Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BK9414

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
13-845851-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte telkens tezamen met een ander grote aantallen verzoeken tot voorlopige teruggaaf en aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen valselijk heeft opgemaakt door onder meer een hogere loonheffing te berekenen dan de bij de Belastingdienst geregistreerde loonheffing. Hoewel de rechtbank niet exact kan vaststellen om hoeveel verzoeken en aangiften het gaat, kan uit de bewijsmiddelen worden opgemaakt dat het om een veel groter aantal gaat dan die van de personen vermeld in de tenlastelegging. De rechtbank neemt daartoe onder meer de verklaring van verdachte in aanmerking.

Overwegingen met betrekking tot de strafmaat. De rechtbank overweegt onder meer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een omvangrijke financiële fraude, waarmee hij de Staat en daarmee tevens de samenleving als geheel een aanzienlijk financieel nadeel heeft toegebracht. Daarbij komt nog de zeer aanzienlijke rompslomp die aan de Belastingdienst is toegevallen. Verdachte heeft door zijn handelwijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van de Belastingdienst in de belastingplichtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/845851-09

Datum uitspraak: 14 januari 2010 (PROMIS)

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1954,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 december 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.W. Mol en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na de wijziging tenlastelegging ter terechtzitting van 18 november 2009 - tenlastegelegd dat

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 november 2008, te Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (in totaal) 276, althans 159, in elk geval één of meer, (zogenaamd(e)) (digita(a)l(e)) "Verzoek(en) Voorlopige Teruggaaf" over het jaar 2008 ten name van een groot aantal personen,

waaronder

- [persoon 1] (sofi-nr. [nr 1]) (D-07) en/of

- [persoon 2] (sofi-nr. [nr 2]) (D-27) en/of

- [persoon 3] (sofi-nr. [nr 3]) (D-15) en/of

- [persoon 4] (sofi-nr. [nr 4]) (D-05) en/of

- [persoon 5] (sofi-nr. [nr 5]) (D-17) en/of

- [persoon 6] (sofi-nr. [nr 6]) (D-11) en/of

- [persoon 7] (sofi-nr. [nr 7]) (D-37) en/of

- [persoon 8] (sofi-nr. [nr 8]) (D-150) en/of

- [persoon 9] (sofi-nr. [nr 9]) (D-143) en/of

- [persoon 10] (sofi-nr. [nr 10]) (D-141),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk - in strijd met de waarheid - op/in die/dat Verzoek(en) Voorlopige Teruggaaf (een) te ho(o)g(e) bedrag(en) aan aftrekposten (buitengewone lasten en/of

rentelasten en/of giften) en/of (een) te ho(o)g(e) bedrag(en) aan inkomsten en/of

(een) te ho(o)g(e) bedrag(en) van voorlopige teruggaaf opgegeven en/of vermeld en/of geschreven, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 25 augustus 2009, te Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (in totaal) 12.614, althans 1063, in elk geval één of meer, (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen over de/het aangiftetijdvak(ken) 2007 en/of 2008 ten name van een groot aantal personen, waaronder

- [persoon 11] (sofi-nr. [nr 11]) jaar 2007 (D-31) en/of

- [persoon 12] (sofi-nr. [nr 12]) jaar 2007 (D-65) en/of

- [persoon 13] (sofi-nr. [nr 13]) jaar 2007 (D-69) en/of

- [persoon 14] (sofi-nr. [nr 14]) jaar 2007 (D-51) en/of

- [persoon 15] (sofi-nr. [nr 15]) jaar 2008 (D-76) en/of

- [persoon 16] (sofi-nr. [nr 16]) jaar 2008 (D-130) en/of

- [persoon 8] (sofi-nr. [nr 8]) jaar 2007 (D-149) en/of

- [persoon 9] (sofi-nr. [nr 9]) jaar 2007 (D-142) en/of

- [persoon 10] (sofi-nr. [nr 10]) jaar 2007 (D-140) en/of

- [persoon 17] (sofi-nr. [nr 17]) jaar 2007 (D-146),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk - in strijd met de waarheid - op/in die/dat geschrift(en) (telkens) (een) te ho(o)g(e) en/of gefingeerd(e) bedrag(en) aan lo(o)n(en) en/of loonheffing(en) en/of te ho(o)g(e) en/of gefingeerde aftrekposten (buitengewone lasten en/of rentelasten en/of giften) en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan belastbaar inkomen opgegeven en/of vermeld en/of geschreven, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 25 augustus 2009, te Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(telkens) (in totaal) 12.614, althans 1063, in elk geval één of meer, (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen over de/het aangiftetijdvak(ken) 2007 en/of 2008 ten name van een groot aantal personen, waaronder

- [persoon 11] (sofi-nr. [nr 11]) jaar 2007 (D-31) en/of

- [persoon 12] (sofi-nr. [nr 12]) jaar 2007 (D-65) en/of

- [persoon 13] (sofi-nr. [nr 13]) jaar 2007 (D-69) en/of

- [persoon 14] (sofi-nr. [nr 14]) jaar 2007 (D-51) en/of

- [persoon 15] (sofi-nr. [nr 15]) jaar 2008 (D-76) en/of

- [persoon 16] (sofi-nr. [nr 16]) jaar 2008 (D-130) en/of

- [persoon 8] (sofi-nr. [nr 8]) jaar 2007 (D-149) en/of

- [persoon 9] (sofi-nr. [nr 9]) jaar 2007 (D-142) en/of

- [persoon 10] (sofi-nr. [nr 10]) jaar 2007 (D-140) en/of

- [persoon 17] (sofi-nr. [nr 17]) jaar 2007 (D-146),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) op/in het/de bij/naar (de) Inspecteur(s) der belastingen of de Belastingdienst

ingeleverde / gezonden aangifte(en) / aangiftebiljet(ten) Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen over genoemd(e) jaar/jaren (een) te ho(o)g(e) en/of gefingeerd(e) bedrag(en) aan lo(o)n(en) en/of te ho(o)g(e) en/of gefingeerde aftrekposten (buitengewone lasten en/of rentelasten en/of giften) en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan belastbaar inkomen

opgegeven en/of vermeld, terwijl dat/die feit(en) ertoe heeft/hebben gestrekt dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs en de redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij haar beslissing uit van de navolgende redengevende feiten en omstandigheden.

3.1. Aanleiding onderzoek

Naar aanleiding van fraudesignalen met betrekking tot een groep studenten die op ongeoorloofde wijze gebruik zouden maken van voorlopige teruggaven inkomstenbelasting (VT’s) en aangiften inkomstenbelasting (aangiften IB), heeft de Belastingdienst Haaglanden een zogenoemde query uitgevoerd op ingediende verzoeken VT’s van personen die onder de kantoren van de Belastingdienst Haaglanden vallen. Bij de uitvoering van de query werd geselecteerd op VT’s die op naam zijn gesteld van personen jonger dan 40 jaar en die in de maanden november en of december 2008 zijn ingediend, dan wel verstuurd. Voorts moesten deze leiden tot een belastingteruggaaf van tenminste € 6.000,-. Uiteindelijk zijn met behulp van de query 302 personen geselecteerd. Van deze 302 personen zijn vervolgens de VT- gegevens van de 22 jongste personen aan een nader onderzoek onderworpen, in die zin dat de door hen verstrekte gegevens werden vergeleken met de bij de Belastingdienst ter beschikking staande systemen, waaronder die van de Gemeentelijke Sociale Dienst, het UWV en het Kadaster. Uit deze vergelijking ontstond het vermoeden dat de VT gegevens van 19 personen onjuist waren. Hierop heeft de Belastingdienst deze personen schriftelijk verzocht de gegevens van de door hen ingediende VT’s toe te lichten. Slechts één persoon ([persoon 1]) heeft hier gehoor aan gegeven en uit de door hem verstrekte kopieën van bankafschriften, blijkt dat hij de woning aan zijn woonadres huurt , en dat hij salaris heeft ontvangen van de Stichting Werkbij. In zijn VT verzoek vermeldt hij echter aftrekbare hypotheekrente en ook de door (of namens) hem opgegeven werkgever blijkt niet overeen te komen met voornoemde Stichting Werkbij. Ten slotte blijkt het in de VT opgegeven bedrag aan loon niet overeen te komen met het bedrag dat naar voren komt uit gegevens van de Belastingdienst (afkomstig uit de databank Fibase). Vervolgens zijn de overige 18 personen - onder meer aan de hand van kadastrale en werkgevergegevens - door de Belastingdienst gecontroleerd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat opgegeven loon- en werkgevergegevens in de VT’s afwijken van diezelfde gegevens zoals die bij de Belastingdienst bekend zijn. Voorts komt naar voren dat opgegeven eigen woningen in de VT’s in werkelijkheid in eigendom zijn van derden, terwijl wel bedragen aan hypotheekrente voor de eigen woning in aftrek worden gebracht.

