Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BK9802

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
448675 / KG ZA 10-109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vakbond Abvakabo heeft als protest tegen verhoging van de AOW-leeftijd een actie aangekondigd om gratis openbaar vervoer aan te bieden in Amsterdam en Utrecht. Deze actie is door kort gedingrechter van de rechtbank Amsterdam verboden. Geoordeeld is dat de actie (nog) niet valt onder het collectief actierecht zoals neergelegd in het Europees Sociaal Handvest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/65
JIN 2010/133
AR-Updates.nl 2010-0058
NJF 2010, 117
JAR 2010/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 448675 / KG ZA 10-109 SR/MV

Vonnis in kort geding van 19 januari 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GVB EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. S.K. Schreurs te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

GVU N.V.,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. R.A.A. Duk te Amsterdam,

eiseressen bij conceptdagvaarding van 18 januari 2010,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABVAKABO FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

advocaat mr. A. Simsek te Den Haag,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABGP DE ONAFHANKELIJKE VAKORGANISATIE,

gevestigd te Amsterdam,

verschenen bij haar bestuurder [bestuurder],

gedaagden, vrijwillig verschenen.

Partijen zullen hierna ook GVB, GVU, Abvakabo en ABGP worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Ter terechtzitting van 19 januari 2010 hebben GVB en GVU gesteld en gevorderd overeenkomstig de conceptdagvaarding van 18 januari 2010.

Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

GVB, GVU en Abvakabo hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 19 januari 2010 de beslissing in verkorte vorm gegeven en is ter zitting meegedeeld dat de uitwerking hiervan op 22 januari 2010 zal volgen. Het onderstaande vormt deze nadere uitwerking.

1.2. Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig:

namens GVB: [directeur middelen], directeur middelen, met mr. Schreurs;

namens GVU: [algemeen directeur], algemeen directeur, met mr. Duk;

namens Abvakabo: [actiejurist], actiejurist, [bestuurder 1], bestuurder, [kaderlid 1], kaderlid, [kaderlid 2], kaderlid, [persoon 1], die het “Witteveenkader” heeft toegelicht, met mr. Simsek;

namens ABGP: [voorzitter], voorzitter en [bestuurder 2], bestuurder.

2. De feiten

2.1. GVB is het vervoersbedrijf in Amsterdam. Voorheen was GVB een onderdeel van de gemeente Amsterdam; sinds 1 januari 2007 is GVB zelfstandig. GVU is het vervoersbedrijf in Utrecht. GVU behoort toe aan Connexxion Holding N.V., gevestigd te Utrecht.

2.2. Bij (nagenoeg) identieke brieven van 15 januari 2010 hebben Abvakabo en ABGP een actie gratis openbaar vervoer aangekondigd bij GVB en heeft Abvakabo een actie gratis openbaar vervoer aangekondigd bij GVU voor woensdag 20 januari 2010 vanaf 10.00 uur tot 15.30 uur. Doel van de aangekondigde actie is het protesteren tegen de kabinetsplannen de AOW-leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar, over welk onderwerp op die dag een hoorzitting in de Tweede Kamer plaatsvindt.

2.3. GVB en GVU hebben gedaagden bericht geen medewerking te verlenen aan de actie.

3. Het geschil

3.1. GVB en GVU vorderen – kort gezegd – Abvakabo en ABGP te bevelen binnen één uur na betekening van dit vonnis hun bij GVB en GVU werkzame leden op te roepen de voor 20 januari 2010 aangekondigde actie geen doorgang te laten vinden, op straffe van dwangsommen. Daarnaast vorderen zij Abvakabo en ABGP te verbieden over te gaan tot het oproepen van collectieve acties tegen de kabinetsplannen inzake de verhoging van de AOW-leeftijd, die het door het GVB en GVU te verzorgen openbaar vervoer direct of indirect raken, eveneens op straffe van dwangsommen.

De vorderingen van GVU richten zich alleen tot Abvakabo, niet tot ABGP.

