lxxxvi is, om uit het dossier niet blijkende redenen, niet de fotomap getoond, maar slechts de losse foto van [persoon 34] uit 2007 (D/423). [persoon 37] verklaart daarop dat dit volgens hem [persoon 5] is, die hij één keer heeft gezien toen hij met een petje op en in gezelschap van een kale man die zich voorstelde als [verdachte] bij Websoft op kantoor kwam. [persoon 42] verklaart dat de man op de foto [bijnaam 1] is, die samen met [bijnaam 2] in het kantoor boven de fietsenhandel in I[woonplaats] kwam. Hij heeft hem daar in de eerste helft van 2007 een paar keer gezien maar nooit echt gesproken, alleen gedag gezegd en hij heeft nooit zijn naam gehoord.

Alles bij elkaar genomen ziet de rechtbank in de herkenning door [persoon 7], die nog wordt ondersteund door de herkenningen door [persoon 22], [persoon 37] en [persoon 42] op de losse foto, voldoende bewijs dat [persoon 34] degene is die deze getuigen kennen als [persoon 5].

De vraag is vervolgens of [persoon 34] ook de [persoon 5] is die namens H&V de hiervoor omschreven activiteiten heeft verricht (klanten te woord staan, personeel aannemen, reclamemateriaal vervaardigen). De raadsman heeft erop gewezen dat verschillende personen zich (kunnen) hebben bediend van de naam [persoon 5], zoals de FIOD ook veronderstelt lxxxvii. De drukker [persoon 55] wijst immers [persoon 2] (foto D/061 1 van 2) aan als degene die hij kent als [persoon 5],lxxxviii de aangever [persoon 43] is ervan overtuigd dat [persoon 22] degene is die zich heeft voorgedaan als [persoon 5] (nadat hij diens stem had gehoord in een televisieuitzending)lxxxix en de e-mails die onder de naam [persoon 5] zijn uitgegaan zijn zó verschillend van aanhef, stijl en ondertekening –zelfs als ze aan dezelfde persoon gericht zijn- dat ze wel van verschillende personen afkomstig moeten zijn. Het valt ook de rechtbank op dat de e-mails aan [persoon 1] (beschreven in AH-121) en [persoon 22] (D/67 t/m D/89), die verzonden zijn vanaf het adres [emailadres] en zijn ondertekend door [persoon 5], nu eens informeel beginnen (‘Beste [persoon 24]’, ‘Beste [voornaam 2]’) of eindigen (‘[voornaam 3]’) en dan weer formeel beginnen en/of eindigen (‘Geachte heer..’ ‘Dhr. persoon 5]’). De wisseling tussen formeel en informeel kan zich in een en hetzelfde mailtje voordoen (bijvoorbeeld D/070: aanhef ‘Beste [voornaam 2]’ en afsluiting ‘[persoon 5]’). Regelmatig begint een mail ook met ‘Beste..’ en wordt de geadresseerde vervolgens niettemin met ‘u’ aangesproken.xc

Dit alles zou erop kunnen wijzen dat er bij H&V meer mensen zijn geweest die de naam [persoon 5] gebruikten. Maar dat is niet de enig denkbare verklaring. Ook mogelijk is dat opzettelijk verwarring is gezaaid over de identiteit van [persoon 5]. Wat daarvan zij, de rechtbank vindt de aanwijzingen dat anderen zich van dezelfde schuilnaam bedienden niet van dien aard dat moet worden aangenomen dat achter deze naam willekeurig wie zou kunnen schuilgaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat de activiteiten die aan [persoon 5] worden toegedicht ten minste in het gros van de gevallen op conto van [persoon 34] kunnen worden geschreven. De belangrijkste steun voor die conclusie is de verklaring van [persoon 7], dat de persoon die zij kent als [persoon 5] (en dat is, zoals hiervoor is vastgesteld, [persoon 34]) gedurende langere tijd vrijwel dagelijks in het kantoor van H&V aan de [straatnaam] aanwezig was. Zij heeft, zoals de raadsman terecht aanvoert, niet gezien wat hij daar deed. Hiervóór heeft de rechtbank echter al vastgesteld dat H&V zich slechts bezighield met de oplichting van beleggers, zodat geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid dat [persoon 34] daar iets anders kwam doen. In dit kader is verder van belang de verklaring van [persoon 22], dat hij altijd met dezelfde persoon te maken had als hij met [persoon 5] sprak. Ook [persoon 39] verklaart dat hij de post voor H&V wekelijks aan dezelfde persoon overhandigde. Deze persoon heette [voornaam 3a] of [voornaam 3] en reed in een zilvergrijze Mini Cooper.xci De vriendin van [persoon 34] beschikt over een zilvergrijze Mini Cooper en [persoon 34] rijdt daar volgens haar verklaring ook in.

Niet onbelangrijk is ook dat [persoon 34] over vermogen lijkt te beschikken waarvoor geen legale bron kan worden aangewezen. In Nederland is van hem geen inkomen bekend en hij heeft hierover zelf ook geen informatie verschaft. Wel is vastgesteld dat op zijn rekening in minder dan anderhalf jaar tijd € 60.700,= contant is gestort en dat hij sinds februari 2007 maandelijks € 3.600,= aan huur betaalt, ook contant.xcii Dit laatste volgt uit de huurovereenkomst xciii in combinatie met de verklaring van de verhuurder [persoon 44].xciv Dat die huurovereenkomst vals is en de verklaring van [persoon 44] niet juist, zoals [persoon 34] ter zitting heeft gezegd, is niet aannemelijk gemaakt. Ook had [persoon 34] bij zijn aanhouding bijna € 1.300,= aan contant geld op zak xcv. Vlak vóór die aanhouding reed hij bovendien in een auto die € 168.000,= heeft gekost.xcvi Weliswaar staat die auto op naam van een Luxemburgse onderneming, maar de contacten voor de aankoop ervan zijn volledig via de vriendin van [persoon 34] gelopen en de auto werd gestald in een (ook weer op naam van iemand anders) door [persoon 34] gehuurde garage.xcvii De raadkamer van deze rechtbank heeft op het beklag over de inbeslagname van de auto –ingesteld door de Luxemburgse onderneming- dan ook beslist dat een schijnconstructie niet onaannemelijk is en dat het beslag niet wordt opgeheven (beschikking van 10 november 2009, RK09/1989).

Ten slotte heeft het gerechtshof Den Haag (arrest van 28 september 2006 met parketnummer 20-001925-04, inmiddels onherroepelijk) vastgesteld dat [persoon 34] zich in 2001-2003 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Blijkens het arrest heeft [persoon 34] 55 personen bewogen om geld te verstrekken aan zijn onderneming Mercurius Nederland BV onder het voorwendsel dat het geld zou worden gebruikt als werkkapitaal voor de handel in computers en zonnepanelen voor de garnalenkweek in Thailand, dat maandelijks 5% rente zou worden uitgekeerd en dat aan het einde van de looptijd de gehele inleg zou worden terugbetaald. Het gerechtshof heeft vastgesteld dat weliswaar enige tijd rente is uitgekeerd maar dat de inleg nooit is terugbetaald, terwijl van het kapitaal zo’n € 390.000,= is terechtgekomen op de privérekening van [persoon 34] en daarvan contant is opgenomen. Blijkens het arrest was werkelijke handel in computers of zonnepanelen van meet af aan niet de bedoeling van de onderneming.