Naar aanleiding van voorgaande uitkomsten heeft de Belastingdienst de IP-adressen opgevraagd van de computers waarvan gebruik is gemaakt bij het indienen van de aangiften en verzoeken van deze 19 personen. Hieruit blijkt dat bij het indienen van aangiften IB 2007 en IB 2008 meerdere keren gebruik is gemaakt van de IP-adressen [ip-adres 1] en [ip-adres 2]. Van dit laatste IP-adres zijn de gebruikersgegevens onbekend gebleven. Voor het indienen van de VT 2008 van de hiervoor bedoelde 19 personen is gebleken dat ten aanzien van 8 van die personen gebruik is gemaakt van voornoemd IP-adres [ip-adres 1], welk adres in gebruikt is bij verdachte.

Medio mei 2009 blijkt dat in het eerste half jaar van 2009 een soortgelijke wijze van (vermoedelijk) frauduleus handelen met VT’s en aangiften IB kan worden vastgesteld. Daarbij is geconstateerd dat voor een aantal personen die middels het bovengenoemde IP-adres van verdachte in 2008 VT en/of aangiften IB hebben ingediend, in 2009 van het IP-adres [ip-adres 3] gebruik is gemaakt. Dat IP-adres wordt eveneens door verdachte gebruikt.

Verdachte is boekhouder van beroep en heeft een boekhoudkantoor genaamd Administratiekantoor [administratiekantoor] dat is gevestigd aan de [adres], tevens het woonadres van verdachte. De (boekhoud)werkzaamheden van verdachte bestaan er onder meer uit dat hij voor zijn cliënten verzoeken tot voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en aangiften inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen opstelt en vervolgens bij de Belastingdienst indient. Hij doet dit door middel van een computerprogramma van de Belastingdienst waarmee gegevens kunnen worden ingevoerd en berekend, welke gegevens door verdachte op zijn computer worden opgeslagen. Na invoering van de zogenoemde persoonlijke Digi-d code van de cliënt, verstuurt verdachte de ingevoerde gegevens per modem via het internet naar de Belastingdienst. Als op voornoemd adres van verdachte een doorzoeking plaatsvindt, wordt in zijn woning annex werkruimte een computer in beslaggenomen. Op de computer worden verschillende bestanden aangetroffen, waaronder een map ‘Voorlopige teruggaaf 2008’, een map ‘Inkomstenbelasting 2007’ en een map ‘Inkomstenbelasting 2008’. Voorts wordt op de computer de door de Belastingsdienst ontworpen aangifteprogrammatuur voor de hiervoor vermelde aangiften en verzoeken aangetroffen. Uit de map “Voorlopige teruggaaf 2008’ kunnen 276 verzoeken VT’s worden gedestilleerd. Voorts bevatten de mappen ‘Inkomstenbelasting 2007’ en Inkomstenbelasting 2008’ 6.413 respectievelijk 6.201 aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

3.2. Verzoeken tot voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

Door de FIOD/ECD is nader onderzoek gedaan naar de 276 verzoeken VT’s die op de computer van verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van deze verzoeken is door de FIOD/ECD een selectie gemaakt, in die zin dat onderzoek is gedaan naar de verzoeken over het jaar 2008 waarbij het terug te ontvangen bedrag hoger is dan € 7.000,-. Van 159 verzoeken is gebleken dat deze bij de Belastingdienst zijn ingediend en door haar zijn ontvangen, dat door het aangifteprogramma een hogere loonheffing is berekend dan de bij de Belastingsdienst geregistreerde loonheffing en de indieningsdatum overeenkomt met de indieningsdatum bekend bij de Belastingdienst.

De FIOD/ECD heeft een aantal van deze verzoeken nader onderzocht.

Zo bevindt zich op de computer van verdachte ten name van de eerder genoemde [persoon 1] (sofinummer [nr 1]) een verzoek VT 2008, welke op 25 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. Het verzoek vermeldt een loon van € 45.789,- dat bij werkgever Greencore B.V. is verdiend. Voorts wordt in het verzoek aangegeven dat sprake is van een eigen woning waarvan de hypotheekrentekosten € 15.425,- bedragen. Uit het zogenoemde Fibase-systeem van de Belastingdienst blijkt echter dat [persoon 1] over 2008 een bedrag van € 15.669,- aan brutoloon heeft genoten van de Stichting Werkbij. Uit één van de door [persoon 1] overgelegde bankafschriften blijkt bovendien dat er op 22 januari 2009 een bedrag van € 1.052,82 van de Stichting Werkbij op zijn rekening wordt bijgeschreven dat vermoedelijk het salaris over de maand januari 2009 betreft. [persoon 1] verklaart ook dat hij niet bij Greencore heeft gewerkt. Voorts blijkt dat het bij het verzoek VT opgegeven woonadres een huurwoning is waarvan de eigenaar woningbouwvereniging Staedion is.

Voorts bevindt zich op de computer van verdachte ten name van [persoon 2] (sofinummer [nr 2]) een verzoek VT 2008, welke op 18 september 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. In het verzoek wordt een loon van € 53.855,- vermeld dat bij werkgever[werkgever S]rkgever] is verdiend. Voorts wordt in het verzoek aangegeven dat sprake is van een eigen woning waarvan de hypotheekrentekosten € 27.792,- bedragen. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 2] echter een bedrag van € 5.919,- aan brutoloon genoten van werkgever [werkgever Y]. [persoon 2] verklaart dat hij misschien wel bij [werkgever S] heeft gewerkt, maar het opgegeven bedrag aan loon heeft hij niet verdiend. Verder blijkt dat [persoon 2] nooit een koopwoning heeft gehad. Ten name van [persoon 3] (sofinummer [nr 3]) is op de computer van verdachte een verzoek VT 2008 aangetroffen, dat op 27 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. Het verzoek vermeldt een loon van € 44.700,-, dat bij werkgever Greencore B.V. is verdiend. Daarnaast wordt in het verzoek aangegeven dat [persoon 3] een eigen woning heeft en de daarbij behorende hypotheekrentekosten bedragen € 12.394,-. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 3] over 2008 vermoedelijk een ziektewetuitkering ontvangen van € 15.377,- bruto. Dat [persoon 3] een ziektewetuitkering heeft, wordt door hem bevestigd. Het bij zijn verzoek VT opgegeven woonadres blijkt voorts een huurwoning te zijn dat in eigendom van Stichting Rijswijk Wonen is.

Voorts is ten name van [persoon 4] (sofinummer [nr 4]) op de computer van verdachte een verzoek VT 2008 aangetroffen, dat op 4 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. In het verzoek wordt vermeld dat een loon van € 45.780,- is verdiend. Voorst wordt in het verzoek aangegeven dat [persoon 4] een eigen woning heeft en dat de hypotheekrentekosten € 14.897,- bedragen. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 4] over 2008 echter een brutoloon van € 18.800,- gegenereerd. Verder blijkt dat het door [persoon 4] bij zijn verzoek VT opgegeven woonadres een huurwoning te zijn dat in eigendom van Woningstichting Haag Wonen is. [persoon 4] bevestigt dat de gegevens over zijn jaarloon en eigen woning op de VT niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn.

