Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:9471

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
awb 09/5362
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

nvt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5362 HOREC

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. M. Veldman,

en

de burgemeester van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Boermans.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder, verzonden op 26 oktober 2009 (hierna: het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 december 2009. Verzoeker is vertegenwoordigd door mr. S. Bharatsingh. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en A.M. Kemnaad.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting hervat op 15 januari 2010.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. A. Franke.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. Verzoeker [naam 1], gevestigd aan de [adres]. Verzoeker beschikte laatstelijk over een exploitatievergunning die geldig was tot 31 januari 2008. Op 29 november 2007 heeft hij een aanvraag ingediend om verlenging van zijn exploitatievergunning. Tijdens een gesprek met verzoeker op 17 juni 2008 heeft hij voorlopige toestemming ontvangen om de exploitatie van de coffeeshop voort te zetten.

2.1.

Verweerder heeft het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het LBB) om advies gevraagd. Het LBB heeft op 10 februari 2009 advies uitgebracht.

2.2.

Bij brief van 22 april 2009 heeft verweerder verzoeker op de hoogte gesteld van het voornemen om de aangevraagde exploitatievergunning te weigeren.

Verzoeker heeft bij brieven van 27 mei 2009 en 26 juni 2009 zienswijzen ingediend.

2.3.

Bij het bestreden besluit heeft (de voorzitter van het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam Centrum namens) verweerder de aanvraag van verzoeker om een exploitatievergunning voor [naam 1] afgewezen op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef, onder a en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Voorts heeft verweerder bij dit besluit meegedeeld dat, indien de exploitatie van de coffeeshop niet uiterlijk 25 november 2009 is beëindigd, bestuursdwang zal worden toegepast wegens overtreding van artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV).

2.4.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en het hier aan de orde zijnde verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. In deze voorlopige voorzieningenprocedure heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit, waaronder de bestuursdwang, te schorsen en te bepalen dat de voorlopige exploitatievergunning voortduurt totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist.

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

In artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob is bepaald dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het derde lid, indien hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob vindt de weigering, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met (a) de mate van het gevaar en (b) voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

4. Verweerder heeft het advies van het LBB van 10 februari 2009 in het geding gebracht en meegedeeld dat met betrekking tot dit stuk een beroep wordt gedaan op artikel 8:29 van de Awb.

4.1.

Bij beslissing van 9 december 2009 heeft de rechtbank, in een andere samenstelling, onder toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb geoordeeld dat beperking van de kennisneming van het advies van het LBB gerechtvaardigd is.

4.2.

Ter zitting heeft verzoeker de voorzieningenrechter toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van het advies van het LBB uitspraak te doen. De voorzieningenrechter heeft na de zitting kennis genomen van het advies van het LBB en dit advies bij zijn beoordeling betrokken.

5. Verzoeker heeft aangevoerd dat het advies van het LBB in strijd met artikel 28 van de Wet Bibob is verstrekt aan de voorzitter van het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam Centrum, die het bestreden besluit in mandaat heeft genomen. De voorzitter van het dagelijks bestuur is niet vermeld bij de in artikel 28 van de Wet Bibob vermelde personen aan wie het advies mag worden doorgegeven. Dit impliceert dat het in strijd is met artikel 10:3 van de Awb om de bevoegdheid tot het weigeren van de vergunning op grond van de Wet Bibob te mandateren aan de voorzitter van het dagelijks bestuur, aldus verzoeker.

5.1.

In artikel 28, tweede lid, van de Wet Bibob is limitatief opgesomd aan welke personen en instanties het bestuursorgaan dat een advies ontvangt bedoelde gegevens mag doorgeven. Een voorzitter van het dagelijks bestuur van een stadsdeelraad is daarbij niet vermeld. Dit is evenwel niet van belang, nu de voorzitter van het stadsdeel, mede gezien artikel 178 van de Gemeentewet, in deze zaak geacht moet worden deel uit te maken van het bestuursorgaan dat het Bibob-advies heeft ontvangen.

6. Verweerder heeft de aanvraag om een exploitatievergunning voor de coffeeshop afgewezen onder meer omdat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob).

Daarbij heeft verweerder zich onder andere op het standpunt gesteld dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn die redelijkerwijs doen vermoeden dat verzoeker strafbare feiten heeft gepleegd.

In dit verband heeft verweerder erop gewezen dat verzoeker is gedagvaard voor het overtreden van artikel 3, aanhef en onder B en C, van de Opiumwet (telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van softdrugs en aanwezig hebben van softdrugs), artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder A, van het Wetboek van Strafrecht (witwassen) en artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht (gewoontewitwassen), welke strafbare feiten zouden zijn gepleegd over een periode van 1 januari 2001 tot en met 17 oktober 2006. In verband hiermee heeft verzoeker drie maanden en tien dagen in voorarrest gezeten. De strafzaak is aangehouden en een nieuwe zitting zal worden gepland.

Uit het proces-verbaal van relaas onderzoek van 18 oktober 2006 blijkt dat tijdens doorzoekingen op verschillende locaties aanzienlijke hoeveelheden softdrugs en grote hoeveelheden contant geld zijn aangetroffen. Concreet gaat het om ruim 22 kilogram hennep en/of hasj, 444 voorgedraaide joints en twaalf spacecakes. Het aangetroffen contant geld, in verschillende valuta, vertegenwoordigt een waarde van € 1.411.440,-. Daarvan is een bedrag van € 1.400.720,- aangetroffen in de woning van de ex-vrouw van verzoeker, waarin, zoals verklaringen valt op te maken, in werkelijkheid verzoekers kinderen wonen.