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, neemt de rechtbank aan dat [persoon 34] onder de naam [persoon 5] betrokken is geweest bij de door H&V gepleegde oplichting. De rechtbank gaat ervan uit dat [persoon 34] degene is die op het kladbriefje over de huur van de [straatnaam] (D/116, hiervoor weergegeven onder 27) wordt aangeduid als “[persoon 26]” en dat hij een van de vier oprichters is van het oplichtingsvehikel. Hij is daar na de oprichting volop bij betrokken gebleven, wat blijkt uit zijn frequente aanwezigheid op de [straatnaam] en de vele telefonische en elektronische contacten die hij heeft gehad met de andere betrokkenen. Hij kan dan ook als een van de feitelijk leidinggevenden worden beschouwd. Hieraan doet niet af dat bij het onderzoek naar de geldstromen geen rechtstreeks verband met hem is vastgesteld, afgezien van de omstandigheid dat hij bevriend is met [persoon 45] en dat zijn broer [voornaam broer] zakelijke banden heeft met [persoon 45] en [persoon 46]. xcviii

Betrokkenheid verdachte [persoon 1]

[persoon 1] is eigenaar van Websoft. Volgens zijn eigen verklaringxcix is [persoon 1] begin 2006 door verdachte benaderd voor het ontwikkelen van een website. Verdachte vertelde dat hij met Turkse partners een resort zou bouwen waarvoor investeerders zouden worden gezocht die via obligaties de bouwkosten zouden inleggen. Verder had Verdachte alleen een naam en geen logo’s, huisstijl of andere zaken. [persoon 1] heeft, naar eigen zeggen, uit enthousiasme voorgesteld om naast de website ook een logo en huisstijl voor het project te ontwerpen. Samen met [persoon 2], zijn jeugdvriend, die toen bij Websoft werkte (D/115 is een nulurencontract tussen Websoft en [persoon 2] met datum 20 december 2005), heeft [persoon 1] op het kantoor van H&V aan de [straatnaam] de computers, fax en printer geïnstalleerd. Bij die gelegenheid heeft [persoon 1] ook nieuwe foto’s genomen van het kantoorpand met de daarvoor geplaatste vlag. [persoon 1] heeft vervolgens de naam H&V in de vlag gephotoshopt. [persoon 1] heeft de website van Golden Sun gebouwd en de brochures en visitekaartjes ontworpen. Ook heeft hij advertenties geplaatst in geschreven media en op internetsites en hij heeft gezorgd voor een promotiefilmpje dat werd vertoond in reclameblokken van RTL-Z. Voor dit alles is, met datum 12 juli 2006, een overeenkomst opgemaakt tussen Websoft ([persoon 1]) en H&V (Verdachte), waarin is vastgelegd dat Websoft voor al deze werkzaamheden € 250,= per maand zal ontvangen en dat de overeenkomst ingaat per 1 november 2006.c

De raadsman van [persoon 1] stelt zich op het standpunt dat alle hiervoor omschreven activiteiten van [persoon 1] zijn verricht in het kader van een normale relatie tussen dienstverlener en klant. [persoon 1] behoefde er niet op bedacht te zijn dat het door hem vervaardigde reclamemateriaal zou worden gebruikt om mensen op te lichten, als dat al gebeurd is.

De rechtbank stelt vast dat de betrokkenheid van [persoon 1] verder is gegaan dan de hiervoor omschreven verrichtingen. [persoon 1] is ook aanwezig geweest bij de bespreking op 10 april 2006 bij [trust- en adviesbureau] over de aankoop van [H]. Toen de FIOD [persoon 1] ondervroeg over zijn betrokkenheid bij die aankoop, heeft [persoon 1] eerst geheel ontkend dat hij daarmee iets te maken had gehad, en heeft hij gezegd dat niemand bij [trust- en adviesbureau] zou zeggen dat hij daar was geweest. Nadat [persoon 1] werd geconfronteerd met de verklaring van [pers[trust- en adviesbureau] (G14) en met door hemzelf aan [trust- en adviesbureau] gerichte correspondentie (D/136), wist [persoon 1] zich plotseling te herinneren dat hij toch samen met verdachte en [persoon 2] bij [trust- en adviesbureau] was geweest. Ineens weet hij dan ook weer dat hij daar alleen maar was om iets over de website te vertellen. Deze –uiteindelijke versie van de- verklaring van [persoon 1] vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Zij hecht meer waarde aan het door [persoon 3] geschetste verloop van de bijeenkomst. Volgens [persoon 3] waren op 10 april 2006 Verdachte, [persoon 2] en [persoon 1] bij [trust- en adviesbureau] omdat ze een BV wilden overnemen. Ze wilden een resort in Turkije starten. Op 1 mei 2006 zijn Verdachte en [persoon 1] daarvoor nogmaals bij [trust- en adviesbureau] geweest. Ze hadden een plan om huizen te verkopen in Turkije. Er werden dummies getoond en [persoon 3] vond dat het plan er heel goed uitzag. Men had voor het plan een BV nodig en verdachte heeft toen [H] gekocht. Er is ook gesproken over de nieuwe naam die de vennootschap zou moeten krijgen. [persoon 3] weet niet waarom verdachte als koper optrad en niet (ook) (een van) de anderen. Van een specifieke rolverdeling tussen de drie heren was [persoon 3] niet gebleken. Wel wist hij dat [persoon 1] de website zou maken.ci Uit de aantekeningen in het dossier bij [trust- en adviesbureau] volgt dat [persoon 1] op 9 mei 2006 heeft gebeld met de mededeling dat de koopsom voor de aandelen was overgemaakt.cii

[persoon 1] heeft er in de ogen van de rechtbank geen goede verklaring voor gegeven dat hij op deze wijze was betrokken bij de aankoop van [H], nog daargelaten dat hij zijn betrokkenheid aanvankelijk heeft ontkend. Dat hij, zoals hij in zijn bijgestelde verklaring zegt, bij [trust- en adviesbureau] alleen een presentatie heeft gegeven over de website vindt de rechtbank niet aannemelijk. Niet valt in te zien wat [trust- en adviesbureau] met die informatie zou moeten. [trust- en adviesbureau] leverde immers alleen de benodigde plankvennootschap. Aannemelijker is het daarom dat, zoals [persoon 3] zegt, [persoon 1] een presentatie heeft gegeven over het project in Turkije, aan de hand van dummies.

Dummies waren op 10 april 2006 al voorhanden: op de in de woning van Verdachte aangetroffen DVD staan logo’s en brochures die al in de periode vóór 10 april 2006 zijn opgeslagen.ciii Daaruit blijkt overigens ook dat de naam [H&V] al voorkomt op een ontwerp van 17 maart 2006 en dat die naam dus niet pas bedacht is tijdens de bespreking bij [trust- en adviesbureau] op 10 april 2006.

Op de DVD staan ook tekstbestanden van prospectussen van Golden Sun, inschrijfformulieren en een obligatieovereenkomst. Verder staan er kopieën en lege sjablonen van tapu’s op, een tapustempel, foto’s van villa’s en van het kantoorpand aan de [straatnaam], plattegronden en hypotheekakten. Van diverse van de tekstbestanden is volgens de bestandseigenschappen [persoon 1] de auteur. Dit geldt bijvoorbeeld voor een bestand van 12 april 2006civ (hiervoor onder 28 weergegeven), een tekst waarin staat “…. [H&V] is een Nederlandse projectontwikkelaar gevestigd te [vestigingsplaats]…. Klik op de foto links om het prospectus te downloaden. Ook ligt deze ter inzage op ons kantoor in [vestigingsplaats]”. Dit is opvallend, omdat H&V in Amsterdam gevestigd was. Het uiteindelijke prospectus van Golden Sun (D/138) is ook als tekstbestand op de DVD opgeslagen, met datum 8 december 2006 en met auteur ‘[persoon 24]’, de voornaam van [persoon 1]. Ook van het inschrijfformuliercv is [persoon 1] de auteurcvi evenals van de tekst van de obligatieovereenkomst. Op 13 april 2006 is verder een wordbestand opgeslagen (volgens de bestandseigenschappen is de auteur [voornaam] van Websoft en is het bestand het laatst opgeslagen door [persoon 24]) dat een prospectus bevat met datum 21 december 2005, volgens welke H&V in Bussum zou zijn gevestigd. Dit prospectuscvii is een bijna woordelijke kopie van het prospectus van het in Bussum gevestigde TRE Investmentscviii zoals de voorzieningenrechter heeft vastgesteld.cix [persoon 1] wist volgens zijn eigen verklaring dat hij aan het kopiëren was uit brochures van een ander bedrijf en hij wist ook dat dat niet mag. De foto’s die op de DVD zijn opgeslagen, heeft [persoon 1] volgens eigen zeggen van internet gehaald of gekopieerd uit bestaande brochures. De enige foto’s die [persoon 1] zelf heeft gemaakt, zijn die van het kantoorpand aan de [straatnaam], maar die heeft hij dan weer bewerkt met photoshop.

