Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BO2551

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
13/447987-07 (A) en 13/442894-08 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkrachting en een poging daartoe. De feiten vonden plaats gedurende de nacht en in de eigen woning van de vrouwen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verblijf in Nederland als ongewenst vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/447987-07 (A) en 13/442894-08 (B)

Datum uitspraak: 5 februari 2009

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 maart 2008, 10 juni 2008, 31 juli 2008, 5 september 2008, 27 november 2008 en 22 januari 2009.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd, zoals is omschreven in de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging toegewezen ter terechtzitting van 20 maart 2008, dat:

Ten aanzien van zaak A:

1. hij op of omstreeks 17 november 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, het raam van de woning van die [slachtoffer1] geopend en/of is hij (vervolgens) door het raam naar binnen geklommen en/of is hij, verdachte, (met grote passen) naar die [slachtoffer1] toegelopen en/of heeft hij die [slachtoffer1] (vervolgens) (met kracht) (met beide handen) bij haar arm(en) vastgepakt en/of vastgehouden en/of zijn hand op/voor de mond van die [slachtoffer1] gehouden (toen die [slachtoffer1] om hulp riep/schreeuwde) en/of heeft hij, verdachte, toen hij achter die [slachtoffer1] stond, zijn onderlichaam (stevig) tegen de billen van die [slachtoffer1] aangedrukt en/of aangedrukt gehouden en/of (vervolgens) (met (beide) hand(en)) (in) de borst(en) van die [slachtoffer1] vastgepakt en/of geknepen en/of (over) de bil(len) van die [slachtoffer1] gewreven en/of betast;

(artikel 242 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 17 november 2007 te Amsterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, door het raam van de woning van die [slachtoffer1] te openen en/of door het raam naar binnen te klimmen en/of (met grote passen) naar die [slachtoffer1] toe te lopen en/of die [slachtoffer1] (met kracht) (bij haar beide) arm(en) vast te pakken en/of vast te houden en/of zijn hand op/voor de mond van die [slachtoffer1] te houden (toen die [slachtoffer1] om hulp riep/schreeuwde), die [slachtoffer1] gedwongen te dulden dat hij, verdachte, zijn onderlichaam (stevig) tegen de bil(len) van die [slachtoffer1] aandrukte en/of aangedrukt hield en/of met zijn, verdachtes, (beide) hand(en) (in) de borst(en) van die [slachtoffer1] vastpakte en/of kneep en/of betastte en/of met zijn, verdachtes, hand(en) (over) de bil(len) van die [slachtoffer1] betastte en/of wreef;

(artikel 246 Wetboek van Strafrecht)

3. (proces-verbaalnummer 1999334130)

hij op of omstreeks 29 december 1999 te Amsterdam door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] gedwongen te dulden dat verdachte één of meerma(a)l(en) zijn,

verdachtes, vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] duwde/bracht en/of (vervolgens) heen en weer bewoog, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- achter die [slachtoffer 2] is aangelopen en/of

- de centrale toegangsdeur heeft opengeduwd en/of (vervolgens) gesloten en/of

- zijn, verdachtes, hand op/over de mond en de neus van die [slachtoffer 2] geduwd en/of

- de capuchon van die [slachtoffer 2] over haar hoofd getracht heeft te trekken/heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer 2] één of meerma(a)l(en) (met zijn vuisten) in het gezicht heeft geslagen en/of

- met zijn, verdachtes, knie op de arm van die [slachtoffer 2] is gaan zitten, en/of

(aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

4. (proces-verbaalnummer 2007144341)

hij op of omstreeks 27 mei 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of met een (andere) feitelijkheid [slachtoffer 3] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers is/heeft hij, verdachte, - de hor van het raam verbogen en/of opengebroken en/of geforceerd en/of via het raam de woning en/of de slaapkamer van die [slachtoffer 3] binnengegaan en/of - (vervolgens) een hand over/op het gezicht van die [slachtoffer 3] geduwd en/of - (vervolgens) op die [slachtoffer 3] gaan liggen en/of de onderbroek van die [slachtoffer 3]

naar beneden getrokken;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5. (proces-verbaalnummer 2007150068)

hij op of omstreeks 02 juni 2007 te Amsterdam door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], immers heeft verdachte

- die [slachtoffer 4] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, vinger in de anus van die [slachtoffer 4] duwde/bracht en/of

- die [slachtoffer 4] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer 4] duwde/bracht en/of

- die [slachtoffer 4] gedwongen zijn, verdachtes, penis vast te pakken en/of (vervolgens) hem af te trekken en/of

- het lichaam van die [slachtoffer 4] betast, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- de hor van het raam heeft verbogen en/of opengebroken en/of geforceerd en/of via het raam de woning en/of de slaapkamer van die [slachtoffer 4] is binnengegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 4] heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 4] onder het bed vandaan heeft getrokken en/of