3.2. GVB en GVU stellen hiertoe – samengevat weergegeven – dat de aangekondigde actie niet het juiste middel is om te protesteren tegen de verhoging van de AOW-leeftijd. GVB en GVU kunnen hierop geen enkele invloed uitoefenen. De aangekondigde actie is een politieke actie en valt buiten de reikwijdte van artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). De verhoging van de AOW-leeftijd betreft immers een onderwerp dat zich bevindt buiten het onderhandelingsbereik van GVB, GVU en de vakbonden en dit onderwerp ligt thans volledig in handen van de politiek. Dit wordt bevestigd door een uitspraak van de voorzitter van FNV dat FNV zich neerlegt bij een verhoging van de AOW-leeftijd indien een meerderheid van het parlement hiervoor kiest.

GVB en GVU zullen als gevolg van de actie substantiële inkomensschade lijden. Alle kosten zullen immers doorlopen, terwijl hier geen inkomsten tegenover staan. GVB heeft haar schade op € 150.000,- begroot, GVU op € 20.000,-. Ook de sociale veiligheid zal gedurende de actie worden aangetast. Om deze redenen wordt volgens GVB en GVU niet voldaan aan de in het ESH opgenomen proportionaliteitseis.

In oktober 2009 is eerder een kort geding aanhangig geweest tussen (onder meer) GVB en gedaagden. De bonden hadden een werkonderbreking aangekondigd, eveneens als protest tegen verhoging van de AOW-leeftijd. De voorzieningenrechter heeft toen, bij vonnis van 6 oktober 2009, de vordering om de werkonderbreking te verbieden toegewezen. De bonden hebben toen kenbaar gemaakt dat vonnis te zullen naleven. Omdat de omstandigheden sindsdien niet (wezenlijk) zijn veranderd, betekent dit dat ook om die reden de aangekondigde actie onrechtmatig is.

3.3. Abvakabo en ABGP hebben – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar een ingrijpende wijziging teweeg brengt in de rechtspositie van werknemers. De aangekondigde actie valt binnen het kader van artikel 6 van het ESH. Het ESH erkent het collectief actierecht in alle gevallen waarin sprake is van een belangengeschil tussen werkgevers en werknemers dat zich leent voor een oplossing door collectieve onderhandelingen. De ingangsdatum van de AOW is direct of indirect van invloed op het inkomen van de werknemers en zal op veel vlakken directe gevolgen hebben voor de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen (bijvoorbeeld op het gebied van seniorendagen of doorbetaling van loon tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid). Bovendien zal als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd de Wet op de Loonbelasting eveneens worden gewijzigd en daarmee zal het zogenaamde “Witteveenkader” worden aangetast. Het Witteveenkader maakt het mogelijk dat een grote groep relatief jonge werknemers fiscale opbouwruimte krijgt om meer pensioen op te bouwen, zodat het ouderdomspensioen nog voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd kan ingaan. De voorgestelde wijziging in de Wet op de Loonbelasting leidt ertoe dat de fiscale ruimte om aanvullende pensioenen te sparen, wordt beperkt.

Ook de Hoge Raad heeft in het zogenaamde NS-arrest uitgemaakt dat collectieve acties met een politiek element nog vallen onder artikel 6 lid 4 ESH, indien zij zich richten tegen overheidsbeleid op het gebied van arbeidsvoorwaarden die het onderwerp plegen te zijn of behoren te zijn van collectief onderhandelen. De Hoge Raad kent dus een ruim bereik toe aan artikel 6 lid 4 ESH. Indien sprake is van een (voorgenomen) besluit van de overheid dat de onderhandelingsvrijheid aantast, in die zin dat de vakbonden de zojuist genoemde onderwerpen (opnieuw) moeten bevechten, zijn werknemers gerechtigd acties te voeren. Omdat zij op een achterstand in de onderhandelingen komen te staan, is er geen sprake meer van een onbelemmerde uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Verder zijn de bonden van mening dat de aangekondigde actie wél voldoet aan de proportionaliteitseis van artikel G ESH. Dat GVB en GVU schade lijden is inherent aan het voeren van acties. Die schade is in dit geval niet onevenredig groot. Volgens een berekening van Abvakabo zal de schade bij GVB ongeveer € 70.000,- bedragen. Tot slot voeren de bonden aan dat het petitum – met name het verbod voor de toekomst – te ruim is geformuleerd. Het opleggen van een dwangsom is niet nodig omdat de bonden zich aan een veroordelend vonnis zullen houden, zonder dat dit vonnis is betekend.