Uit deze opsomming van bestanden waarin [persoon 1] de hand heeft gehad, blijkt van knip- plak- en jatwerk waarvan [persoon 1] nooit heeft kunnen denken dat het in orde kon zijn. De ontlastende verklaring hiervoor die [persoon 1] in het vooruitzicht stelde toen hij zich vanaf zijn 5e verhoor op zijn zwijgrecht ging beroepen, is uitgebleven. De raadsman heeft aangevoerd (maar [persoon 1] heeft zelf in een van zijn verhoren ook al iets dergelijks gezegd) dat ‘er met computerbestanden kan worden gerotzooid’. Dat is in zijn algemeenheid juist. Nadere adstructie van de stelling zou in dit geval echter op zijn plaats zijn geweest, nu [persoon 1] zelf heeft verklaard dat hij verantwoordelijk is voor al het reclamemateriaal, waaronder het prospectus en de website. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken zijn zoals ze lijken, en dat [persoon 1] verantwoordelijk is voor alle op de DVD aangetroffen bestanden, inclusief de valse hypotheekakten en tapu’s. De overtuiging dat hij bij de vervalsing van die documenten is betrokken wordt nog versterkt door de verklaring van [persoon 36] die [persoon 1] aanwijst als degene die samen met [persoon 2] de vertaling van Turkse hypotheekstukken heeft verzocht cx(zie ook de verklaring van Karatut die de stukken heeft vertaald cxi en het prospectus waarin de valse stukken zijn opgenomencxii).

Op het kantoor van Websoft, in een postbakje op het bureau van [persoon 1]cxiii is het kladje D/116 aangetroffen met de verdeling van de eerste kosten aan huur van de onderneming. De rechtbank gaat ervan uit dat [persoon 1] de [persoon 24] is die op dat briefje staat en dat hij van begin af aan volop is betrokken bij de oplichtingsplannen en de uitvoering daarvan. [persoon 1] is ruim vóór de aankoop van de vennootschap begonnen met het fabriceren van het valse materiaal dat uiteindelijk de beleggers heeft overtuigd te investeren in de gebakken lucht van Golden Sun. Hij heeft zich bij [trust- en adviesbureau] gepresenteerd als een van de (daar nog) drie initiatiefnemers en hij was contactpersoon rond de aankoop van de vennootschap. Voor de boekhouder van H&V was hij een van degenen die vanaf het begin bij het hele project betrokken waren en was hij geen zelfstandige webdesigner op afstand.cxiv De rol van [persoon 1] is al met al zodanig dat ook hij moet worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende aan de oplichtingspraktijken van H&V.

Betrokkenheid verdachte [persoon 20]

[persoon 20] heeft per 22 mei 2007 Verdachte opgevolgd als directeur en enig aandeelhouder van H&V. Verdachte heeft kort daarna de wijk genomen naar Thailand. Alleen al de omstandigheid dat [persoon 20] zich directeur heeft laten maken van een vennootschap die zich bezighield met oplichting - wat bij een zeer oppervlakkig onderzoek door de nieuwe directeur meteen had moeten blijken- kan hem worden aangerekend. De vraag is vervolgens wat [persoon 20] heeft geweten of heeft moeten weten. De rechtbank is van oordeel dat [persoon 20] niet kan worden aangemerkt als een echte katvanger die zich op papier directeur heeft laten maken van een onderneming waarvan hij niets afwist. In de eerste plaats geldt dat verdachte degene is geweest die [persoon 20] heeft aangedragen, hetgeen erop duidt dat [persoon 20] in elk geval verdachte kende. Het is daarom aannemelijk dat verdachte [persoon 20] op de hoogte heeft gesteld van de werkelijke bezigheden van de vennootschap. In de tweede plaats geldt dat vanaf het aantreden van [persoon 20] de overboekingen van de rekening van H&V naar de diverse Nederlandse rechtspersonen beginnen, welke overboekingen vervolgens contant worden opgenomen op verzoek van [persoon 20] (verklaring [persoon 47]). Daaruit rijst het beeld op dat [persoon 20] vanuit Thailand is ingevlogen om aan het einde van de levenscyclus van het oplichtingsvehikel de buit veilig te stellen. In dat beeld past dat [persoon 20] de administratie van de vennootschap heeft opgehaald (verklaring [persoon 48]) en dat die administratie vervolgens nooit is teruggevonden.

De rechtbank merkt [persoon 20] dan ook aan als feitelijk leidinggevende aan de oplichting door H&V vanaf zijn aantreden op 22 mei 2007. Ook na die datum zijn nog diverse beleggers opgelicht. Bovendien zijn de activiteiten van [persoon 20] -het geld wegsluizen en de administratie laten verdwijnen- noodzakelijk geweest om de oplichting te voltooien.

Criminele organisatie

Uit het vorenstaande volgt dat ook het onder 3 ten laste gelegde feit, de oprichting van of deelname aan een criminele organisatie, kan worden bewezen verklaard. Immers, Verdachte, [persoon 2], [persoon 34] en [persoon 1] en later ook [persoon 20] hebben gedurende langere tijd bewust, intensief en gestructureerd samengewerkt om met behulp van de speciaal voor dit doel aangekochte vennootschap H&V beleggers te misleiden. Bewust werd valse informatie verstrekt, onder meer door opname in prospectussen van valse eigendomsbewijzen. De vennootschap werd uitsluitend gebruikt om zichzelf of anderen ten koste van de beleggers te verrijken. Het ingelegde geld is verdwenen. De organisatie had dus tot oogmerk het oplichten van beleggers, het plegen van valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen.

Verdachte, [persoon 2], [persoon 34] en [persoon 1] moeten worden aangemerkt als oprichters van de organisatie, [persoon 20] als deelnemer.

Het witwassen

Gebleken is dat in de periode van 22 mei 2007 tot en met 24 augustus 2007 door H&V grote bedragen zijn overgemaakt naar de rekeningen van [U], [T], [E], W&G juridisch advies en MW Consultants BV. Uit het dossier blijkt niet dat deze bedrijven handelingen hebben verricht die het storten van dergelijke bedragen mogelijk kunnen verklaren. Voorts blijkt dat het geld dat op die rekeningen is gestort – al dan niet via tussenrekeningen - grotendeels via pinopnamen is opgenomen (zie de hiervoor onder nrs. 20 t/m 23 genoemde feiten).

Gedurende het opsporingsonderzoek zijn twee personen aangehouden die vermoedelijk betrokken zijn geweest bij deze transacties, te weten [persoon 47] en [persoon 45]. Een derde betrokkene, [persoon 46], is niet aangehouden en daarom ook niet als verdachte gehoord. [persoon 47] en [persoon 45] zijn wel als verdachte gehoord over hun betrokkenheid bij de hiervoor omschreven geldstromen. Hoewel beide verdachten tegenstrijdige verklaringen afleggen, kan uit de door hen afgelegde verklaringen in elk geval het volgende worden vastgesteld.

