Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BP0757

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
412015 / HA ZA 08-3128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling, verborgen houden pensioenen en verzekeringen die bij verdeling betrokken hadden moeten worden, artikel 3:194 lid 2 BW

De rechtbank oordeelt dat nu gedaagde nagelaten heeft (gemotiveerd) uit de doeken te doen waarom zowel de vier pensioenen als de verzekeringen niet in de verdeling zijn betrokken en het ervoor moet worden gehouden dat hij hier geen verklaring voor heeft en dat hij de pensioenen en de verzekeringen, zoals eiseres met stukken onderbouwd heeft gesteld, opzettelijk voor eiseres verborgen heeft gehouden. Aangezien gedaagde ook niet heeft betwist dat hij wist dat de verzekeringen tot de te verdelen gemeenschap behoorden, betekent dit dat gedaagde niet alleen het deel waar eiseres bij verdeling van de gemeenschap recht op zou hebben gehad aan haar zal moeten overdragen, maar dat op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW ook zijn deel aan haar zal worden toebedeeld. De wettelijke rente is niet van rechtswege verschuldigd op de datum van echtscheiding, maar pas vanaf de datum van ingebrekestelling (in dit geval de dagvaarding).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 412015 / HA ZA 08-3128

Vonnis van 26 augustus 2009

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. H. Vosmeijer,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 oktober 2008;

- de akte overlegging producties, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 28 januari 2009, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2009, met de daarin genoemde stukken, waaronder de akte wijziging (aanvulling) eis;

- de akte zijdens [B] van 6 mei 2009, met producties;

- de antwoordakte zijdens [A] van 3 juni 2009, met producties;

- de antwoordakte uitlating producties zijdens [B] van 17 juni 2009, met producties; en

- de akte uitlating producties zijdens [A] van 1 juli 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] en [B] zijn op 6 december 1962 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 1985 zijn zij feitelijk uit elkaar gegaan. Op 19 december 1990 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 4 februari 1991 is de echtscheiding ingeschreven in het register van de burgerlijke stand te Amsterdam.

2.2. Op 8 april 1991 hebben partijen een akte van scheiding en deling ondertekend. In deze akte is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 3.

De man heeft uitzicht op ouderdomspensioenrechten volgens een door zijn werkgeefster, [C] Effecten N.V. te Amsterdam, gesloten pensioenverzekering bij de verzekeringsmaatschappij “Concordia”[…] welke verzekering is aangegaan op 1 januari 1990.

Partijen komen overeen en bepalen dat de vrouw recht op verevening van die pensioenrechten heeft, resp. zal hebben […]”.

Artikel 4. (slot-artikel)

Partijen verklaren dat door het bovenstaande de tussen hen bestaan hebbende gemeenschap van goederen tot hun tevredenheid is gescheiden en gedeeld en dat zij terzake niets meer van elkaar te vorderen hebben, zulks onverlet alimentatieaanspraken en het recht op verevening van pensioenrechten van de vrouw.”

2.3. Voorafgaand aan de ondertekening van de akte van scheiding en deling heeft de toenmalige advocaat van [A] bij [B] nagevraagd of er nog andere pensioenaanspraken waren dan die in verband met [B]’s toenmalige dienstverband bij [C] Effecten. [B] heeft op deze vraag negatief geantwoord.

2.4. In 2006 heeft [A] onderzoek gedaan naar mogelijke andere pensioenen van [B]. Uit dat onderzoek bleek dat [B] aanspraak had op nog een aantal andere pensioenen die niet bij de verdeling waren betrokken: een kapitaalverzekering met pensioenclausule bij Reaal Verzekeringen, een pensioen bij de Stichting Pensioenfonds voor de Woningcorporaties, een pensioen bij de Grafische Bedrijfsfondsen en één bij de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel. Ten aanzien van deze pensioenen hebben partijen een regeling getroffen. De pensioenaanspraken zijn in 2008 alsnog tussen partijen verevend.