Ten name van [persoon 5] (sofinummer [nr 5]) is op de computer een verzoek VT 2008 aangetroffen, dat op 27 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. Het verzoek vermeldt een loon van € 44.500,- dat bij werkgever [C] is verdiend. Voorts vermeldt het verzoek dat [persoon 5] een eigen woning heeft en dat met de hypotheekrentekosten een bedrag van € 13.260,- is gemoeid. Verder zijn in het verzoek reiskosten ad. € 1.900,- opgevoerd. Uit het Fibase-systeem blijkt evenwel dat [persoon 5] over 2008 loon heeft genoten van werkgever Media markt, alsmede een vermoedelijke ziektewetuitkering: over 2008 heeft [persoon 5] totaal een bedrag van € 13.952,- brutoloon genoten. [persoon 5] verklaart dat hij in het verleden wel bij [C] heeft gewerkt, maar niet in 2008. Voorts dat hij in 2008 een aantal maanden een WW-uitkering heeft ontvangen en in het jaar 2008 altijd lopend naar zijn werk ging. Voorts blijkt dat het door [persoon 5] bij zijn verzoek VT opgegeven woonadres een huurwoning te zijn waarvan de eigenaar Stichting Vestia Groep is.

Voorts bevindt zich op de computer van verdachte ten name van [persoon 6] (sofinummer [nr 6]) een verzoek VT 2008, welke op 29 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. In het verzoek wordt een loon van € 44.360,- vermeldt dat bij werkgever Greencore Convenience B is verdiend. Voorts wordt in het verzoek aangegeven dat sprake is van een eigen woning waarvan de hypotheekrentekosten € 14.890,- bedragen. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 6] echter een uitkering van € 17.017,- bruto ontvangen. [persoon 6] verklaart dat de gegevens in het verzoek niet kloppen. Verder blijkt dat het bij zijn verzoek VT opgegeven woonadres een huurwoning is dat eigendom van de Stichting Wooninvest is. [persoon 6] bevestigt dat de gegevens zoals vermeld op de VT 2008 niet juist zijn.

Ten name van [persoon 7] (sofinummer [nr 7]) is op de computer een verzoek VT 2008 aangetroffen, dat op 4 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. Het verzoek vermeldt een loon van € 45.678,- dat bij werkgever M & D Detachering B.V. is verdiend. Voorts vermeldt het verzoek dat [persoon 7] een eigen woning heeft en dat met de hypotheekrentekosten een bedrag van € 14.986,- is gemoeid. Ook zijn er studiekosten ad. € 3.400,- en buitengewone uitgaven ad. € 3.981,- opgevoerd. Uit het Fibase-systeem blijkt evenwel dat [persoon 5] over 2008 loon heeft genoten van werkgever M & D Detachering B.V. en M & D Security B.V., alsmede een vermoedelijke ziektewetuitkering: over 2008 heeft [persoon 7] totaal een bedrag van € 22.082 brutoloon genoten. [persoon 7] verklaart dat hij het loon dat uit het ingediende verzoek blijkt, bij lange na niet heeft verdiend. Voorts blijkt dat het bij het verzoek VT opgegeven woonadres een huurwoning betreft dat eigendom is van Staedion. [persoon 7] bevestigt dat de gegevens op de VT over een eigen woning niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. Voorts dat de opgevoerde studiekosten en buitengewone uitgaven niet door hem zijn gemaakt.

Voorts bevindt zich op de computer van verdachte ten name van [persoon 8] (sofinummer [nr 8]) een verzoek VT 2008, welke op 14 september 2009 bij de Belastingdienst is ingediend. In het verzoek wordt een loon van € 48.851,- vermeld dat bij werkgever [werkgever U] is verdiend. Voorts wordt in het verzoek aangegeven dat sprake is van een eigen woning waarvan de hypotheekrentekosten € 17.800,- bedragen. Daarnaast wordt er een bedrag ad. € 5.650,- aan studiekosten en een bedrag van € 1.500,- aan giften opgevoerd. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 8] over het jaar 2008 bij diverse werkgevers en uitkerende instanties een inkomen genoten van € 12.253,-. [persoon 8] verklaart dat hij wel bij [werkgever U] heeft gewerkt, maar dat dit maar voor drie of vier dagen in 2007 was. Voorts dat de bedrag die aan loon, studiekosten en giften zijn opgevoerd, niet kloppen. Verder blijkt dat [persoon 8] over de periode 2005 tot en met 2009 geen onroerend goed in bezit had. [persoon 8] verklaart dat hij in 2008 geen kosten eigen woning heeft betaald.

Ten name van [persoon 9] (sofinummer [nr 9]) is voorts op de computer van verdachte een verzoek VT 2008 aangetroffen, dat op 2 augustus 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. Het verzoek vermeldt een loon van € 41.784,-. Voorts vermeldt het verzoek dat [persoon 9] een eigen woning heeft waarvan de hypotheekrentekosten € 14.752 bedragen. Daarnaast zijn er diverse aftrekposten opgevoerd, te weten uitgaven voor een extra gezinshulp, uitgaven ten behoeve van een medische behandeling, onderhoudsverplichtingen, studiekosten en kosten ten behoeve van giften. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 9] over 2008 een inkomen genoten van € 17.465,-. [persoon 9] verklaart dat het bedrag dat aan loon is opgegeven niet klopt en dat hij de opgevoerde aftrekposten nimmer als kosten heeft gemaakt. Voorts blijkt dat [persoon 9] over de periode 2005 tot en met 2009 geen onroerend goed in bezit had. [persoon 9] bevestigt dat hij in 2008 geen kosten eigen woning heeft betaald.

Voorts bevindt zich op de computer van verdachte ten name van [persoon 10] (sofinummer [nr 10]) een verzoek VT 2008, dat op 4 september 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. In het verzoek wordt een loon van € 38.540,- vermeld dat door de gemeente Tholen is uitbetaald. Voorts wordt in het verzoek aangegeven dat sprake is van een eigen woning waarvan de hypotheekrentekosten € 15.132,- bedragen. Daarnaast wordt er een bedrag ad. € 4.560,- aan studiekosten en een bedrag van € 777,- aan giften opgevoerd. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 10] over het jaar 2008 bij diverse werkgevers en uitkerende instanties een inkomen genoten van € 9.193,-. [persoon 10] verklaart dat het bedrag dat aan loon is opgegeven niet klopt en dat hij geen studiekosten heeft gemaakt, noch giften heeft gedaan. Verder blijkt dat [persoon 10] over de periode 2005 tot en met 2009 geen onroerend goed in bezit had. [persoon 10] verklaart dat de kosten eigen woning zoals die blijken uit de VT niet kloppen omdat hij geen eigen woning heeft.

Tot slot is op de computer van verdachte ten name van [persoon 12] een verzoek VT 2008 aangetroffen, dat op 7 oktober 2008 bij de Belastingdienst is ingediend. Het verzoek vermeldt een loon van € 55.780,- dat bij werkgever [werkgever Z] is verdiend. Voorts vermeldt het verzoek dat [persoon 12] een eigen woning heeft en dat met de hypotheekrentekosten een bedrag van € 17.400,- is gemoeid. Uit het Fibase-systeem blijkt evenwel dat [persoon 12] over 2008 loon heeft genoten van werkgever Aannemingsbedrijf Agra Groen B.V., alsmede een vermoedelijke ziektewetuitkering: over 2008 heeft [persoon 12] totaal een bedrag van € 3.928 brutoloon genoten. [persoon 12] verklaart dat hij in 2007 bij [werkgever Z] heeft gewerkt en voorts dat hij het loon dat uit het ingediende verzoek blijkt, niet heeft verdiend. Voorts blijkt dat het bij het verzoek VT opgegeven woonadres een huurwoning betreft dat eigendom is van de Stichting Rijswijk Wonen.

