Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL0516

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
AWB 08-2396 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vast staat dat eiser in zijn aanvraag om subsidieverlening geen post 'onvoorzien' of 'loonkostenstijging', bedoeld voor het bekostigen van uitgaven voor tussentijdse loon- en materiaalprijsstijgingen, heeft opgenomen. Gelet hierop heeft verweerder de subsidie terecht vastgesteld op het bedrag van de subsidieverlening. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de vaste gedragslijn volgde dat bij de vaststelling van de subsidie tevens rekening werd gehouden met extra opgekomen kosten als gevolg van loonkostenstijgingen, ook in de gevallen waarin bij de oorspronkelijke aanvraag om subsidieverlening geen post voor loonkostenstijging was opgenomen en waarin evenmin een nieuwe aanvraag om subsidieverlening voor loonkostenstijging was ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/2396 BELEI

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

R.K. Parochiebestuur St Urbanus,

te Amstelveen,

eiser,

gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2],

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

verweerder,

gemachtigde mr. E.R. de Lange.

Procesverloop

Op 3 augustus 2000 heeft eiser een aanvraag om subsidie voor de restauratie van het orgel van de R.K. St. Urbanuskerk te Amstelveen ingediend.

Bij schrijven van 20 november 2000 heeft verweerder de subsidiabele kosten vastgesteld op ƒ 305.990,- (€ 138.852,-).

Op 22 augustus 2002 heeft eiser een verzoek gedaan tot subsidieverlening.

Bij besluit van 17 december 2002 heeft verweerder subsidie verleend voor een bedrag van

€ 97.196,- (70% van € 138.852,-).

Op 3 mei 2007 heeft eiser een verzoek gedaan om aanvullende subsidie te verstrekken voor extra gemaakte kosten als gevolg van loonkostenstijging tot een bedrag van € 13.754,70.

Bij besluit van 10 september 2007 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 97.196,- en de gevraagde aanvullende subsidie geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser bewaar gemaakt.

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, het vooronderzoek heropend en partijen doorverwezen naar mediation.

Bij brief van 24 april 2009 heeft verweerder meegedeeld af te zien van mediation.

De rechtbank heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 23 september 2009. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend, teneinde eiser in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren ten aanzien van de door hem gestelde gedragslijn.

Op 28 oktober 2009 heeft eiser onder meer stukken met betrekking tot de restauratie van een orgel van een andere kerk overgelegd. Bij brief van 1 december 2009 heeft verweerder hierop gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Wettelijk kader

1.1. Ingevolge artikel 4:29 van de de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.

1.2. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

1.3. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, kan de minister subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten.

Ingevolge het derde lid van artikel 34 van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid.

1.4. Bij besluit van 27 maart 1997 (Stb. 1997, 145) is, gelet op onder meer artikel 34 van de Monumentenwet 1988, het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 (hierna: het Brrm 1997) vastgesteld.

1.5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Brrm 1997 dient de eigenaar drie maanden na afloop van de restauratie in tweevoud een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij het college van burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid van artikel 31 van het Brrm 1997 kan de aanvraag tot subsidievaststelling geen kosten bevatten die niet reeds bij de verlening als subsidiabele restauratiekosten zijn vastgesteld.

1.6. Ingevolge artikel 36 van het Brrm 1997 kan de minister artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

1.7. Bij besluit van 16 januari 2006 (Stb. 2006, 31) is het Brrm 1997 ingetrokken en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (hierna: het Brim) vastgesteld. Op 1 februari 2006 is het Brim in werking getreden.

1.8. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van het Brim wordt de subsidie, onverminderd artikel 4:35 van de Awb, in ieder geval niet verstrekt voorzover met de werkzaamheden is begonnen voordat Onze minister de subsidie heeft verleend.

1.9. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Brim wordt subsidie, verleend op grond van het Brrm 1997, afgehandeld overeenkomstig dat besluit.

1.10. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van het Brim kunnen ten laste van de budgetten die zijn vastgesteld op grond van het Besluit rijkssubsidiering restauratie monumenten 1997, tot 1 oktober 2006 aanvragen op grond van dat besluit worden ingediend.

Op grond van het vierde lid van artikel 42 wordn aanvragen als bedoeld in het eerste lid afgehandeld overeenkomstig het Besluit rijkssubsidiering restauratie monumenten 1997.

2. Standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag om aanvullende subsidie moet worden afgehandeld op grond van het Brrm 1997, nu de aanvraag voortvloeit uit de subsidie die is verleend op grond van het Brrm 1997. Eiser heeft een beroep gedaan op de vaste gedragslijn die verweerder volgens hem ten tijde van zijn subsidieaanvraag volgde. Volgens deze vaste gedragslijn werd bij de vaststelling van de subsidie tevens rekening gehouden met tijdens de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden extra opgekomen kosten als gevolg van loonkostenstijgingen, ook in de gevallen waarin bij de oorspronkelijke aanvraag om subsidieverlening geen post voor loonkostenstijging of een post ‘onvoorzien’ was opgenomen en waarin evenmin een nieuwe aanvraag om subsidieverlening voor loonkostenstijging was ingediend.