2.5. Tijdens haar onderzoek is [A] bovendien gestuit op een aantal (levensverzekering)polissen bij Reaal Levensverzekeringen, AXA en RVS op naam van [B] (hierna: de verzekeringen).

2.6. Daarnaast ontdekte [A] dat [B] op 15 maart 1995 met zijn toenmalig werkgever [C] Effecten een gerechtelijke schikking was aangegaan. In de schikkingsovereenkomst, waarin [B] wordt aangeduid als gedaagde en [C] Effecten als eiseres (hierna: de schikkingsovereenkomst), staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“1. Gedaagde betaalt aan eiseres een bedrag van f 550.000,= […].

2. De hiervoor onder 1. genoemde betaling zal plaatsvinden als volgt:

a. Gedaagde verplicht zich mee te werken aan afkoop per direct van de lijfrentepolis bij Reaal Levensverzekeringen N.V. onder polisnummer 6.121.212.

b. Gedaagde verplicht zich om de periodieke uitkeringen, die betaalbaar zullen worden gesteld op de polis van Reaal Verzekeringen N.V. polisnummer 6.188.390, aan eiseres te betalen.

[…]

3. Gedaagde verplicht zich om gedurende vijf jaar aan eiseres te betalen met ingang van 1 mei 1995 een bedrag van f 1.000,= […] per maand. […].”

2.7. Bij brief van 17 juni 2008 heeft de advocaat van [A] aan [B] nadere informatie met betrekking tot de verzekeringen opgevraagd. [B] heeft hierop geantwoord dat deze polissen hem “volslagen” en “totaal” onbekend zijn.

2.8. Bij brief van 29 mei 2008 heeft de advocaat van [A] [B] nogmaals gesommeerd tot afgifte van alle relevante correspondentie met betrekking tot de verzekeringen. [B] heeft op deze sommatie niet gereageerd.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair

i. [B] te gebieden aan [A], kort gezegd, alle inlichtingen en gegevens te verstrekken met betrekking tot de verzekeringen;

ii. [B] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van alle onder i. genoemde vermogensrechten voor zover deze nog bestaan en in het bezit van [B] zijn;

iii. [A] te machtigen om, indien [B] niet voldoet aan het onder ii. genoemde, het vonnis in de plaats te stellen van de wilsverklaringen van [B] tot het geven van opdracht tot het overdragen van de vermogensrechten;

iv. dit alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,= voor iedere dag dat [B] weigert aan het vonnis te voldoen;

subsidiair

(voor zover het primair onder ii. tot en met iv. gevorderde niet toegewezen kan worden)

ii. [B] te veroordelen tot betaling aan [A] van de vervangende waarde van het geheel van alle onder i. genoemde vermogensrechten voor zover deze niet meer bestaan en/of niet meer in het bezit zijn van [B];

iii. [B] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het onder ii. bedoelde bedrag vanaf de dag van de datum van inschrijving van de echtscheiding, zijnde 4 februari 1991, tot aan de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair

(voor zover noch het primair onder ii. tot en met iv., noch het subsidiair onder ii. en iii. toegewezen kan worden)

ii. te bepalen dat de onder i. genoemde vermogensrechten tot de gemeenschap behoren en de verdeling daarvan aldus vast te stellen dat deze vermogensrechten aan [B] zullen worden toegescheiden, met veroordeling van [B] tot betaling aan [A] van de helft van de waarde daarvan;

steeds met veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.2. [B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [B] heeft het bestaan van de verzekeringen aanvankelijk – in correspondentie met (de advocaat van) [A] en tot en met de conclusie van antwoord in deze procedure – betwist met de woorden dat deze hem volslagen onbekend waren en heeft zich op het standpunt gesteld dat [A] maar moest bewijzen dat ze bestonden. Ter comparitie, geconfronteerd met de door [A] op dat moment reeds overgelegde stukken, waaronder de schikkingsovereenkomst, de polisnummers van twee verzekeringen bij RVS en gedetailleerde informatie met betrekking tot de verzekering van [B] die bij AXA Equity & Law Levens-verzekeringen (hierna: AXA) heeft gelopen, heeft [B] het bestaan van deze verzekering (hierna: de AXA-verzekering) uiteindelijk erkend. [B] heeft tevens erkend dat deze tot de gemeenschap behoorde en alsnog verdeeld zou moeten worden. Het bestaan van de overige verzekeringen bleef [B] ook ter comparitie betwisten.