4. De beoordeling

4.1. Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het ESH. In artikel 6 lid 4 ESH wordt, teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH, dan brengt dat mee dat deze actie in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de werkgever tegen wie de actie zich richt.

4.2. De bonden hebben verklaard dat de actie zich richt tegen de verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar en de daarmee samenhangende maatregelen, waaronder een wijziging in de Wet op de Loonbelasting, welke wijziging het zogenaamde Witteveenkader aantast. De vraag die als eerste moet worden beantwoord is of de aangekondigde actie valt onder artikel 6 lid 4 ESH. Uitgangspunt hierbij is dat bij verhoging van de AOW-leeftijd geen sprake is van een aantasting van een bij cao overeengekomen bepaling. Er wordt geen bij cao verworven recht tenietgedaan, zodat daarover opnieuw zou moeten worden onderhandeld. De hoogte van de AOW-leeftijd is immers geen onderhandelbare arbeidsvoorwaarde, maar een vaststaand gegeven dat vertrekpunt kan zijn voor eisen of verlangens in arbeidsvoorwaardenonderhandelingen. Het staat de bonden vrij ernaar te streven in toekomstige onderhandelingen de voor werknemers nadelige gevolgen van verhoging van de AOW-leeftijd teniet te doen of op enigerlei wijze te compenseren. De vrijheid voor de bonden om deze onderhandelingen te voeren, wordt thans niet belemmerd. Op dit moment is niet gebleken dat de bonden in collectieve arbeidsvoorwaardenonderhandelingen dergelijke voorstellen hebben gedaan of dat werkgevers daarover niet willen onderhandelen of dat de overheid dergelijke afspraken tussen werkgevers en werknemers niet zal toestaan. Het kan zijn dat verhoging van de AOW-leeftijd voor werknemers materieel gezien nadelige effecten heeft, maar dit maakt niet dat hierdoor thans de onderhandelingsvrijheid van de vakbonden wordt beperkt.

4.3. Over het zogenaamde Witteveenkader, dat volgens de bonden zal worden aangetast, wordt overwogen dat niet aannemelijk is dat dit kader het resultaat is geweest van collectieve onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden tussen werkgevers en werknemers. Werkgevers en werknemers plegen niet collectief te onderhandelen over fiscale maatregelen. Wel plegen werkgevers en werknemers te onderhandelen over de mogelijkheden van compensatie van fiscale maatregelen, die werknemers treffen. Niet is komen vast te staan dat op dit moment (in lopende cao-onderhandelingen) onderhandeld wordt over compensatie van het inperken van het Witteveenkader of dat in dergelijke onderhandelingen een impasse is bereikt. Ook niet is komen vast te staan dat de overheid aan de onderhandelingen over een dergelijke compensatie een beperking heeft gesteld. Anders dan de bonden hebben aangevoerd maakt het feit dat de werknemers door de verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar en de daarmee samenhangende maatregelen financiële schade lijden, op achterstand komen, niet dat een tegen die achterstand gerichte actie onder artikel 6 lid 4 ESH valt. Pas wanneer vaststaat dat de mogelijkheid om over een compensatie van die achterstand te onderhandelen aan de werknemers wordt ontnomen, hetzij omdat de werkgevers die compensatie niet willen of omdat de overheid compensatie verbiedt, ontstaat een situatie dat een daartegen gerichte actie onder artikel 6 lid 4 ESH kan worden gebracht. Hetzelfde geldt voor andere maatregelen die samenhangen met een verhoging van de AOW-leeftijd.