3.4. Aangiften Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

Door de FIOD/ECD is nader onderzoek gedaan naar de 6413 aangiften IB over 2007 en de 6201 aangiften IB over 2008 die op de computer van verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van deze aangiften is door de FIOD/ECD een selectie gemaakt, in die zin dat onderzoek is gedaan naar de aangiften waarbij het terug te ontvangen bedrag boven de € 7.000,- komt. Over het jaar 2007 zijn er 484 aangiften bij de Belastingdienst ingediend, waarvan is gebleken dat deze ook door haar zijn ontvangen, dat door het aangifteprogramma een hogere loonheffing is berekend dan de bij de Belastingdienst geregistreerde loonheffing en de indieningsdatum overeenkomt met de indieningsdatum bekend bij de Belastingdienst. Over het jaar 2008 zijn er voorts 581 aangiften bij de Belastingdienst ingediend, waarvan is gebleken dat deze ook door haar zijn ontvangen, dat door het aangifteprogramma een hogere loonheffing is berekend dan de bij de Belastingdienst geregistreerde loonheffing en de indieningsdatum overeenkomt met de indieningsdatum bekend bij de Belastingdienst. De FIOD/ECD heeft ten aanzien van deze aangiften eveneens vastgesteld dat daarin hogere loonheffingen zijn aangegeven dan de bij de Belastingdienst geregistreerde loonheffingen.

Vervolgens zijn door de FIOD/ECD een aantal van deze verzoeken nader onderzocht, in die zin dat de personen ten name van wie het verzoek is ingediend, zijn gehoord en zijn de aan de aangiften ten grondslag liggende gegevens onderzocht.

Zo is op de computer van verdachte ten name van [persoon 11] (sofinummer [nr 11]) een aangifte IB 2007 aangetroffen, welke op 21 augustus 2008 door de Belastingdienst is ontvangen. In de aangifte is een inkomen van € 20.740,- en loonheffing van € 9.999,- opgegeven. Uit het Fibase-systeem blijkt evenwel dat [persoon 11] over 2007 een inkomen van € 2.351,- heeft genoten waarop een loonheffing is ingehouden van € 44,-. Voorts verklaart [persoon 11] dat zij in 2007 geen € 20.740,- heeft verdiend.

Voorts bevindt zich op de computer van verdachte ten name van [persoon 12] (sofinummer [nr 12]) een aangifte IB 2007, dat op 17 maart 2008 door de Belastingdienst is ontvangen. De aangifte vermeldt een inkomen van € 29.567,- en een loonheffing van € 21.478,-. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 12] over 2007 echter een inkomen van € 18.176 genoten. Voorts blijkt dat de loonheffing € 3.508,- bedraagt. [persoon 12] bevestigt dat het bedrag aan loon en het bedrag aan loonheffing zoals aangegeven op de aangifte niet kloppen.

Ten name van [persoon 13] (sofinummer [nr 13]) is op de computer van verdachte een aangifte IB 2007 aangetroffen, welke op 23 september 2008 bij de Belastingdienst is binnengekomen. In de aangifte is een inkomen van € 16.780,- en een loonheffing van € 9.997,- is opgegeven. Uit het Fibase-systeem blijkt evenwel dat [persoon 13] in 2007 een inkomen van € 139,- heeft genoten waarop een loonheffing van € 22,- is ingehouden. [persoon 13] verklaart dat het loon en de loonheffing op de aangifte niet juist zijn.

Voorts is op 20 maart 2008 ten name van [persoon 13] een aangifte IB 2007 bij de Belastingdienst binnengekomen. De aangifte vermeldt een inkomen van € 16.524,- en een loonheffing van € 7.752,-. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 13] over 2007 echter een inkomen van € 9.976,- genoten waarop een loonheffing van € 1.334,- is ingehouden. [persoon 13] bevestigt dat het bedrag aan loon zoals aangegeven op de aangifte niet juist is.

Ten name van [persoon 15] (sofinummer [nr 15]) bevindt zich op de computer van verdachte een aangifte IB 2008, die op 8 april 2009 bij de Belastingdienst is binnengekomen. De aangifte vermeldt een inkomen van € 16.352,- en een loonheffing van € 11.452,-. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 15] over 2008 echter een inkomen van € 19.784,- genoten. Voorts blijkt dat de loonheffing € 3.314,- bedraagt. Verdachte verklaart dat hij de gegevens op de aangifte IB van [persoon 15] heeft aangepast, in die zin dat hij fictieve cijfers heeft ingevuld.

Voorts is op de computer van verdachte ten name van [persoon 16] (sofinummer [nr 16]) een aangifte IB 2008 aangetroffen, welke op 8 april 2009 door de Belastingdienst is ontvangen. Gebleken is dat in de aangifte een loon van € 22.724,- en een loonheffing van € 14.430,- is opgegeven. Uit het Fibase-systeem en de jaaropgave blijkt evenwel dat [persoon 16] over 2007 een inkomen van € 22.724,- heeft genoten en dat de daarbij behorende loonheffing € 4.530,- bedraagt. Voorts verklaart [persoon 16] dat het loon over 2008 klopt, maar de gegevens van de ingehouden loonbelasting niet.

Ten name van [persoon 8] (sofinummer [nr 8]) is op de computer van verdachte een aangifte IB 2007 aangetroffen, die op 17 maart 2008 bij de Belastingdienst is binnengekomen. Gebleken is dat in de aangifte een loon van € 20.144,- is opgegeven dat is verdiend bij werkgever [werkgever U]. Voorts is gebleken dat er een loonheffing van € 8.411,- is opgegeven. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 8] over 2007 bij diverse werkgevers/uitkerende instanties een inkomen van € 11.954,- genoten waarop een loonheffing is ingehouden van € 1.872,-.

Voorts bevindt zich ten name van [persoon 9] (sofinummer [nr 9]) een aangifte 2007, die op 24 februari 2008 door de Belastingdienst is ontvangen. Uit onderzoek blijkt dat in de aangifte een loon van € 20.250,- en een loonheffing van € 11.587,- is opgegeven. Uit het Fibase-systeem blijkt echter dat [persoon 9] over 2007 een inkomen van € 11.431,- heeft genoten waarop een loonheffing van € 2.003,- is ingehouden. [persoon 9] bevestigt dat het opgegeven loonbedrag en de loonheffing niet kloppen, gelet op de door hem bewaarde jaaropgaven.

Ten name van [persoon 10] (sofinummer [nr 10]) is op de computer van verdachte een aangifte IB 2007 aangetroffen, die op 4 april 2008 bij de Belastingdienst is binnengekomen. Gebleken is dat in de aangifte een loon van € 15.134 is vermeld en een loonheffing van € 9.896,-. Volgens het Fibase-systeem heeft [persoon 10] echter een inkomen van € 12.998,-. Voorts blijkt dat de loonheffing € 2.524,- bedraagt. Daarnaast is zijn de aangifte een bedrag van € 1.250,- voor een medische behandeling, een bedrag van € 1.150,- voor giften en een bedrag van € 3.362,- voor kosten voor een ziektekostenverzekering opgenomen. [persoon 10] verklaart dat hij deze kosten voor een medische behandeling en ziektekostenverzekering niet heeft betaald en nooit giften heeft gedaan.

Voorts is op de computer van verdachte ten name van [persoon 17] (sofinummer [nr 18]) een aangifte IB 2007 aangetroffen, welke op 31 maart 2009 door de Belastingdienst is ontvangen. Uit onderzoek blijkt dat in de aangifte een inkomen van € 16.423,- en een loonheffing van € 11.243,- is vermeld. Uit het Fibase-systeem blijkt echter dat [persoon 17] over 2007 een inkomen van € 16.361,- heeft genoten waarop een loonheffing van € 3.054,- is ingehouden.

Tot slot is middels het IP-adres [ip-adres 1] een aangifte IB 2007 ten name van [persoon 3] (sofinummer [nr 3]) verzonden, die op 14 augustus 2009 bij de Belastingdienst is ingediend. In de aangifte is een inkomen van € 17.640,- en loonheffing van € 9.996,- opgegeven. Uit het Fibase-systeem blijkt evenwel dat [persoon 3] over 2007 een inkomen van € 13.033,- heeft genoten waarop een loonheffing is ingehouden van € 1.633,-.