In de woning waarin verzoekers ex-vrouw woont is op de zolderverdieping een ruimte aangetroffen die kennelijk in gebruik is geweest als verwerkingsruimte van softdrugs, aldus verweerder in het bestreden besluit.

6.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft zich, mede op basis van het rapport van het LBB, op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn die redelijkerwijs doen vermoeden dat verzoeker strafbare feiten heeft gepleegd. Verzoeker heeft niet ontkend dat het bij de huiszoekingen aangetroffen geld en de hoeveelheid aangetroffen softdrugs van hem zijn. Hij is voor de in het bestreden besluit vermelde strafbare feiten gedagvaard en heeft drie maanden en tien dagen in voorarrest gezeten. Met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kan worden gezegd dat verzoeker strafbare feiten heeft gepleegd, te weten handel in drugs, witwassen en gewoontewitwassen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de bij de doorzoekingen aangetroffen hoeveelheid softdrugs groter is dan verwacht mag worden voor een coffeeshop en dat de aangetroffen contante geldbedragen van een dermate omvang zijn dat ze de normale omzet van een coffeeshop - gezien ook de zich in het dossier bevindende omzetcijfers - ruimschoots overstijgen.

6.2.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het aangetroffen en in beslag genomen geld aan hem in bewaring is gegeven door de[Stichting]. Deze stichting zou vermogen hebben vergaard met handel in rijst en verzoeker heeft als voorzitter van de stichting het geld, na omruiling in euro's, in bewaring gekregen vanwege de onzekerheden die storting van geld bij Surinaamse banken met zich mee brengt. De voorzieningenrechter acht het door verzoeker ter ondersteuning van zijn stelling overgelegde bewijsmateriaal echter onvoldoende overtuigend. De door verzoeker overgelegde stukken bieden geen redelijk inzicht in de bedrijfsvoering van de stichting. Voorts heeft verzoeker geen boekhouding van de stichting overgelegd, waaruit blijkt dat de stichting winsten heeft geboekt in de orde van grootte van de hoeveelheid bij de huiszoekingen aangetroffen contante geldbedragen. Ook heeft verzoeker geen omwisselingsbewijzen overgelegd, waaruit blijkt dat de buitenlandse valuta zijn omgewisseld in euro's. De voorzieningenrechter neemt voorts in aanmerking dat de stichting eerst in 2009 conservatoir beslag heeft gelegd op het contante geld.

6.3.

De stelling van verzoeker dat de bij hem aangetroffen hoeveelheid softdrugs onbruikbaar waren, volgt de voorzieningenrechter voorshands niet. Deze stelling vindt geen bevestiging in de door verweerder overgelegde rapporten van de laboratoriumonderzoeken naar de gevonden softdrugs van drs. [naam 2].

6.4.

Op grond van het rapport van het LBB mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat verzoeker in relatie staat tot voormelde (vermoedelijk begane) strafbare feiten, omdat hij deze zelf heeft begaan. Gelet op de ernst en het aantal van de (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten heeft verweerder kunnen aannemen dat sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd kan vooralsnog niet leiden tot de conclusie dat het rapport van het LBB onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel onjuiste conclusies bevat, op grond waarvan verweerder dit rapport niet aan zijn besluit ten grondslag zou hebben mogen leggen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker evenmin gronden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de weigering van de exploitatievergunning niet evenredig zou zijn met de mate van het gevaar en de ernst van bedoelde strafbare feiten.

7. De grond van verzoeker dat toepassing van de Wet Bibob en het weigeren van de exploitatievergunning zijn aan te merken als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM) slaagt niet.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft herhaaldelijk overwogen dat de toepassing van de in artikel 3 Wet Bibob neergelegde weigeringsgrond tot doel heeft te voorkomen dat overheidsorganen onbewust en ongewild door vergunningen te verlenen criminele activiteiten faciliteren. De weigering van de exploitatievergunning is er niet op gericht nadeel aan verzoeker toe te brengen dat verder gaat dan het bereiken van voormeld, niet direct op benadeling van verzoeker gericht doel. Dat het plegen van strafbare feiten wellicht wordt bemoeilijkt of voorkomen doordat bestuursorganen dit niet faciliteren door vergunningverlening, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat het instrumentarium van de Wet Bibob rechtstreeks op bestrijding van criminaliteit is gericht. Het is niet gericht op bestraffing van een dader en wordt naar nationaal recht ook niet als een strafrechtelijk instrumentarium aangemerkt. Op deze gronden is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van een punitieve sanctie. Gelet op het belang van het doel dat met de maatregelen wel wordt nagestreefd, vloeit uit het enkele feit dat deze maatregelen ingrijpend zijn, in dit geval niet voort dat deze daarom als “criminal charge” moeten worden aangemerkt, aldus de Afdeling (zie bijvoorbeeld LJN: BJ1892). De voorzieningenrechter sluit zich hierbij aan.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker vooralsnog onvoldoende heeft aangevoerd om tot de conclusie te komen dat verweerder niet op grond van het rapport van het LBB de exploitatievergunning heeft kunnen weigeren en aansluitend een aankondiging bestuursdwang uit kon doen gaan. De belangen van verzoeker tot voortzetting van de exploitatie wegen dan ook niet op tegen het belang van verweerder ter bescherming van de openbare orde en om te voorkomen dat strafbare feiten worden gepleegd.

9. Gezien het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek zal afwijzen.

Voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter,

in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.

de griffier

de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:

SB