4.4. De slotsom van het voorgaande is dat de door de bonden aangekondigde actie tegen verhoging van de AOW-leeftijd thans niet valt onder de reikwijdte van artikel 6 lid 4 ESH. Dit betekent dat de oproep van de bonden om op 20 januari 2010 tot actie over te gaan onrechtmatig is, tenzij er sprake is van feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat de leden van de vakbonden tot de actie overgaan. Van een dergelijke rechtvaardiging is thans geen sprake. De actie levert onmiskenbaar schade op voor GVB en GVU, terwijl de bonden andere mogelijkheden hebben hun ongenoegen over het verhogen van de AOW-leeftijd en de daarmee samenhangende maatregelen aan de overheid kenbaar te maken.

4.5. Voor wat betreft het gevraagde verbod voor de toekomst geldt dat de omstandigheden zich kunnen wijzigen en een dergelijk verbod tot executiegeschillen kan leiden, terwijl er vooralsnog vanuit kan worden gegaan dat de bonden bij gelijke omstandigheden zich aan dit vonnis zullen houden.

4.6. Er zal geen dwangsom aan de veroordeling worden verbonden omdat de bonden hebben toegezegd zich aan dit vonnis te zullen houden en er geen reden is om aan die toezegging te twijfelen. Om diezelfde reden wordt de eis van voorafgaande betekening niet aan het gebod gesteld.

4.7. Abvakabo en ABPG zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld die zijn gevallen aan de zijde van GVB en GVU.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt gedaagden om heden uiterlijk 15.30 uur hun bij GVB en GVU werkzame leden op de daartoe meest geëigende wijze op te roepen de voor woensdag 20 januari 2010 bij GVB en GVU aangekondigde actie Gratis Openbaar Vervoer geen doorgang te laten vinden en zich te onthouden van iedere oproep tot het vervoeren van passagiers zonder controle op het bezit van geldige vervoersbewijzen,

5.2. veroordeelt Abvakabo en ABGP hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van GVB tot op heden begroot op € 262,- aan vastrecht en op € 816,- aan salaris advocaat,

5.3. veroordeelt Abvakabo in de proceskosten, aan de zijde van GVU tot op heden begroot op € 262,- aan vastrecht en op € 816,- aan salaris advocaat,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2010.?

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 448675 / KG ZA 10-109 SR/MV

Vonnis in kort geding van 19 januari 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GVB EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. S.K. Schreurs te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

GVU N.V.,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. R.A.A. Duk,

eiseressen bij concept-dagvaarding van 18 januari 2010,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABVAKABO FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

advocaat mr. A. Simsek te Den Haag,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABGP DE ONAFHANKELIJKE VAKORGANISATIE,

gevestigd te Amsterdam,

verschenen bij haar bestuurder [bestuurder],

gedaagden, vrijwillig verschenen.

Partijen zullen hierna ook GVB, GVU, Abvakabo en ABGP worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 19 januari 2010 hebben GVB en GVU gesteld en gevorderd overeenkomstig de concept-dagvaarding van 18 januari 2010. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

GVB, GVU en Abvakabo hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 19 januari 2010 om 14.00 uur de beslissing in verkorte vorm gegeven en is ter zitting meegedeeld dat de uitwerking hiervan op 22 januari 2010 zal volgen.

2. De feiten

2.1. volgen bij de uitwerking

3. Het geschil

3.1. volgt bij de uitwerking

4. De beoordeling

4.1. volgt bij de uitwerking

4.2. Abvakabo en ABPG zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld die zijn gevallen aan de zijde van GVB en GVU.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt gedaagden om heden uiterlijk 15.30 uur hun bij GVB en GVU werkzame leden op de daartoe meest geëigende wijze op te roepen de voor woensdag 20 januari 2010 bij GVB en GVU aangekondigde actie Gratis Openbaaar Vervoer geen doorgang te laten vinden en zich te onthouden van iedere oproep tot het vervoeren van passagiers zonder controle op het bezit van geldige vervoersbewijzen,

5.2. veroordeelt Abvakabo en ABGP hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van GVB tot op heden begroot op € 262,- aan vastrecht en op € 816,- aan salaris advocaat,

5.3. veroordeelt Abvakabo in de proceskosten aan de zijde van GVU tot op heden begroot op € 262,- aan vastrecht en op € 816,- aan salaris advocaat,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2010.