3.5. Conclusies ten aanzien van de verzoeken VT en aangiften IB

Uit de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden volgt dat de hiervoor besproken verzoeken VT en aangiften IB, welke middels het daartoe bestemde computerprogramma via internet bij de Belastingdienst zijn ingediend, telkens valselijk zijn opgemaakt. Immers is ten aanzien van onder meer de verzoeken VT van [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4], [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7], [persoon 8], [persoon 9], [persoon 10] en [persoon 12] gebleken dat telkens een te hoog inkomen en / of te hoge aftrekposten zijn ingevoerd. Voorts is ten aanzien van onder meer de aangiften IB van [persoon 11], [persoon 12], [persoon 13], [persoon 14], [persoon 15], [persoon 16], [persoon 8], [persoon 9], [persoon 10] en [persoon 3] gebleken dat telkens een te hoog inkomen en / of te hoge aftrekposten zijn ingevoerd. Daarmee is telkens gesuggereerd dat er een recht op een hoger bedrag aan teruggave inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen bestond dan bij invoering van de juiste gegevens.

3.6. Betrokkenheid verdachte

De hiervoor bespoken verzoeken VT en aangiften IB zijn op de computer van verdachte aangetroffen, dan wel middels zijn IP-adres bij de Belastingdienst ingediend. In meerdere verhoren bij de FIOD-ECD heeft verdachte verklaard dat de betreffende computer van hem is, dat hij daarmee de verzoeken en aangiften opstelt om deze vervolgens bij de Belastingdienst in te dienen. Daarnaast zijn alle voorlopige teruggaven en aangiften die op de computer van verdachte staan ook door hem ingevuld. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de enige is die van deze computer gebruik maakt, welke verklaring hij ter terechtzitting heeft herhaald.

Omtrent zijn werkwijze ten aanzien van het voor zijn cliënten valselijk opmaken van verzoeken VT en aangiften IB heeft verdachte onder meer verklaard:

“Kijk het zijn mijn klanten, zij vertelden dan dat zij meer geld wilden terugvragen dan waar zij recht op hadden. […]Ik vulde dan zodanige cijfers en gegevens in dat zij ongeveer dat bedrag terugkregen. […] Ik heb dus een aantal voorlopige teruggaven opgemaakt met gefingeerde cijfers. […]. Bij de aangiften inkomstenbelasting gebeurde hetzelfde. Ook bij deze aangiften had ik klanten die meer terug wilden vragen dan waar zij recht op hadden”

[…] Ik verhoogde het loon een beetje. […] Op dat moment wist ik hoeveel de klant aan geld wilde ontvangen van de Belastingdienst. Ik zei altijd nog tegen de klant dat hij niet meer dan

€ 10.000,00 kon terug vragen. Vervolgens vulde ik de gegevens in op deze voorlopige teruggave. […] Bij elk veld, dus bijvoorbeeld loongegevens, zei ik tegen de klant hier vul ik bijvoorbeeld € 44.000,00 in. En bij het volgende veld, Eigen woning, vulde ik dan een bedrag in en een bedrag betaalde hypotheekrente. En vervolgens werkte ik alle velden met aftrekposten op deze manier af. […] Ik vulde alles in met in mijn achterhoofd steeds het bedrag wat de klant uiteindelijk wilde ontvangen van de Belastingdienst. In mijn vorige verklaring heb ik reeds verklaard dat dit allemaal gefingeerde bedragen zijn die alleen tot doel hadden om tot het bedrag van de teruggaaf te komen die mijn klant graag wilde.”

“[…]dit is weer de snelle methode. Voor mij dan de makkelijke methode. Ik verhoog de ingehouden loonheffing met een veel hoger fictief bedrag. Ik weet gewoon dat de klant dan de fictief te veel betaalde loonheffing terugkrijgt. Op deze manier kun je dus een flink bedrag terugvragen zonder dat je veel aan het loon moet veranderen of allerlei aftrekposten meot verzinnen.”

“[…] Ik adviseerde hun dan ook altijd genoegen te nemen met een minder bedrag want dan is het risico op vragen van de Belastingdienst ook veel minder. Ik adviseerde dan zo tussen de

€ 5.000,- en € 6.000,- terug te vragen. Maar er waren klanten die dat te weinig vonden en dan vulde ik de aangifte zo in dat zij toch een veel hoger bedrag terug konden vragen.”

Als aan verdachte een afdruk van het op zijn computer aangetroffen verzoek voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 2008 ten name van [persoon 7] wordt getoond, verklaart hij:

“Ja, die heb ik gedaan en dat verzoek voorlopige teruggaaf is onjuist. Om de teruggaaf te creëren heb ik de aftrekpost hypotheekrente eigen woning opgevoerd. Dit leidt dan tot een teruggaaf.[…]

Ik heb het loon zo hoog opgevoerd om een hoge teruggaaf te creëren. Een methode om een teruggaaf te creëren is om een hoog loon op de voorlopige teruggaaf te vermelden en dat samen met verzonnen aftrekposten zoals hypotheekrente. Het komt ook voor dat ik het loon hetzelfde laat zeg maar overeenkomstig het loon van het jaar daarvoor. Maar met een hoog loon kom je in een hoger belastingtarief en levert een aftrekpost meer op. Ook de aftrekpost ziektekosten heb ik wel gefingeerd om de teruggaaf te verhogen. En premies lijfrenten en kosten openbaar vervoer. Het kan in iedere aftrekpost zitten en daarmee bedoel ik dat alle aftrekposten verzonnen kunnen zijn om de teruggaaf te creëren dan wel te verhogen.”

Voorts wordt aan verdachte een print van de op zijn computer aangetroffen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 ten name van [persoon 12] getoond. Verdachte verklaart in reactie op deze aangifte:

“Ja, deze aangifte heb ik gemaakt. Wat in de aangifte staat is natuurlijk onzin. Die man heeft helemaal geen € 29.000,- verdiend en € 21.000,- belasting betaald. De verhouding tussen loon en loonbelasting is al zo raar dat het wel moet zijn opgevallen.” […]

Als aan verdachte het overzicht van 484 aangiften IB over het jaar 2007 (AH 105, bijlage 1) wordt getoond verklaart hij onder meer:

“[…] Het is zo opvallend dat verschil in loonheffing dat de Belastingdienst hierop meteen had moeten reageren. Ik heb de aangiften ingevuld. De Belastingdienst heeft het te lang door laten gaan. De Belastingdienst heeft geen controle ingebouwd zodat dit heeft kunnen gebeuren.[…]”

Over de samenwerking/verhouding met zijn cliënten verklaart verdachte het navolgende:

“Als ik een voorlopige teruggaaf moet opmaken en indienen voor een klant moet de klant zijn vaste gegevens aan mij geven en, naar gelang zijn situatie, jaaropgave, opgave hypotheekrente, WOZ beschikking, notariskosten, studiekosten en dergelijke. Als een klant mij belt vraag ik altijd waarom hij een voorlopige teruggaaf wil indienen. Op die manier kan ik inschatten wat voor papieren en/of gegevens die klant moet meebrengen. Als de klant bij mij is dan vul ik vrijwel altijd in zijn bijzijn de voorlopige teruggaaf in. […] Vervolgens verstuur ik de voorlopige teruggaaf met de DigiD van de klant in. Van deze voorlopige teruggaaf maak ik een afdruk en geef die aan de klant. Vervolgens sla ik de teruggaaf op mijn computer op.[…]Mocht het zo zijn dat hij (de rechtbank begrijpt: de klant) bepaalde gegevens niet bij zich heeft dan kan hij dat later telefonisch aan mij doorgeven. Op basis van de gegevens die hij dan telefonisch aan mij doorgeeft, vul ik de voorlopige teruggave in en dien deze dan in […]”

Voorts zijn er meerdere getuigen die verklaren dat zij werden aangesproken door een persoon die er voor zou kunnen zorgen dat zij (veel) geld van de Belastingdienst zouden kunnen terugkrijgen of iemand wisten die dat voor hen zou kunnen doen.