2.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het verzoek om aanvullende subsidie als een nieuwe aanvraag om subsidieverlening moet worden beschouwd en dat deze aanvraag te laat is ingediend om op grond van het Brrm 1997 te worden afgehandeld. Voorts heeft verweerder ontkend dat kosten verband houdende met loonkostenstijging op informele wijze konden worden meegenomen bij de subsidievaststelling, zonder dat daartoe een post was opgenomen in de oorspronkelijke aanvraag. Volgens verweerder kan voor kosten voor loonkostenstijging alleen subsidie worden verleend indien daarvoor een aparte post ‘onvoorzien’ is opgenomen in de oorspronkelijke aanvraag dan wel op grond van een nieuwe aanvraag. Eiser heeft nagelaten bij de oorspronkelijke aanvraag een post onvoorzien op te nemen.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. In geschil is de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd om bij de subsidievaststelling tevens rekening te houden met de extra gemaakte kosten als gevolg van loonkostenstijging tot een bedrag van € 13.754,70.

3.2. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en artikel 31, vierde lid, van het Brrm 1997 dient het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening vast te stellen en kan de aanvraag om subsidievaststelling geen kosten bevatten die niet reeds bij de subsidieverlening als subsidiabele kosten zijn vastgesteld.

3.3. Vast staat dat eiser in zijn aanvraag van 3 augustus 2000 tot vaststelling van de subsidiabele kosten en de aanvraag van 22 augustus 2002 om subsidieverlening geen post “onvoorzien” of “loonkostenstijging”, bedoeld voor het bekostigen van uitgaven voor tussentijdse loon- en materiaalprijsstijgingen, heeft opgenomen.

3.4. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de subsidie terecht heeft vastgesteld op het bedrag van de subsidieverlening. Extra opgekomen kosten als gevolg van loonkostenstijging kunnen niet worden meegenomen bij de vaststelling van de subsidie, indien die kosten, zoals in dit geval, niet zijn opgenomen in het bij de subsidieverlening vermelde bedrag. Van een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 36 van het Brrm 1997 is geen sprake.

3.5. Blijkens het verhandelde ter zitting was eiser ervan op de hoogte dat er een post ‘onvoorzien’ of ‘loonkostenstijging’ in de aanvraag kon worden opgenomen, maar heeft eiser er bewust voor gekozen om deze niet in de oorspronkelijke aanvraag op te nemen. De omstandigheid dat in het begrotingsformulier dat verweerder in 2002 voor subsidieaanvragen gebruikte geen post ‘onvoorzien’ of ‘ loonkostenstijging’ was opgenomen, leidt dan ook niet tot een ander oordeel, nog afgezien van het feit dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van dat begrotingsformulier. De omstandigheid dat eiser in zijn aanvraag van 3 augustus 2000 heeft aangegeven dat naar verwachting pas in 2006 met de restauratiewerkzaamheden kan worden begonnen en volgens eiser volstrekt logisch was dat de lonen in de tussenliggende jaren zouden stijgen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

3.6. In dit geval diende voor de kosten als gevolg van loonkostenstijging een nieuwe aanvraag om subsidieverlening te worden ingediend. Om onder het Brrm 1997 te kunnen worden beoordeeld, had deze nieuwe aanvraag voor 1 oktober 2006 moeten worden ingediend. Eisers aanvraag om subsidie voor loonkostenstijging dateert echter van 3 mei 2007, zodat die niet meer onder de reikwijdte van het Brrm 1997 valt. Voor deze kosten kan ook geen subsidie meer worden verleend op grond van het Brim gelet op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van het Brim, nu eiser al met de renovatiewerkzaamheden was begonnen voordat de subsidie voor loonkostenstijging was aangevraagd.

3.7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ondanks de wettelijke regelingen de vaste gedragslijn volgde zoals hiervoor onder 2.1 is weergegeven. Verweerder heeft dit gemotiveerd bestreden. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er ten tijde van de aanvraag in 2000 en 2002 aan de zijde van verweerder sprake is geweest van een vaste gedragslijn zoals door eiser gesteld. De door eiser overgelegde stukken betreffen onder meer een aanvraag om restauratiesubsidie voor het orgel van de Urbanuskerk te Ouderkerk aan de Amstel, in welke aanvraag, anders dan in het geval van eiser, juist wel een post ‘Onvoorzien 5% max. Orgelmakerskosten’ is opgenomen. Uit de overgelegde stukken blijkt op geen enkele wijze dat verweerder de door eiser gestelde gedragslijn volgde. De stukken hebben overigens ook geen betrekking op een subsidievaststelling, maar op een wijziging van de subsidiabele restauratiekosten en de subsidieverlening ten tijde van de restauratie en derhalve op de periode voorafgaand aan de subsidievaststelling.

3.8. Gelet op het voorgaande kunnen de beroepsgronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter,

in aanwezigheid van mr. P.E. Aarten, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2010.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll: TA

Doc: B