[persoon 45] erkent dat hij voor ongeveer 1 miljoen euro aan pinopnamen heeft verricht, onder meer in vestigingen van Holland Casino. Daartoe had hij een pinpas van [persoon 47] gekregen. Voorts verklaart [persoon 45] dat hij op 20 of 30 verschillende dagen naar het casino is geweest. Hij ging dan naar meerdere casino’s in het land. Soms bezocht hij meerdere casino’s op één dag om niet op te vallen. Daarnaast bekent hij dat zijn zwager, [persoon 46], een keer in het casino heeft gepind met een pinpas. [persoon 46] ging vaker mee naar Holland Casino, aldus [persoon 45].cxv

De verklaring van [persoon 47] komt hier in zoverre mee overeen, dat ook hij bekent betrokken te zijn geweest bij pinopnamen vanaf de rekening van een aantal plankvennootschappen waarover hij (via GFA juristen) de beschikking had. [persoon 47] heeft daarvoor de vennootschappen GFA Trust, [E], W&G Juridisch Advies en [T] BV gebruikt, zo verklaart hij. Later voegt hij hier nog [F]s en [P] aan toe. [persoon 47] wist ook dat er contant geld naar de rekeningen van die vennootschappen zou worden overgemaakt en dat dit geld vervolgens contant moest worden gemaakt. [persoon 47] heeft daartoe de bankpassen van de vennootschappen aan [persoon 45] overhandigd en hem daarbij de pincodes en een machtiging voor die bankpassen gegeven. cxvi Ook heeft hij zelf enkele pintransacties verricht. cxvii

Tot zover stroken de verklaringen. Beide verdachten wijzen echter in hun verklaring de ander aan als degene die in deze zaak het initiatief heeft genomen. [persoon 45] verklaart dat [persoon 47] hem in de zomer van 2007 heeft benaderd met het verzoek om voor hem ([persoon 47]) in het casino geld te pinnen cxviii. [persoon 47] verklaart dat [persoon 45] hem heeft benaderd, en dat laatstgenoemde daarbij onder meer heeft verteld dat er contant geld nodig was voor onroerend goed in Turkije. In dit verband zou [persoon 45] ook de naam [persoon 20] hebben genoemd.cxix

De rechtbank hecht meer waarde aan de verklaring die [persoon 47] over de gang van zaken heeft afgelegd. Zijn verklaring over de bestemming van het geld (onroerend goed in Turkije) en de naam van [persoon 20] als de persoon aan wie het geld zou worden overhandigd, geeft immers een logische verklaring voor de anders onverklaarbare connectie tussen H&V en de gebruikte plankvennootschappen. De naam [persoon 20] is eens temeer opvallend, aangezien het begin van de transacties samenvalt met de aanstelling van [persoon 20] als DGA van H&V. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat [persoon 45], in tegenstelling tot [persoon 47], in verband kan worden gebracht met een van de personen binnen H&V (namelijk [persoon 34]- zo blijkt uit hetgeen hiervoor over de betrokkenheid van [persoon 34] is overwogen). Dit maakt nog aannemelijker dat [persoon 45] degene is geweest die voor het creëren van de geldstromen vanaf die onderneming contact heeft gelegd met [persoon 47], en niet andersom. Ten slotte zijn [persoon 45] al op 3 augustus 2007 in Holland Casino Breda vragen gesteld in verband met een pintransactie die [persoon 46] daar zojuist met de bankpas van [T] had verricht. Hij heeft toen tegenover de medewerker van het casino verklaard dat die bankpas van zijn compagnon in Maleisië zou zijn. Hij heeft toen niet de naam [persoon 47] laten vallen. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn latere verklaring dat hij alles in opdracht van [persoon 47] zou hebben verricht. Weliswaar heeft [persoon 45] bij zijn verhoor ontkend dit in het casino te hebben gezegd, maar de rechtbank ziet geen redenen om aan te nemen dat dit onjuist in de melding van Holland Casino zou zijn opgenomen.

Beoordeling van de rol van [persoon 45] en [persoon 46]

Uit het vorenstaande kan in elk geval worden vastgesteld dat [persoon 45] en [persoon 46] pinopnamen hebben verricht in Holland Casino vanaf de rekening van [T]. Uit een observatie van Holland Casino blijkt dat zij ook vanaf de rekening van [F]s geld hebben gepind.cxx Daarnaast staat vast dat zij in de periode van 22 mei 2007 tot en met 6 augustus 2007 veelvuldig in diverse vestigingen van Holland Casino zijn geweest.cxxi Uit vergelijkingen van de bezoekerslijsten van Holland Casino met bankafschriften van [U], [T] BV en [F]s blijkt dat in die periode vanaf de rekeningen van de hiervoor genoemde ondernemingen veelvuldig pinopnamen zijn verricht in Holland Casino. Die pinopnamen vonden plaats, vlak nadat [persoon 45] en/of [persoon 46] volgens de bezoekerslijst in het casino waren binnengekomen, zo blijkt uit AH/318A.cxxii

De FIOD spreekt op basis van het bovenstaande het vermoeden uit dat al die pinopnamen in Holland Casino door [persoon 45] en/of [persoon 46] zijn verricht. Zij zouden daarbij in bijzijn van elkaar een totaalbedrag van € 1.921.500,= hebben gepind.cxxiii De verdediging heeft ter zitting die stelling bestreden. De raadsman heeft erop gewezen dat (1) in het dossier ook wordt opgemerkt dat [persoon 45] en [persoon 46] op bepaalde momenten dat er wordt gepind niet aanwezig waren in de betreffende casinovestiging (AH/053, p. 20) en (2) er soms een discrepantie zit tussen de verschillende bezoekerslijsten die Holland Casino heeft verstrekt.

Anders dan de verdediging baseert de rechtbank zich bij haar beslissing wel op de betreffende ambtshandeling AH/318A. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het daarin vervatte onderzoek (deels) op onjuiste gegevens zou zijn gebaseerd. Uit dat processtuk blijkt dat pinopnamen zijn verricht in Holland Casino, terwijl [persoon 45] en/of [persoon 46] daar aanwezig waren. Het is niet aannemelijk dat zij in de bewuste periode voor een ander doel dan het verrichten van pinopnamen in het casino zijn geweest. [persoon 45] heeft immers verklaard dat hij nooit speelde in de casino’s, maar alleen kwam om wat te eten, drinken, vooral te pinnen en dan weer weg ging.cxxiv Uit een observatie van Holland Casino van 6 augustus 2007 blijkt ook dat [persoon 45] en [persoon 46] slechts korte tijd in het casino aanwezig zijn en eigenlijk alleen geld pinnen.cxxv Dat ondersteunt de conclusie dat zij alleen voor pinopnames casino’s hebben bezocht. Bovendien beschikte [persoon 45] – en via hem, ook [persoon 46] - over pinpassen van die drie ondernemingen. Daarvan uitgaande, zou het eerste verweer van de raadsman er op neerkomen dat precies rondom het tijdstip dat [persoon 45] en/of [persoon 46] in het casino waren, iemand anders met een pinpas van die ondernemingen geld zou hebben gepind. Dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Wat zowel [persoon 45] als [persoon 46] betreft kan worden bewezen verklaard dat zij een geldbedrag van ongeveer 2 miljoen euro hebben gepind.

De verdediging van [persoon 45] heeft zich op het standpunt gesteld dat zelfs in dat geval nog niet kan worden bewezen dat [persoon 45] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig was. Ook dat verweer kan geen stand houden. De rechtbank stelt voorop dat de wetenschap als bedoeld in artikel 420bis Sr niet slechts wetenschap in de meest strikte betekenis van het woord omvat, maar ook voorwaardelijk opzet. Dat betekent dat van wetenschap ook sprake is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank stelt vast dat [persoon 45] in een korte periode veelvuldig enorme geldbedragen heeft gepind vanaf een drietal rekeningen van hem verder onbekende ondernemingen. Het gaat daarbij om een totaalbedrag van meer dan een miljoen euro. Dit had hem reeds ten volle moeten doen beseffen dat het geld mogelijk een illegale herkomst had. Dat hij daarnaar enig onderzoek heeft gedaan is niet gebleken. Integendeel, hij heeft bewust meerdere casinovestigingen op een dag bezocht om niet teveel op te vallen. Daaruit blijkt dat hij zich wel degelijk bewust is geweest van het verdachte karakter van de pinopnamen. Dit leidt tot de conclusie dat verdachte in elk geval wetenschap heeft gehad in de zin van voorwaardelijk opzet.