Verder heeft verdachte met betrekking tot het aantal cliënten voor wie hij al dan niet valselijk verzoeken VT’s en aangiften IB’s invulde het volgende verklaard:

“[…] Ik heb zoveel aangiften opgemaakt dat ik het niet meer weet”

“[…] Ik denk dat ik zeker wel in 75 afzonderlijke gevallen voorlopige teruggaven heb opgemaakt en ingediend die niet goed zijn, waar ik onjuiste cijfers in verwerkt heb zodat de klant meer geld terug krijgt dan waar hij recht op heeft.”[…]

Verdachte merkt op dat het volgens hem geen 75 voorlopige teruggaven betreft die hij niet juist gedaan heeft op verzoek van klanten maar dat het 35 voorlopige teruggaven betreft. Verdachte merkt verder op dat die 75 aangiften inkomstenbelasting betreft die hij op verzoek van de klanten voorzien heeft van gefingeerde cijfers.

“Ik wil verder nog zeggen dat ik niet precies weet hoeveel onjuiste aangiften en valse VT’s ik heb gedaan. Het is lopende bandwerk, routine geworden. Ik doe het vanaf 2007 tot nu toe.”

“[…] En als je daar naar kijkt dat ik ongeveer 4 minuten bezig ben met een onjuiste aangifte.”

Als aan verdachte een bladzijde uit zijn agenda gedateerd zondag 5 april 2009 wordt getoond, verklaart hij onder meer:

“[…] Als er bij een naam 3 x staat heeft die ook aangiften van anderen bij zich. Het kan zijn dat die persoon alleen komt maar het kan ook zijn dat ze met zijn drieën zijn. In die gevallen doe ik dus drie aangiften. […]”

Tot slot heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij soms zeven dagen per week aan het werk is en dat werkdagen dagen van 08:00 uur tot 23:00 uur geregeld voorkomen.

4. Bewijsoverwegingen en beoordeling van de standpunten van procespartijen

4.1. Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie, dat daarbij onder meer heeft verwezen naar de pleitnotities die zij aan de rechtbank ter terechtzitting heeft overgelegd, acht bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 november 2008 in Amsterdam 159 verzoeken voorlopige teruggaaf vals heeft opgemaakt waaronder de voorlopige teruggaven van de 10 in de tenlastelegging met name genoemde personen. Voorts acht het openbaar ministerie bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 februari 2008 tot en met 25 augustus 2009 in Amsterdam 1063 aangiften inkomstenbelasting vals heeft opgemaakt. Het openbaar ministerie heeft daartoe het volgende aangevoerd. Afhankelijk van de hoeveelheid geld dat de betreffende cliënt van de Belastingdienst wilde ontvangen, vulde verdachte de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB) en of het verzoek om voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna VT) voor de cliënt in. Verdachte vroeg de cliënt daartoe om een jaaropgave en daarnaast moest de cliënt een DiGid aanvragen. Vervolgens vulde verdachte fictieve bedragen in en voerde hij niet bestaande posten op, zoals het ontvangen loon, de loonheffing, een eigen woning met hypotheekaftrek, studiekosten en/of ziektekosten. Op de computer van verdachte zijn over de jaren 2007 en 2008 276 VT’s en 12.614 aangiften IB aangetroffen. Hoewel waarschijnlijk sprake is van meer valse aangiften, is van de op deze computer verdachte aangetroffen aangiften en verzoeken een selectie gemaakt, te weten de VT’s en IB’s die tot een teruggaaf van meer dan € 7.000,- moeten leiden. Uiteindelijk kan van 159 VT’s en 1063 IB’s worden gesteld dat deze daadwerkelijk door verdachte zijn ingediend bij de Belastingdienst én dat er bij deze in strijd met de waarheid een hogere loonheffing is opgevoerd, aldus het openbaar ministerie. Het oogmerk bij deze feiten was steeds dat de betreffende aangiften en verzoeken als echt en onvervalst door de Belastingdienst in behandeling zouden worden genomen en de Belastingdienst tot het uitbetalen van de teruggaaf aan de betrokkene zou overgaan. Verdachte heeft bewust misbruik gemaakt van de souplesse van de Belastingdienst bij de uitbetaling van verzochte teruggaven, hetgeen zeer kwalijk is, aldus steeds het openbaar ministerie.

4.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven - (partiële) vrijspraak bepleit ten aanzien van de tijdvakken waarbinnen de feiten zijn tenlastegelegd.

Hij heeft daartoe ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 - kort gezegd: de valsheid in geschrifte ten aanzien van de verzoeken VT - betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de periode van 1 juli 2007 tot en met 23 juli 2007 en 1 januari tot 1 augustus 2008. De betreffende verzoeken die in de periode van 1 juli 2007 tot en met 23 juli 2007 zouden zijn ingediend, zijn niet op de computer van verdachte zijn aangetroffen en dus niet door verdachte zijn ingediend. De VT verzoeken 2008 die ten name van de in de tenlastelegging genoemde personen zijn ingediend, zijn alle in de maanden augustus, september, oktober en november 2008 ingediend. Voorts kunnen de overige (vermeende) valselijk opgemaakte verzoeken die zijn gebaseerd op het in AH 105 (bijlage 3) opgenomen overzicht niet worden bewezen. Het overzicht is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het valselijk opmaken van de overige 141 (niet in het overzichtsproces-verbaal opgenomen) verzoeken. De personen voor wie verdachte dat zou hebben gedaan, zijn niet gehoord. Daarenboven zijn de aan dit overzicht ten grondslag liggende stukken niet aan het strafdossier gevoegd. De enkele omstandigheid dat bedoelde verzoeken op de computer van verdachte zijn aangetroffen, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Niet valt immers uit te sluiten dat de bij de Belastingdienst aanwezige informatie omtrent loon en loonheffing niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, daar er werkgevers zijn die hun werknemers zwart uitbetalen. Ook is niet uit te sluiten dat verdachte aan de hand van vervalste jaaropgave, afkomstig van zijn cliënten, verzoeken VT heeft gedaan, aldus steeds de raadsman.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, kort gezegd: de valsheid in geschrifte ten aanzien van de aangiften IB, heeft de raadsman betoogd dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 tot 18 februari 2008 én de periode van 23 april tot en met 25 augustus 2009. Evenmin kan bewezen worden dat verdachte de aangiften IB ten name van [persoon 18], [persoon 19] en [persoon 20] valselijk heeft opgemaakt. Voorts heeft de raadsman gesteld dat de overige (vermeende) valselijk opgemaakte aangiften die zijn gebaseerd op de in AH 105 (bijlagen 1 en 5, de rechtbank begrijpt dat is bedoeld: bijlagen 1 en 2) opgenomen overzichten niet kunnen worden bewezen. Deze overzichten zijn onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het valselijk opmaken van de overige 1053 aangiften. Ten aanzien van deze overzichten geldt eveneens dat de hieraan ten grondslag liggende stukken geen onderdeel uitmaken van het strafdossier en voorts zijn de betreffende belastingplichtigen niet gehoord. Bovendien zou, als niettemin wordt uitgegaan van de overzichten, dit betekenen dat verdachte in een periode van 14 respectievelijk 18 maanden, dagelijks gemiddeld 3,5 respectievelijk 2,7 aangiften valselijk zou hebben opgemaakt, hetgeen volstrekt onaannemelijk is. Dit mede gelet op de verklaring van verdachte dat hij slechts 75 aangiften IB op verzoek van gefingeerde cijfers heeft voorzien, aldus steeds de raadsman.

De raadsman heeft verder betoogd zoals omschreven in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnotities.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van de hiervoor door haar redengevende feiten en omstandigheden, die tezamen genomen wettige bewijs opleveren, vast dat verdachte telkens tezamen met een ander verzoeken VT en aangiften IB valselijk heeft opgemaakt. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, op sommige punten van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om in het bijzonder het volgende te overwegen.