4.2. Met betrekking tot de AXA-verzekering is (en was ter comparitie) het volgende bekend:

- tijdens zijn dienstverband bij Haften & Co heeft [B] met betrekking tot zijn pensioen voor een spaarpolis gekozen;

- deze verzekering was aanvankelijk afgesloten bij AXA (later overgenomen door Reaal Verzekeringen);

- het betreft polisnummer N 0215496 (voorheen N 0149613);

- [B] heeft de verzekering afgesloten op 14 augustus 1980;

- [B] heeft de verzekering op 15 april 1995 afgekocht;

- de afkoopwaarde bedroeg € 5.683,60 (f 12.525,=).

4.3. Ter comparitie heeft de rechtbank [B] vervolgens opgedragen informatie te verstrekken over, kort gezegd, de verzekeringen en de waarde daarvan. Bij akte van 6 mei 2009 heeft [B] een brief van RVS Levensverzekering n.v. in het geding gebracht waaruit blijkt dat [B] bij RVS twee levensverzekeringen op zijn naam heeft lopen met polisnummers 70417140 en 24393030; beide verzekeringen zullen een verzekerd bedrag van € 454,= uitkeren bij overlijden van [B]. Gezien deze informatie, die [B] niet betwist, is ook het bestaan van deze verzekeringen voldoende vast komen te staan (hierna: de RVS-verzekeringen).

4.4. Met betrekking tot de in de schikkingsovereenkomst genoemde lijfrentepolis bij Reaal Levensverzekeringen met polisnummer 6.121.212 heeft [B] vervolgens bij akte van 6 mei 2009 een brief van Reaal Levensverzekeringen N.V. overgelegd waarin de maatschappij schrijft dat deze verzekering bij haar niet bekend is. Met betrekking tot deze verzekering blijft [B] ook in zijn akte van 6 mei 2009 onder verwijzing naar deze brief nog immer beweren dat de polis met nummer 6.121.212 kennelijk niet bestaat. Dit verweer is ongeloofwaardig. De polis is immers met naam en nummer genoemd in de schikkingsovereenkomst. Nadat [A] bij antwoordakte van 3 juni 2009 een e-mail van Reaal Verzekeringen had overgelegd waarin de verzekeraar uiteindelijk bevestigde dat de verzekering bij haar maatschappij heeft gelopen, heeft [B] bij akte van 17 juni 2009 een waardeoverzicht van ‘Reaal verzekering’ overgelegd waaruit blijkt dat het ‘totaal opgebouwd kapitaal’ van de verzekering ‘bij in leven zijn op 01-12-2006’ f 243.307,92 zou bedragen en dat het ‘verzekerd kapitaal excl. Winst + Slotbonusbijdragen’ op 27 juni 1994 f 212.496,= bedroeg. [B] lijkt hiermee uiteindelijk ook met betrekking tot deze verzekering zijn verweer dat deze niet bestaat (of heeft bestaan) niet langer te handhaven. Dat betekent dat het bestaan van deze verzekering ook vaststaat (hierna: de Reaal-verzekering).

4.5. [A] maakt thans op de voet van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak op de gehele waarde van de verzekeringen.