Dit ligt voor [persoon 46] niet anders. Zoals hiervoor is overwogen heeft hij in eenzelfde frequentie vestigingen van Holland Casino bezocht (soms meerdere op een dag) en daarbij bedragen van aanzienlijke omvang gepind. Uit de verklaring van [persoon 45] blijkt niet dat hij vragen heeft gesteld over de pinpassen of de herkomst van het geld.cxxvi Bovendien heeft [persoon 46] op 6 augustus 2007 wederom samen met [persoon 45] een vestiging van Holland Casino bezocht. [persoon 45] heeft bij dat bezoek opnieuw geld gepind.cxxvii Dat bezoek heeft plaatsgevonden na het (hiervoor vermelde) incident van 3 augustus 2007 in Breda, waarbij het casino een pinpas van [T] heeft ingenomen. Ook na dat incident blijft [persoon 46] [persoon 45] dus vergezellen bij kortstondige bezoeken aan casino’s, die alleen dienen om geld te pinnen. Het kan dan ook niet anders dat ook [persoon 46] wetenschap heeft gehad van de illegale herkomst van de geldbedragen, in elk geval in de zin van voorwaardelijk opzet.

4. Bewezenverklaring

Het voorgaande betekent dat ten aanzien van verdachte bewezen kan worden verklaard dat:

Feit 1

[H&V] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 augustus 2007 te Amsterdam en I[woonplaats] en [vestigingsplaats] met het oogmerk om anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen en anderen één of meermalen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten:

* [persoon 9], enig geldbedrag;

* [persoon 10], een totaalbedrag van € 51.500,-;

* [persoon 11], een totaalbedrag van € 51.500,-;

* [persoon 12], enig geldbedrag;

* [persoon 13], een totaalbedrag van € 101.451,-;

* [persoon 14], enig geldbedrag;

* [persoon 15], een totaalbedrag van € 101.500,-;

* [persoon 16], een totaalbedrag van € 101.500,-;

* [persoon 17], een totaalbedrag van € 51.500,-;

* [persoon 18], een totaalbedrag van € 51.500,-;

hierin bestaande dat [H&V] telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid heeft voorgewend dat:

* met de ingelegde gelden de financiering van de bouw van een vakantieresort met villa’s in Turkije zal geschieden en

* de belegger/inlegger een bedrag investeert dat jaarlijks gegarandeerd een rendement oplevert van 12,8% en

* het rendement maandelijks tot het einde van de overeenkomst wordt ontvangen en

* de inlegger na een looptijd van de obligatielening van 36 maanden gegarandeerd de inleg retour ontvangt en

* er voldoende zekerheden zijn omtrent de waarde van de projecten waarin geïnvesteerd wordt en

* er waarborgen zijn omtrent de waarde van de investering, onder meer op grond van een financiële prognose, en

* een accountantsverklaring is verkregen dan wel zal worden verkregen en

* samengewerkt wordt met [M] Limited Sti, welke onderneming eigenaar zou zijn van bouwgronden waarop het resort gebouwd zal gaan worden

waardoor deze beleggers telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

Feit 2:

[H&V] in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 oktober 2006 te Amsterdam en [vestigingsplaats] een Turkse eigendomsakte (Tapu) (D/138), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte in strijd met de waarheid op deze Turkse eigendomsakte (Tapu) vermeld dat de (bouw)grond van perceel nummer [nr]/2, oppervlakte 10.879,833 m2, op naam staat van [M] Limited Sti, terwijl in werkelijkheid [M] Limited Sti middellijk noch onmiddellijk de eigenaar was van de grond, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging;

Feit 3:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 augustus 2007 te Amsterdam en [vestigingsplaats] en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft opgericht en in stand heeft gehouden en heeft leidinggegeven en heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit verdachte, [persoon 34] en [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 20], en bedrijven, te weten [H&V] en [M] Limited Sti, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten oplichting en valsheid in geschrifte en gewoontewitwassen.

7. Motivering van de straf en maatregel

7.1. Vordering van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Daarnaast heeft het openbaar ministerie tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen in de zaak Golden Sun geconcludeerd. Die vorderingen kunnen worden toegewezen voor wat betreft het bedrag van de netto-inleg (inleg minus ontvangen rente-uitkeringen).

Verdachte en zijn mededaders [persoon 34], [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 20] dienen hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor de betaling van die schade. Daarbij moet tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36e Sr worden opgelegd.

Ten slotte heeft het openbaar ministerie ter zitting aangekondigd een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in gang te zullen zetten.

7.2. Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Bij het bepalen van de op te leggen straf, in het bijzonder de keuze voor een vrijheidsbenemende straf en de duur daarvan, heeft de rechtbank het volgende overwogen.

In de zaak Golden Sun zijn ongeveer 230 mensen opgelicht voor een bedrag van in totaal ruim 19,5 miljoen euro. [persoon 34], verdachte,[persoon 2] en [persoon 1] hebben in nauwe samenwerking met elkaar de beleggingsfraude voorbereid en uitgevoerd. Later heeft [persoon 20] zich bij hen gevoegd. Het was een gewiekste, weldoordachte en tot in detail voorbereide fraude, zo opgezet dat het beeld van een solide beleggingsinstelling werd voorgetoverd.

Om de opsporing te bemoeilijken werd tussen verdachten en betrokken bedrijven per e-mail op schijnbaar zakelijke wijze gecommuniceerd. [persoon 34] heeft daarbij gebruik gemaakt van een alias. Ook werden contracten (bijvoorbeeld tussen [H&V] en Websoft) gemaakt en salarissen betaald aan het personeel van het oplichtingsvehikel [H&V].

Vanuit een fraai ogend kantoorpand in Amsterdam en een backoffice in I[woonplaats] werden beleggers door middel van advertenties in tijdschriften, een banner op de website van [T] en een veel bekeken RTL- Z programma verlokt in te gaan op beleggingen in volkomen virtuele investeringen in fraai ogende “resorts” aan de Turkse kust van de middellandse zee. Deze kostbare campagne werd bovendien ondersteund door gelikt folder materiaal en prospectussen waarvan de inhoud was gestolen van andere, min of meer overeenkomstige, maar wel serieuze beleggingsinstellingen. De inhoud van deze prospectussen was zodanig dat een toentertijd stevig, maar niet ongeloofwaardig rendement in het vooruitzicht werd gesteld en op het oog vertrouwenwekkende, maar in werkelijkheid niet bestaande zekerheden werden beloofd. Het verbaast dan ook niet dat zoveel beleggers -in een tijd waarin het zoeken naar hoog rendement en het vertrouwen in de haalbaarheid daarvan nog aanzienlijk was - hun (spaar)geld hebben toevertrouwd aan [H&V].

Verdachten hebben de controle van de AFM ontweken door deelname te minimaliseren tot een niveau van € 50.000,= en, in het begin, de beloofde rendementen uit te betalen .Deze betalingen werden niet gedaan uit behaald rendement (dat was er immers niet), maar uit de inleg van de beleggers.