De rechtbank concludeert op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen dat verdachte op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008 voor een groot aantal personen verzoeken tot Voorlopige teruggaaf valselijk heeft opgemaakt, onder meer de verzoeken van [persoon 1], [persoon 2] (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]), [persoon 4], [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7], [persoon 8], [persoon 9], [persoon 10] en [persoon 12]. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte op tijdstippen in de periode van 1 februari 2008 tot en met 8 april 2008 een groot aantal aangiften voor de Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de tijdvakken 2007 en 2008 valselijk heeft opgemaakt, onder meer die van [persoon 11], [persoon 12], [persoon 13], [persoon 14], [persoon 15], [persoon 16], [persoon 8], [persoon 9], [persoon 10] en [persoon 3].

Uit het dossier blijkt dat in genoemde perioden grote aantallen verzoeken tot voorlopige teruggaaf en aangiften IB bij de Belastingdienst zijn ingediend waarbij door verdachte een hogere loonheffing is berekend dan de bij de Belastingdienst geregistreerde loonheffing. De rechtbank kan niet exact vaststellen om hoeveel verzoeken en aangiften het gaat. Uit de bewijsmiddelen kan de rechtbank niettemin de conclusie trekken dat het om een veel groter aantal gaat dan genoemd in het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.

De rechtbank verwijst daartoe allereerst naar de verklaringen van verdachte zoals hij die bij de FIOD-ECD heeft afgelegd. Daarin heeft de verdachte immers verklaard dat – samengevat - het opmaken van valse verzoeken en aangiften ‘lopende bandwerk en routine’ is geworden. Hoewel verdachte ter terechtzitting, heeft betoogd dat hij met deze opmerking slechts heeft gedoeld op het opmaken van verzoeken en aangiften in het algemeen, hecht de rechtbank aan deze laatste verklaring geen geloof. Verdachte heeft immers ook verklaard dat hij niet precies meer weet hoeveel verzoeken en aangiften hij valselijk heeft opgemaakt en voorts dat hij het al vanaf 2007 doet. Daarbij komt dat de bij de FIOD-ECD afgelegde verklaring van verdachte past bij het beeld dat uit de overige hieronder te noemen bewijsmiddelen volgt.

Op de computer van verdachte zijn ruim 12.000 verzoeken VT en aangiften aangetroffen. De belastingdienst heeft om doelmatigheidsredenen op basis van objectieve criteria een selectie van deze aangiften en verzoeken VT gemaakt. Ten aanzien van een zeer groot deel van de geselecteerde aangiften en verzoeken VT bestaat een concrete aanwijzing dat hierin onjuiste gegevens zijn opgenomen. Ten aanzien van deze aangiften en verzoeken VT is immers gebleken dat de hierin opgegeven loonheffing niet gelijk is aan de loonheffing bekend bij de Belastingdienst. Vervolgens is gebleken dat een zeer groot deel van aangiften en verzoeken VT die vervolgens nader zijn onderzocht, inderdaad valselijk waren opgemaakt. Dat het niet nader onderzochte gedeelte van de in de selectie opgenomen aangiften en verzoeken VT voor een zo groot gedeelte waarheidsgetrouw zou zijn ingevuld dat niet gesproken kan worden van een groot aantal valselijk opgemaakte stukken, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk. Dit betekent dat het betoog van de raadsman dat de bijlagen bij ambtshandeling 105 (de overzichten van verzoeken VT en aangiften uit de steekproef) in het geheel niet mogen worden meegewogen, door de rechtbank wordt verworpen.

Daar komt bij dat het overzicht slechts een selectie bevat van het aantal verzoeken VT’s en aangiften IB die door verdachte bij de Belastingdienst zijn ingediend, te weten verzoeken en aangiften die hebben geleid tot een teruggaven van meer dan € 7.000,-, zodat door de rechtbank zeker niet wordt uitgesloten dat verdachte ook verzoeken en aangiften valselijk heeft opgemaakt waarin het terug te ontvangen bedrag minder dan € 7.000,- bedraagt.

De rechtbank zal de verdachte vrij spreken van feit 2 primair voor zover dit betreft het valselijk opmaken van een aangifte IB ten name van [persoon 14]. De rechtbank is uit het dossier niet gebleken dat dit aangifteformulier op de computer van verdachte is aangetroffen en evenmin heeft de rechtbank deze aangifte op een andere wijze direct aan verdachte kunnen koppelen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008, te Amsterdam telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens (digitaal) "Verzoek Voorlopige Teruggaaf" over het jaar 2008 ten name van een groot aantal personen, onder wie

- [persoon 1] (sofi-nr. [nr 1]) (D-07) en

- [persoon 2] (sofi-nr. [nr 2]) (D-27) en

- [persoon 3] (sofi-nr. [nr 3]) (D-15) en

- [persoon 4] (sofi-nr. [nr 4]) (D-05) en

- [persoon 5] (sofi-nr. [nr 5]) (D-17) en

- [persoon 6] (sofi-nr. [nr 6]) (D-11) en

- [persoon 7] (sofi-nr. [nr 7]) (D-37) en

- [persoon 8] (sofi-nr. [nr 8]) (D-150) en

- [persoon 9] (sofi-nr. [nr 9]) (D-143) en

- [persoon 10] (sofi-nr. [nr 10]) (D-141),

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader toen daar telkens valselijk - in strijd met de waarheid - in die Verzoeken Voorlopige Teruggaaf een te hoog bedrag aan aftrekposten (buitengewone lasten en/of rentelasten en/of giften) en/of (een) te hoog bedrag aan inkomsten en/of een te hoog bedrag van voorlopige teruggaaf opgegeven, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde

in de periode van 24 februari 2008 tot en met 8 april 2009, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, (digitale) aangiften voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen over het aangiftetijdvak 2007 en/of 2008 ten name van een groot aantal personen, onder wie

- [persoon 11] (sofi-nr. [nr 11]) jaar 2007 (D-71) en

- [persoon 12] (sofi-nr. [nr 12]) jaar 2007 (D-65) en

- [persoon 13] (sofi-nr. [nr 13]) jaar 2007 (D-69) en

- [persoon 15] (sofi-nr. [nr 15]) jaar 2008 (D-76) en

- [persoon 16] (sofi-nr. [nr 16]) jaar 2008 (D-130) en

- [persoon 8] (sofi-nr. [nr 8]) jaar 2007 (D-149) en

- [persoon 9] (sofi-nr. [nr 9]) jaar 2007 (D-142) en

- [persoon 10] (sofi-nr. [nr 10]) jaar 2007 (D-140) en

- [persoon 17] jaar 2007 (D-146),

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader toen en daar telkens valselijk - in strijd met de waarheid - in die geschriften telkens een te hoog en/of gefingeerde bedrag aan loon en/of loonheffing en/of te hoge en/of gefingeerde aftrekposten (buitengewone lasten en/of rentelasten en/of giften) en/of een te laag bedrag aan belastbaar inkomen opgegeven, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte terzake van de door zijn bewezen geachte feiten 1 primair en 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het openbaar ministerie een geldboete gevorderd van € 74.000.-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 365 dagen.

Het openbaar ministerie heeft zijn strafeis onder meer gebaseerd op het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van het vertrouwen van de Belastingdienst in de juistheid van aangiften en verzoeken voorlopige teruggaaf. Verdachte heeft door de valsheid in geschrifte bij de Belastingdienst de indruk gewekt dat er geld verschuldigd zou zijn, waardoor de Belastingdienst allerlei handelingen moet gaan verrichten om vast te stellen of de gevraagde bedragen inderdaad verschuldigd zijn. Daarnaast heeft het openbaar ministerie de strafeis gebaseerd op de werkwijze van verdachte, te weten dat het vals invullen van verzoeken en aangiften lopende bandwerk is geworden. De werkwijze van verdachte heeft er toe geleid dat het benadelingsbedrag zo hoog heeft kunnen oplopen.