4.6. Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt dat de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere echtgenoot. Door de toevoeging van het woord opzettelijk kan alleen met succes een beroep worden gedaan op de bepaling, indien [B] wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden. [A] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [B] van het bestaan van de verzekeringen wist en deze opzettelijk voor haar verborgen heeft gehouden gewezen op de volgende omstandigheden. In 2006 is [A] gebleken dat [B] nog aanspraak kon maken op een viertal pensioenen die niet zijn genoemd in de akte van scheiding en deling. [B] heeft het bestaan van deze pensioenaanspraken ten tijde van de echtscheiding en de verdeling van de gemeenschap niet aan [A] gemeld, ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe van haar toenmalige advocaat. De pensioenaanspraken zijn in 2008 na aandringen van (de advocaat van) [A] alsnog tussen partijen verdeeld. In 1995 heeft [B] de afkoopsom van lijfrentepolis bij Reaal Levensverzekeringen met polisnummer 6.121.212 in het kader van een schikking overgedragen aan zijn voormalige werkgever [C] Effecten. Deze polis moet op het moment van de echtscheiding hebben bestaan en, gezien het bedrag van de schikking, een aanzienlijke waarde hebben vertegenwoordigd. De AXA-verzekering is eveneens afgesloten op een moment dat partijen nog getrouwd waren, deze dateert namelijk uit de periode dat [B] bij Van Haften & Co in dienst was. Ook deze verzekering heeft [B] in 1995 afgekocht.

4.7. Zelfs nu alle inmiddels bekende informatie met betrekking tot de verzekeringen boven tafel is gekomen, heeft [B] nagelaten (gemotiveerd) uit de doeken te doen waarom zowel de vier pensioenen als de verzekeringen niet in de verdeling zijn betrokken en moet het ervoor worden gehouden dat hij hier geen verklaring voor heeft en dat hij de pensioenen en de verzekeringen, zoals [A] met stukken onderbouwd heeft gesteld, opzettelijk voor [A] verborgen heeft gehouden. Aangezien [B] ook niet heeft betwist dat hij wist dat de verzekeringen tot de te verdelen gemeenschap behoorden, betekent dit dat [B] niet alleen het deel waar [A] bij verdeling van de gemeenschap recht op zou hebben gehad aan haar zal moeten overdragen, maar dat op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW ook zijn deel aan haar zal worden toebedeeld.

4.8. De finale kwijting die partijen in de akte van deling elkaar over en weer hebben verleend doet aan het voorgaande niet af. [A] heeft aangevoerd dat zij er op het moment van ondertekening van de akte van scheiding en deling vanuit ging dat [B] alles wat er te verdelen viel had opgegeven. Zij wijst in dit verband in het bijzonder op het verzoek van haar toenmalige advocaat. De in de akte opgenomen door [A] verleende finale kwijting ziet vanzelfsprekend niet op vermogensbestanddelen die (door verzwijging van [B]) niet in de verdeling zijn betrokken. Een beroep op de in de akte van scheiding en deling verleende finale kwijting kan [B] dan ook niet baten.

4.9. [A] heeft primair gevorderd dat de verzekeringen, voor zover nog bestaand, aan haar worden overgedragen. Deze primaire vordering kan alleen met betrekking tot de twee RVS-verzekeringen worden toegewezen. Nu [B] tegen de primaire vordering – overdracht van de verzekeringen – verder geen verweer heeft gevoerd, zal deze met betrekking tot deze twee verzekeringen worden toegewezen als gevorderd.

4.10. Nu de andere twee verzekeringen op enig moment door [B] zijn afgekocht, zal van deze verzekeringen de waarde moeten worden vastgesteld.

Reaal-verzekering

4.11. Allereerst moet worden vastgesteld op welk moment de waarde van deze verzekering moet worden vastgesteld. Bij de verdeling van een tot de gemeenschap behorend goed wordt in beginsel uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. [B] heeft nagelaten de verzekering in de verdeling te betrekken. [B] heeft vervolgens zelf door de afkoop van de verzekering in 1995 een voordeel genoten. Aangezien [B] op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW gehouden is de gehele waarde van de door hem voor [A] verborgen gehouden verzekering te vergoeden en [A] al die jaren niet over de haar toekomende uitkering heeft kunnen beschikken, acht de rechtbank het redelijk dat hij, zoals [A] vordert, aan [A] een vergoeding betaalt die gelijk is aan het voordeel dat hij uit de verzekering heeft genoten.