Het geld van de beleggers is na aftrek van de gemaakte kosten via bankrekeningen in Turkije en Nederlandse rechtspersonen contant gemaakt en verdwenen. In Nederland waren daarbij [persoon 45] en [persoon 46] betrokken. Het is niet te verwachten dat [persoon 34] en/of verdachte en/of [persoon 2] en/of [persoon 1], die blijkens eerder genoemde verdeelsleutel een gelijk aandeel in de fraude lijken te hebben gehad, dan wel [persoon 20] de slachtoffers ooit (volledige) compensatie zullen bieden voor het geleden nadeel.

Dit soort beleggingsfraude schaadt het vertrouwen van het publiek in met name vastgoedbeleggingen, schaadt daarmee de belangen van de integere beleggingsfondsen en schaadt het functioneren van de financiële markt.

Verdachte heeft samen met [persoon 34], [persoon 2] en [persoon 1] intensief samengewerkt. Als directeur en grootaandeelhouder van de voor de oplichting aangekochte vennootschap en als pashouder met betrekking tot de bankrekening heeft hij daarin een belangrijke rol vervuld. Hij heeft, toen het aantal deelnemende beleggers op een hoog niveau was gekomen en er niet veel meer nieuwe beleggers meer waren te verwachten, een ander naar voren geschoven om de lopende zaken af te wikkelen. Rondom of in de periode dat de ingelegde gelden werden weggesluisd heeft verdachte de wijk genomen naar Thailand, waar hij eerder is geweest en waar hij een huis tot zijn beschikking heeft. Sedert eind augustus 2008 is hij voortvluchtig.

Verdachte heeft, tegen beter weten in, in dit strafproces zijn advocaat laten volhouden dat hij volkomen te goeder trouw voor [H&V] werkzaam is geweest. Uit deze procesopstelling blijkt dat verdachte geen enkele spijt heeft van zijn handelwijze en dat hij zich niet bekommert over het financieel nadeel dat hij de beleggers heeft berokkend.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte eerder werd veroordeeld ter zake van overtreding van de opiumwet en een geweldsdelict.

Alles overziende acht de rechtbank de navolgende straf passend en geboden.

7.3. De vorderingen van de benadeelde partijen

In totaal hebben 197 beleggers zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij hebben door middel van het daartoe bestemde voegingsformulier vergoeding van de door hen geleden schade gevorderd. De totale som daarvan bedraagt € 18.475.739,31,=. Daarnaast heeft de curator van H&V zich als benadeelde partij gesteld.

Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan toekomen aan de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen. Weliswaar is het aantal vordering groot, maar deze zijn – op aanraden van de officier van justitie – zo eenvoudig mogelijk gehouden. Vrijwel alle beleggers hebben alleen de vergoeding van de netto schade (inleg minus ontvangen rentebetalingen) gevorderd. In een door de FIOD opgemaakt excel-bestand (AH/319A) is aan de hand van het dossier die nettoschade berekend. Eventuele afwijkingen tussen die berekening en de ingediende vorderingen zijn nog nader onderzocht door de FIOD. Het is op grond van het dossier volstrekt duidelijk dat de vorderingen geheel of gedeeltelijk kunnen worden toegewezen. Dat geldt ook voor de vorderingen van beleggers die niet in de tenlastelegging zijn genoemd, zo blijkt uit het arrest HR 9 december 2008, LJN: BF5074.

Alle vorderingen van de beleggers kunnen dan ook worden toegewezen voor wat betreft de netto-inleg. Verdachten kunnen daarvoor hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. De curator moet niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Aldus de officier van justitie.

Standpunt verdediging

De raadslieden hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, zelfs ingeval de rechtbank niet tot een vrijspraak mocht komen, de benadeelden partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat deze niet van eenvoudige aard zijn en zich niet lenen voor behandeling in het strafgeding. Samengevat zijn daartoe de volgende standpunten aangevoerd:

(1) de (getalsmatige) omvang aan vorderingen maakt dat deze niet eenvoudig van aard zijn;

(2) een groot aantal formulieren is ingediend met een hele beperkte toelichting en zonder enige bijlage. Bij vrijwel geen enkel voegingsformulier is een aangifte gevoegd. Er is dan ook niet alleen te weinig informatie over wie, wanneer, waarmee bezig was bij H&V, maar ook over de aangevers zelf;

(3) mogelijk is sprake van eigen schuld bij de beleggers, met als gevolg dat de schade op grond van artikel 6:101 BW moet worden verdeeld volgens de in dat artikel neergelegde maatstaf. De rente was immers zó riant en uitzonderlijk, dat extra voorzichtigheid geboden was. Van geen enkele benadeelde partij staat vast of is aannemelijk geworden dat die onder de gegeven omstandigheden voldoende voorzichtig is geweest. Om dat vast te kunnen stellen is meer informatie nodig;

(4) in elk geval zijn de benadeelde partijen die niet in de tenlastelegging worden genoemd niet-ontvankelijk in hun vordering.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Op grond van artikel 51a lid 1 Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich in het strafproces voegen als benadeelde partij. Artikel 361 lid 2 sub a Sv bepaalt dat die vordering slechts voor toewijzing door de rechtbank vatbaar is, indien (a) aan verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, (b) aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde en (c) de vordering van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De raadslieden hebben bestreden dat in dit geval sprake is van vorderingen van eenvoudige aard. De rechtbank volgt hen niet in dit standpunt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een vordering eenvoudig is, indien daarover volstrekte duidelijkheid bestaat, zowel wat betreft de grondslag als de hoogte ervan, of waarover de gewenste duidelijkheid op eenvoudige wijze kan worden verkregen. Dat is hier het geval. Enkele uitzonderingen daargelaten omvat de door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoeding niets meer dan het door hen bij H&V netto ingelegde geldbedrag, verminderd met de ontvangen rentebetalingen. De vorderingen zijn op zichzelf dan ook niet ingewikkeld, aangezien uit de bankafschriften van H&V (die als processtuk D/059 in het procesdossier zijn gevoegd) op eenvoudige wijze valt vast te stellen of - en zo ja voor welk bedrag - door de betreffende benadeelde partij geld is ingelegd in H&V. Daarbij mag worden aangenomen dat die gelden, voor zover ingelegd, telkens zien op beleggingen in Golden Sun (Golf) Resorts. Immers, niet is gebleken (en evenmin door verdachten of de raadslieden gesteld) dat er ook voor andere doeleinden geld op die rekening is gestort. Dat bij sommige vorderingen geen nadere bewijsstukken (afschriften van de obligatieovereenkomst, bankafschriften etc.) zijn gevoegd staat er dan ook niet aan in de weg dat ook die vorderingen in beginsel kunnen worden behandeld. Het is immers duidelijk waar die vorderingen op zien.

Dat het in dit geval om een groot aantal vorderingen gaat (circa 200) maakt dit niet anders. De enkele getalsmatige omvang van vorderingen vormt op zichzelf geen beletsel om die vorderingen in het strafproces te kunnen behandelen. Dit is slechts anders als die behandeling ten koste zou gaan van een zorgvuldige behandeling van de strafzaak. Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, nu ter zitting voldoende tijd is ingepland voor de behandeling van die vorderingen en de verdediging ook afdoende tijd is gegeven om hiertegen verweer te kunnen voeren.

De benadeelde partijen zijn dan ook in beginsel ontvankelijk in hun vordering, ook die partijen die niet met naam in de bewezenverklaring zijn genoemd. Daarbij is dan wel vereist dat ten aanzien van elk van die benadeelde partijen afzonderlijk kan worden vastgesteld dat de door hen gevorderde schade in rechtstreeks en nauw verband staat met de bewezenverklaarde oplichting (zie ook: HR 9 december 2008, LJN: BF5074).