In het voordeel van verdachte heeft het openbaar ministerie rekening gehouden met het geringe eigen belang van verdachte. Voorts is verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk veroordeeld, aldus steeds het openbaar ministerie.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd - zakelijk en verkort weergegeven - dat verdachte zich realiseert dat hij ernstig in de fout is gegaan en daar ook veel spijt van heeft. Dat het zo ver heeft kunnen komen, vindt mede zijn oorsprong in het feit dat zijn cliënten grote druk op verdachte uitoefenden, in die zin dat zij hem bleven bellen en bezoeken. Daarbij adviseerde verdachte zijn cliënten doorgaans om niet meer dan € 10.000,- terug te vragen, doch zijn cliënten namen daar vaak geen genoegen mee. De verdediging heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat verzocht rekening te houden met de leeftijd van verdachte en het feit dat hij ten tijde van zijn aanhouding al 34 jaar als boekhouder werkzaam was en nooit eerder met justitie in aanraking is gekomen. Bovendien heeft verdachte van meet af aan openheid van zaken gegeven en zijn medewerking aan het onderzoek verleend. Voorts dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding het doen van onjuiste verzoeken en aangiften al nagenoeg had afgebouwd. Daarbij komt dat de omvang en duur van de fraude voor een belangrijk deel is veroorzaakt doordat de Belastingdienst is tekortgeschoten bij het controleren van de verzoeken VT en aangiften IB. Met een controlesysteem had het de Belastingdienst direct duidelijk kunnen zijn dat de verzoeken en aangiften niet juist waren. Bij gebrek aan een dergelijk controlesysteem bij de Belastingdienst heeft deze fraude maandenlang kunnen voortduren. Voorts had de Belastingdienst al eerder kunnen ageren, daar zij al begin maart 2009 op de hoogte was van het feit dat het betreffende IP-adres door verdachte werd gebruikt. Een eerder optreden had tot voordeel van niet alleen de Belastingdienst en de belastingplichtigen, maar ook van verdachte zelf gestrekt, aldus de verdediging.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat de rechtbank grote behoedzaamheid dient te betrachten bij het berekenen van het daadwerkelijke fiscale nadeel, nu ook de FIOD-ECD geen uitspraken kan doen omtrent de hoogte van de bedragen die daadwerkelijk aan de cliënten van verdachte zijn uitbetaald. Bovendien is de kans zeer wel aanwezig dat van daadwerkelijk geleden nadeel voor de Staat geen sprake zal zijn. Tot slot heeft de verdediging gesteld dat de strafzaak grootschalige aandacht in de media heeft gehad die verdachte en zijn familie schade heeft toegebracht, tengevolge waarvan verdachte in de toekomst niet meer als boekhouder in zijn levensonderhoud kan voorzien. De verdediging heeft derhalve verzocht te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, met daarbij eventueel oplegging van een werkstraf.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder ten nadele van verdachte het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen met de belastingplichtigen schuldig gemaakt aan een omvangrijke fraude waarbij hij in een betrekkelijk korte periode verzoeken VT en aangiften IB valselijk heeft opgemaakt. Hiermee heeft hij, naar kan worden aangenomen, de Staat, en daarmee tevens de samenleving als geheel, een aanzienlijk financieel nadeel toegebracht. Daarbij komt nog de zeer aanzienlijke rompslomp die aan de Belastingdienst is toegevallen. De Belastingdienst zal een berg werk hebben om de verzoeken en aangiften definitief vast te stellen en de eenmaal definitief vastgestelde belastingschulden te innen. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de Belastingdienst (deels) debet is aan de door verdachte gepleegde valsheid in geschrifte, neemt de rechtbank hiervan uitdrukkelijk afstand. Verdachte heeft door zijn handelwijze immers misbruik gemaakt van het vertrouwen van de Belastingdienst in de belastingplichtigen. Dat de Belastingdienst in beginsel uitgaat van de juistheid van de verzoeken en aangiften bij wijze van faciliteit jegens de belastingplichtigen is een groot goed, daar zij door haar werkwijze van directe uitbetaling van verzochte gelden bewerkstelligt dat belastingplichtigen snel over financiële middelen kunnen beschikken met alle financiële voordelen van dien. De rechtbank acht het kwalijk dat onder de personen voor wie verdachte valse aangiften of verzoeken VT heeft ingediend, zich velen bevinden die een zwakke sociaaleconomische positie hebben. Zo is de rechtbank van meerdere gokverslaafde cliënten gebleken en zelfs van personen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Voor deze mensen geldt in het bijzonder dat verdachte - met zijn kennis op het gebied van belastingen - hun had moeten behoeden voor de uiteindelijke consequenties van zijn handelen. Dat het frauduleus handelen van verdachte mede veroorzaakt is door enige (tijds)druk uitgeoefend door zijn cliënten, is niet aannemelijk geworden. Integendeel, verdachte rekende een hoger honorarium voor het doen van valse verzoeken en aangiften, zodat dient te worden aangenomen dat verdachte er zelf (financieel) ook beter van werd. Hoewel de rechtbank de omvang van de door verdachte met zijn handelwijze gegenereerde inkomsten niet precies heeft kunnen vaststellen, mede gezien het feit dat – zoals door verdachte verklaard – verdachte een deel van zijn inkomsten die hij met valse verzoeken en aangiften heeft verdiend niet administreerde, kan het niet anders dan dat verdachte hiermee zeer aanzienlijke (zwarte) inkomsten heeft gegenereerd. De rechtbank heeft uit de houding van verdachte gedurende de behandeling ter terechtzitting niet de overtuiging gekregen dat verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven.

Het bovenstaande vormt voor de rechtbank aanleiding om aan verdachte een vrijheidsbenemende straf op te leggen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat er aanleiding bestaat af te wijken van hetgeen het openbaar ministerie heeft gevorderd. Hoewel de rechtbank geen afbreuk wil doen aan de ernst van de feiten zoals hiervoor uiteengezet, heeft verdachte in een korte tijd zijn frauduleuze handelingen ontplooid. De aard en de omvang van de fraude en de wijze waarop deze werd uitgevoerd moest uiteindelijk aan het licht brengen dat verdachte degene was die zich hieraan schuldig maakte. Anders dan het openbaar ministerie ziet de rechtbank voorts redenen een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zulks om verdachte er van te weerhouden dat hij zich in de toekomst – verdachte heeft immers verklaard voornemens te zijn zich weer te gaan bezighouden met belastingadviezen – weer schuldig te maken aan dergelijke strafbare feiten.

Voorts ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten en het financiële voordeel dat verdachte daaruit heeft getrokken, aanleiding om een geldboete van € 74.000,- op te leggen, die bij niet betaling leidt tot 365 dagen vervangende hechtenis.

Alles in aanmerking nemend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur, almede een geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden.

7.5. Beslag

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 891,- heeft het openbaar ministerie gevorderd dat dit verbeurd zal worden verklaard.

Over het in beslag genomen en niet teruggegeven geld oordeelt de rechtbank als volgt. Tijdens de doorzoeking aan het woonadres van verdachte, te weten het adres [adres], is in een bureaulade van een bureau in de woonkamer een geldbedrag van € 891,- gevonden. Verdachte heeft gesteld dat dit bedrag aan hem toebehoort en dat hij dit bedrag heeft verdiend met het doen van ‘normale’ aangiften, zodat – naar de rechtbank begrijpt – dit bedrag niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat verdachte bij de FIOD-ECD heeft verklaard dat hij het geld dat hij verdiende met het doen van onjuiste aangiften, in zijn bureaulade deed. De rechtbank acht het geld derhalve als gerelateerd aan de bewezenverklaarde strafbare feiten vatbaar voor verbeurdverklaring.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33a, 33b, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 jaar, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete ter hoogte van € 74.000,- (vierenzeventigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 365 dagen.

Verklaart verbeurd: € 891,- (achthonderdéénennegentig euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A.M. van Oosten , voorzitter,

mrs. W.M. de Vries en L.I.M. van Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.