4.12. [B] heeft deze Reaal-verzekering in 1995 afgekocht in verband met de gerechtelijke schikking met zijn voormalige werkgever. Het bedrag dat [B] in het kader van die schikking aan zijn werkgever moest voldoen was f 550.000,= (€ 249.579). Dit bedrag zou naast de afkoopsom van de Reaal-verzekering worden voldaan uit (i) periodieke uitkeringen die betaalbaar zouden worden gesteld op een andere polis bij Reaal Verzekeringen N.V. en (ii) betalingen van f 1.000,= per maand gedurende een periode van vijf jaar (zie 2.7.). [A] heeft – onderbouwd met stukken en onbetwist door [B] – gesteld dat het totale onder (i) bedoelde bedrag (artikel 2 sub b van de schikkingsovereenkomst) maximaal € 45.000,= bedraagt. Het onder (ii) bedoelde bedrag komt neer op f 60.000,= (€ 27.226). Aldus komt [A] tot de conclusie dat de Reaal-verzekering op het moment van afkoop een waarde vertegenwoordigde van € 177.353,=.

4.13. De door [A] gegeven berekening van de waarde van de polis op het moment van de gerechtelijke schikking is goed te volgen en wordt door [B] ook niet inhoudelijk bestreden, zodat de rechtbank in beginsel van dit bedrag zal uitgaan.

4.14. Ter comparitie heeft de rechtbank [B] met betrekking tot de Reaal-verzekering in het bijzonder opgedragen informatie te verschaffen over, voor zover thans van belang, de waarde die de polis vertegenwoordigde op het moment dat de schikking werd getroffen. Blijkens de aktes van 6 mei 2009 en 17 juni 2009 heeft [B] aanvankelijk volstaan met het opvragen van informatie bij de verzekeringsmaatschappij. Uiteindelijk blijkt [B] ook contact te hebben gezocht met de advocaat die hem destijds bijstond toen de schikking werd getroffen. Bij akte van 17 juni 2009 heeft [B] zich op het standpunt gesteld dat hij er “werkelijk alles aan [heeft] gedaan om deze polis boven water te krijgen, maar dat is niet gelukt”. Hij is van mening dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld om dit nadere onderzoek te verrichten. [A] verzet zich hiertegen.

4.15. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het standpunt van [A] dat [B] inmiddels ruimschoots de gelegenheid heeft gehad de verzochte informatie bijeen te brengen en zijn niet nader gemotiveerde betwisting van de door [A] berekende waarde te onderbouwen, zal de rechtbank [B] nog eenmaal in de gelegenheid stellen bewijs bijeen te brengen van de waarde van de verzekering op het moment dat deze werd afgekocht in het kader van de gerechtelijke schikking. Dit in het licht van het door [B] bij akte van 17 juni 2009 overgelegde waardeoverzicht van Reaal verzekering (zie 4.4.) op grond waarvan er twijfel kan bestaan of de afkoopwaarde van de polis in oktober 1995 inderdaad € 177.353,= bedroeg. Gezien de omstandigheden – verzwijging – en het feit dat [B] kan beschikken over de relevante stukken, althans toegang heeft tot de stukken, of de benodigde informatie moet kunnen opvragen, is de rechtbank van oordeel dat hij met het bewijs moet worden belast (en dus het bewijsrisico moet dragen). Indien [B] er niet in slaagt aan te tonen dat de afkoopsom van deze Reaal-verzekering een andere (lagere) waarde vertegenwoordigde dan door [A] is berekend, zal [B] het door [A] gevorderde bedrag van € 177.353,= aan haar moeten betalen. De rechtbank ziet aanleiding een nadere comparitie van partijen te gelasten waar het door [B] bijeen te brengen bewijs kan worden besproken en/of op dit punt alsnog een schikking kan worden beproefd.