Dat, zoals wordt gesteld, ten aanzien van elk van de betrokken verdachten afzonderlijk moet worden vastgesteld wie in welke periode binnen H&V welke handelingen heeft verricht, vormt evenmin een grond om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Duidelijk is dat de vorderingen verband houden met de door H&V gepleegde oplichting, zoals onder 1 bewezen is verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verdachte, [persoon 1], [persoon 34], [persoon 2] en later ook [persoon 20] feitelijk leiding hebben gegeven aan die oplichting. Dit brengt met zich dat die verdachten ieder afzonderlijk - maar ook hoofdelijk - aansprakelijk zijn voor de schade die beleggers als gevolg van dat feit hebben geleden, met dien verstande dat voor [persoon 2] en [persoon 20] geldt dat zij slechts aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van gelden die zijn ingelegd gedurende de bij hun bewezen verklaarde periode.

Voorts is door de verdediging nog aangevoerd dat sprake zou zijn van eigen schuld van de beleggers. Dit standpunt wijst de rechtbank van de hand. Vast staat immers dat verdachte en zijn mededaders met behulp van het oplichtingsvehikel H&V beleggers doelbewust hebben misleid. Zelfs indien de beleggers zou kunnen worden verweten dat zij onder de gegeven omstandigheden voorzichtiger hadden kunnen zijn, dan nog heeft te gelden dat de mate waarin een eventueel gebrek aan zorg door de benadeelden aan de schade heeft bijgedragen in het niet valt tegenover de mate waarin het gedrag van verdachte aan de schade heeft bijgedragen. Daarnaast verzet ook de billijkheid zich er tegen dat verdachte een deel van de door oplichting verkregen baten op die grond zou kunnen behouden. Een beroep op artikel 6:101 BW zal verdachte dan ook niet kunnen baten (zie ook: Rb. Amsterdam 24 juni 2009, LJN: BJ5134).

De rechtbank verklaart de benadeelden partijen dan ook ontvankelijk in hun vordering. Dit ligt slechts anders voor de volgende partijen.

(1) De curator

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de curator niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

(2) [persoon 51] (nr. 54)cxxviii.

Deze benadeelde partij stelt in zijn vordering dat hij op 5 maart 2007 een bedrag van € 51.500,= aan inleg en emissiekosten heeft betaald. Dit blijkt echter niet uit de bankrekening van H&V. Uit die bankrekening komt slechts naar voren dat een zekere [persoon 49] op 2 april 2007 een bedrag van € 101.000,= euro heeft overgemaakt. Bij de omschrijving van die transactie worden echter de namen [voornaam 4] en [persoon 50] genoemd. Aan die personen blijken ook rentebetalingen te zijn verricht. Uit die rekening blijkt ook dat op een gegeven moment eveneens betalingen zijn verricht aan een persoon genaamd [persoon 51]. Mogelijk zien die betalingen op uitgekeerde rente, maar op basis daarvan valt met onvoldoende zekerheid vast te stellen dat deze [persoon 51] ook heeft belegd bij H&V. Daartoe moeten nadere bewijsstukken worden overlegd. Bij gebreke van zodanige stukken valt niet eenvoudig vast te stellen of de gestelde schade verband houdt met het bewezenverklaarde.

(3) [persoon 52] (nr.73)

Uit het voegingsformulier en de daarbij gevoegde bewijsstukken blijkt dat deze benadeelde partij vergoeding vordert van een belegging in TRE Investments II BV. Die schade staat niet in rechtstreeks verband met enig bewezen verklaard feit.

(4) [persoon 53] (nr. 232)

Uit de bankrekening blijkt dat op 27 februari 2007 een bedrag van € 82.400,= euro is overgemaakt door [persoon 54]. In de daarop volgende periode zijn rentebetalingen gedaan aan [persoon 53]. Zowel [persoon 54] als [persoon 53] hebben zich als benadeelde partij gesteld. Zij wonen blijkens hun voegingsformulieren op hetzelfde adres en geven exact dezelfde onderbouwing bij hun vordering (belegging van een ontvangen erfenis van € 80.000,=). Het moet er dan ook voor worden gehouden dat bovenstaande inleg en rentebetalingen zien op een en dezelfde belegging. De rechtbank zal de vordering van [persoon 54] – die blijkens de stukken de inleg heeft gedaan - toewijzen met toepassing van de hierna te vermelden maatstaf. De vordering van [persoon 53] wordt niet-ontvankelijk verklaard.

(5) De benadeelde partijen die na 1 augustus 2007 hebben ingelegd bij H&V

Ten laste gelegd – en bewezenverklaard - is dat H&V beleggers heeft opgelicht in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 augustus 2007. Daaronder kunnen geen beleggers worden geschaard die na 1 augustus 2007 hebben ingelegd. Dat betekent dat alle benadeelde partijen, waarvan is gebleken dat hun inleg van na die datum dateert, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering, nu een rechtstreeks verband (in strafrechtelijke zin) tussen de bewezen verklaarde feiten en de gevorderde schade ontbreekt. Dit geldt voor de vorderingen van [nr 10] (nr. 10), [nr 18] (nr. 18), [30] (nr. 30), [61] (nr. 61), [93] (nr. 93), [94] (nr. 94), [105] (nr. 105), [110] (nr. 110), [135] (nr. 135), [140] (nr. 140), [161] (nr. 161), [175] (nr. 175), [185] (nr. 185), [190] (nr. 190), [198] (nr. 198), [199] (nr. 199) en [228] (nr. 228).

Voor de benadeelde partijen [9] (nr. 9), [13] (nr. 13), [42] (nr. 42), [109] (nr. 109), [206] (nr. 206) en [208] (nr. 208) geldt dat hun vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard voor wat de terugvordering van hun inleg na 1 augustus 2007 betreft.

Voor al deze benadeelde partijen geldt dat zij hun vordering (voor dat deel) wel kunnen aanbrengen bij de civiele rechter.

Beslissing over de vorderingen van de benadeelde partijen

De rechtbank komt thans toe aan de beoordeling van de vraag welk bedrag iedere benadeelde in het kader van de strafprocedure toegewezen kan krijgen.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat aan de benadeelden in ieder geval toekomt vergoeding van het bedrag van de netto inleg, waaronder wordt verstaan het bedrag van de investering, verminderd met de ontvangen rente-uitkeringen. Vastgesteld kan worden dat die schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde oplichting, waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank zal derhalve telkens aan de benadeelde partij toekennen het bedrag van zijn inleg in de verschillende Golden Sun (Golf) Resorts beleggingen, verminderd met het bedrag aan daaruit ontvangen rente-uitkering, behoudens voor zover minder is gevorderd – nu het de rechtbank niet vrijstaat meer toe te wijzen dan gevorderd.

Voor zover de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding hoger uitvalt dan het uit de bankrekening van H&V (D/059) naar voren komende totale benadelingsbedrag (inleg minus rentebetalingen), zal de rechtbank die vordering toewijzen overeenkomstig de uit die rekening blijkende gegevens.

Voor het overige zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering, nu niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen of die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Dat geldt ook voor de vergoeding van gederfde rente die door benadeelde partijen [27] (nr. 27) en [208] (nr. 208) wordt gevorderd.

Tevens zullen omwille van de eenvoud de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van gevorderde vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en andere proceskosten.cxxix

De rechtbank wijst de vorderingen van de benadeelde partijen toe overeenkomstig het aan dit vonnis gehechte overzicht. Dit komt ten aanzien van verdachte neer op een totaalbedrag van € 13.849.942,06.

Verdachte en zijn mededaders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van dit gehele bedrag, met dien verstande dat

- [persoon 2] slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor beleggingen gedaan in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 mei 2007 (€ 7.584.620,22);

- [persoon 20] slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor beleggingen gedaan in de periode van 22 mei 2007 tot en met 1 augustus 2007 (€ 6.070.727,51).