AXA-verzekering

4.16. Met betrekking tot deze verzekering heeft [B] brieven overgelegd van AXA Equity & Law Levensverzekeringen N.V. en Reaal Levensverzekeringen N.V. waarin wordt bevestigd dat de afkoopwaarde van de verzekering per 15 april 1995 inderdaad € 5.683,60 ( f 12.525,=) bedroeg en dat de expiratiewaarde van de verzekering op 14 augustus 2007 € 9.079,= zou hebben bedragen als deze niet zou zijn afgekocht, exclusief rentewinst. Reaal Levensverzekeringen meldt tevens dat zij niet meer kan berekenen wat het eindbedrag inclusief rentewinst zou zijn geweest. [A] heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat het risico dat de werkelijke waarde van de polis niet meer exact is vast te stellen voor risico van [B] dient te komen. Uitgaande van een vervangende waarde van de polis van € 9.079,=, berekent [A] de waarde van de polis inclusief rentewinst op € 28.714,36. De rentewinst heeft zij berekend op basis van de wettelijke rente over de periode van 14 augustus 1980 tot en met 14 augustus 2007.

4.17. [B] bestrijdt de door [A] berekende waarde. Volgens [B] kan [A] slechts aanspraak maken op (de helft van) de afkoopwaarde van de polis in 1991 (moment echtscheiding). [B] betwist ook dat de vervangende waarde van de polis gesteld zou moeten worden op € 9.079,= omdat dit de waarde van de polis op de 14 augustus 2007 was en niet in 1991. [B] geeft echter niet aan wat volgens hem de waarde van de verzekering zou zijn geweest op het moment van verdeling en/of hoe die waarde naar zijn idee berekend zou moeten worden.

4.18. Met betrekking tot de waarde van deze verzekering oordeelt de rechtbank als volgt. Ook hier geldt hetgeen onder 4.11. is overwogen. [B] heeft in dit geval door de afkoop van de verzekering in 1995 een voordeel genoten van € 5.683,60. Aangezien [B] op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW is gehouden de gehele waarde van de door hem voor [A] verborgen gehouden verzekering te vergoeden en [A] al die jaren niet over de haar toekomende uitkering heeft kunnen beschikken, acht de rechtbank het ook hier redelijk dat [B] aan [A] een vergoeding betaalt die gelijk is aan het voordeel dat hij uit de verzekering heeft genoten, dat wil zeggen € 5.683,60. De rechtbank ziet geen reden om [B] nog meer te straffen door hem thans aan [A] een bedrag te laten betalen dat hoger is dan het voordeel dat hij heeft getracht op te strijken.

4.19. [B] heeft zich ten slotte nog op het standpunt gesteld dat een deskundige zou moeten worden benoemd die de werkelijke waarde van de polissen ten tijde van de echtscheiding zou moeten berekenen. [A] verzet zich hiertegen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank thans geen aanleiding een deskundige te benoemen.

Wettelijke rente

4.20. Met betrekking tot de door [A] gevorderde wettelijke rente geldt dat de wettelijke rente over een af te dragen geldsom eerst verschuldigd is, zoals [B] terecht opmerkt, vanaf het moment dat de deelgenoot met de afdracht in verzuim is. Anders dan [A] stelt, is de wettelijke rente niet van rechtswege verschuldigd op de datum van echtscheiding. Van ingebrekestelling van [B] door [A] met ingang van de datum van echtscheiding is niet gebleken. Dit betekent dat, nu [A] eerst bij dagvaarding de rente heeft gevorderd, met ingang van de datum van dagvaarding, te weten 27 oktober 2008, de wettelijke rente over de door [B] aan [A] te betalen vergoeding voor de waarde van de Reaal- en de AXA-verzekering zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

- gelast partijen in persoon, vergezeld van hun raadslieden te verschijnen tot het in rechtsoverweging 4.15. aangegeven doel,

- bepaalt dat deze comparitie zal plaatsvinden op dinsdag 1 december 2009 van 9.30 tot 11.00 uur in het gebouw van deze rechtbank, Parnassusweg 220-228 te Amsterdam,

- bepaalt dat de (bewijs)stukken waarop [B] zich wenst te beroepen de rechtbank uiterlijk 4 weken vóór de terechtzitting dienen te hebben bereikt, met toezending van een afschrift aan [A], zodat [A] de gelegenheid heeft deze voor de zitting te bestuderen en, desgewenst, op het bewijsmateriaal nog schriftelijk te reageren,

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2009.?