Als extra waarborg zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen ten behoeve van de benadeelde partijen de hiervoor genoemde som aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal zal deze worden vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen. Toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 51, 57, 140, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van feitelijk leidinggeven aan oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon;

ten aanzien van feit 3:

het oprichten, leiding geven en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Benadeelde partijen

Vorderingen benadeelde partij

Wijst de vorderingen van de benadeelde partijen toe overeenkomstig het overzicht dat als bijlage 2 aan dit vonnis in gehecht. In dat overzicht staan de benadeelde partijen van wie de vordering wordt toegewezen met naam en woonplaats/domicilie vermeld. Ook staat in dat overzicht vermeld voor welk bedrag hun vorderingen worden toegewezen. Dit komt in de zaak van verdachte neer op een totaalbedrag van € 13.849.942,06. Voor al het overige worden die benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

Veroordeelt verdachte aan die benadeelde partijen het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen (te weten: vorengenoemde mededaders [persoon 34], [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 20]) is betaald.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van die slachtoffers te betalen de hiervoor genoemde sommen van € 13.849.942,06 (dertien-miljoen, achthonderd-en-negenenveertig-duizend, negenhonderd-en-tweeënveertig euro en zes eurocent), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens vorengenoemde anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 (driehondervijfenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

De volgende benadeelde partijen (in de zaak Golden Sun) worden om de hiervoor onder 7.3. genoemde redenen niet-ontvankelijk in hun vordering verklaard:

* De curator van [H&V];

* [persoon 51] (nr. 54)

* [persoon 52] (nr. 73)

* [persoon 53] (nr. 232)

* [nr 10] (nr. 10);

* [nr18] (nr. 18);

* [nr 30] (nr. 30);

* [nr 61] (nr. 61);

* [nr 93] (nr. 93);

* [nr 94] (nr. 94);

* [nr 105] (nr. 105);

* [nr 110] (nr. 110);

* [nr 135] (nr. 135);

* [nr 140] (nr. 140);

* [nr 161] (nr. 161);

* [nr 175] (nr. 175);

* [nr 185] (nr. 185);

* [nr 190] (nr. 190);

* [nr 198]. (nr. 198);

* [nr 199] (nr. 199);

* [nr 228] (nr. 228).

Zij kunnen die vordering nog wel aanbrengen bij de civiele rechter.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A.M. van Oosten, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Vogelaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 januari 2010.

Mr. de Vries is buiten staat dit vonnis te ondertekenen

i Waar hierna wordt verwezen naar bewijsmiddelen betreft dit telkens processtukken, behorende bij het dossier Golden Sun.

Waar in de hierna volgende voetnoten wordt verwezen naar de processtukken

- ‘V’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 2 Sv;

- ‘G’ of ‘AG’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 2 Sv;

- ‘AH’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 2 Sv;

- ‘D’, betreft dit telkens een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 onder 5 Sv;

- ‘OPV’, betreft dit telkens een door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt overzichtsproces-verbaal, bevattende een overzicht van het hierna te noemen proces-verbaal van de FIOD-ECD.

Deze bewijsmiddelen ‘V’, ‘G’, ‘AG’, ‘AH’ en ‘D’ en ‘OPV’ zijn telkens opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van de FIOD-ECD met dossiernummer 41629 (Golden Sun).

Voor zover wordt verwezen naar verklaringen die zijn afgelegd bij de rechter-commissaris, wordt dit uitdrukkelijk vermeld.

ii D/115

iii D/182 pag. 1-5

iv G-14-01 pag. 2

v D/136 7/17

vi D/002

vii G/02-01 [persoon 7]

viii D/019

ix D/059 pag. 225

x D/292

xi D/059, pag. 225

xii D/130

xiii V08-01 pag. 2 ([persoon 1])

xiv D/223

xv D/09 pag. 222

xvi AG/01-001, AG/02-02, AG/03-02, AG/04-01, AG/05-01, AG/07-01, AG/08, AG/09, Ag/10-02 en AG/11-02

xvii D/063.

xviii AH/053 pag. 5

xix D/059 pag. 107

xx G32/01 ([persoon 41])

xxi D/024 en D/026

xxii D/141

xxiii D/142

xxiv D/015

xxv D/016

xxvi D/016 pag. 3

xxvii D/013

xxviii D/14

xxix D/018

xxx D/059 pags. 95, 70, 42 en 10

xxxi AH/053 pag. 8

xxxii D/374 pag. 15 en AH/053 pag. 9

xxxiii AH/054

xxxiv AH/053 pag. 9-10

xxxv AH/053 pag. 18

xxxvi D/059 pags. 15 en 16

xxxvii D/059 pags. 11-16

xxxviii AH/053 pag. 16

xxxix G50-01 ([persoon 48]) en V07-01 ([persoon 21])

xl D/333

xli D/059 pag. 1

xlii D/156 pag. 4 foto 22

xliii G/01-03

xliv D/001

xlv 0-OPV-1, p. 20.

xlvi AH/066, p. 3.

xlvii 0-OPV-1 pag. 20

xlviii D/175.

xlix D/156, p. 4, foto 22.

l D/172.

li AH/093, p. 13.

lii D/173

liii D/156, p. 5, foto 23A en 23B

liv AH/093, p. 23 en D/156, p. 11, foto 49

lv AH/093, p. 24 en D/156, p. 11, foto 50

lvi R01-007, p. 3

lvii D/499 E

lviii D/499 E1, p. 1

lix Verslag curator mr. A.J. Tekstra d.d. 26 oktober 2009 inzake het faillissement van [H&V]

lx V08-02, p. 5 en 6 ([persoon 1]).

lxi D/182

lxii AH/135

lxiii G/29

lxiv D/053

lxv D/04 en D/09

lxvi AH/135, p. 2 en 3

lxvii [AG03] AG03, [AG04] AG04, [AG05] AG05, [AG08] AG08, [G08] G08, [G11] G11, [G21] G21

lxviii A/H093, foto 53 en 62

lxix V/04

lxx G/01

lxxi V/08

lxxii G/18

lxxiii AH-238

lxxiv D/425 en D/426

lxxv AH/265

lxxvi G/02-04

lxxvii D/060

lxxviii D/061, D/063 en D/222

lxxix D/125 en D/221

lxxx D/102

lxxxi D/062 1 van 3

lxxxii G/02-03

lxxxiii G/02-001

lxxxiv D/423

lxxxv G/18.

lxxxvi G/30.

lxxxvii AH-226

lxxxviii G15

lxxxix AG09

xc bijvoorbeeld D/069, D/070, D/072, D/083

xci G/19

xcii AH/246

xciii D/381

xciv G/46

xcv VERD05-02A

xcvi AH/285

xcvii AH/306

xcviii AH/246

xcix V/08

c D/117

ci D/202, foto 71 op D/156.

cii D/136.

ciii D/156 pagina 1 tot en met 3

civ D/156 foto 22

cv D/201

cvi D/156 foto 70

cvii D/173

cviii D/174

cix In vonnis D/016

cx G/25

cxi G/24

cxii D/138

cxiii AH/066

cxiv V/07 (verklaring [persoon 21])

cxv V11-01, p. 3 en 4. ([persoon 45])

cxvi V10-01, p. 5 en 6 ([persoon 47])

cxvii V10-01, p. 7 ([persoon 47])

cxviii V11-01, p. 3 ([persoon 47]).

cxix V10-01, p. 6. ([persoon 45])

cxx Observatie D/110, p.3 en AH/203. p. 18

cxxi AH/054 en AH/075

cxxii AH/318A

cxxiii AH/318, p.3

cxxiv V11-01, p. 4 ([persoon 45])

cxxv D/110, p3

cxxvi V11-01, p. 3 ([persoon 45])

cxxvii D/110, p.3

cxxviii De genoemde nummers verwijzen naar het nummer waaronder de betreffende partij staat vermeld op lijst AH/319A.

cxxix De benadeelde partijen [benadeelde partijen] zullen ten aanzien van die post niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vonnis d.d. 11 januari 2010 inzake [verdachte]

Parketnummer: 13/845095-07 (Golden Sun)