- het gezicht van die [slachtoffer 4] met (veel kracht) opzij geduwd en/of

- op die [slachtoffer 4] is gaan liggen, en/of (aldus) voor die [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van zaak B:

hij op of omstreeks 17 november 2007 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te

vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk

geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was

verklaard.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vrijspraak ten aanzien van de feiten 3 en 4 in zaak A

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in zaak A onder 3 en 4 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld zij dat de rechtbank niet mee gaat in de door de officier van justitie voorgestelde schakeling van bewijsmateriaal op grond van de overeenkomsten in de modus operandi. Zoals hierna wordt overwogen, acht de rechtbank de onder 1 primair en 5 telastegelegde feiten ieder voor zich wettig en overtuigend bewezen. De werkwijze bij deze twee feiten acht de rechtbank niet zodanig specifiek, dat is gebleken van een gang van zaken die op essentiële punten overeenkomt. Er is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake van een ‘ketting’ waaraan het onder 3 en 4 telastegelegde kan worden ‘geschakeld’. De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor deze feiten, dient dus voor ieder feit op zich te worden beoordeeld.

De officier van justitie heeft als bewijs voor het onder 3 telastegelegde aangedragen de aangifte en de rapporten van het NFI d.d. 20 juli 2000 en d.d. 21 december 2007. Daaruit blijkt dat op de muts die de dader in de woning van de aangeefster heeft achtergelaten een haar is aangetroffen, waarvan het DNA overeenkomt met dat van verdachte. De rechtbank is door dit bewijs echter niet overtuigd geraakt dat verdachte degene is die op 29 december 1999 de woning van aangeefster is binnengedrongen. Uit het rapport van het NFI d.d. 20 juli 2000 blijkt dat op de muts een ‘groot aantal hoofdharen’ werd waargenomen. Drie haren zijn onderzocht op DNA. Bij één van de haren is geen profiel verkregen en bij twee haren werd een DNA-profiel geanalyseerd. Eén van deze haren bleek van verdachte en één van deze haren bleek van een anoniem gebleven vrouw. De verdediging heeft aangevoerd dat een muts gemakkelijk van persoon op persoon kan worden doorgegeven en dat dat in het circuit van illegale vreemdelingen en daklozen waarin verdachte verkeert in dit geval ook daadwerkelijk gebeurd moet zijn. Reeds omdat de twee onderzochte haren DNA-profielen bevatten die bij verschillende personen horen, acht de rechtbank deze verklaring niet onaannemelijk. De van verdachte aangetroffen hoofdhaar op de muts is daarom onvoldoende relevant voor het telastegelegde. Overigens is ten aanzien van dit feit geen bewijs voorhanden, die direct aan verdachte is te koppelen.

Bij feit 4 valt weliswaar de overeenkomst met het wel bewezengeachte feit 5 op, maar is er als bewijs alleen een aangifte, waarin geen (voldoende) signalement wordt genoemd. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de bewijsmiddelen van feit 1 en 5 niet als schakelbewijs worden gebruikt. Het enkele feit 5 is op zich onvoldoende om een patroon te constateren waar feit 4 bij past. Daarmee ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs om verdachte schuldig te achten aan feit 4.

3.2. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 primair en 5 in zaak A

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 telastegelegde omdat – kort gezegd – niet kan worden vastgesteld dat de persoon die in de woning van de aangeefster is geweest, dezelfde persoon is als die welke door [naam 1] en [naam 2] is achtervolgd en die in de woning aan de [adres] is aangehouden. De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe als volgt.

Getuige [naam 1], de bovenbuurman van de aangeefster, is omstreeks 04:00 uur ’s nachts de straat op gegaan nadat hij iemand luid had horen schreeuwen (p. 106 e.v.). Daar zag hij een man uit de richting van de woning van aangeefster komen lopen. De man liep eerst rustig, maar toen de getuige ‘stop’ tegen hem zei, begon hij weg te rennen. [naam 1] is deze persoon achterna gerend, samen met getuige [naam 2], die deze man een woning aan de [adres] in zag gaan (p. 113 e.v.). De politie heeft verdachte in dit pand op zolder aangetroffen, bezweet en “verstopt” zittend op een paar planken. De getuige [naam 1] heeft verdachte herkend als de man die hij bij de woning van aangeefster heeft zien wegrennen. Daarbij komt dat de aangeefster heeft verklaard dat zij heeft gevoeld dat de dader stoppels op zijn gezicht had (p. 37) en dat de politieagenten die verdachte hebben aangehouden, zagen dat verdachte stoppeltjes op zijn kin en wangen had (p. 122).

Deze omstandigheden overziend acht de rechtbank de kans dat een ander dan verdachte de dader is dermate klein, dat zij de overtuiging heeft bekomen dat verdachte in de woning van aangeefster is geweest en zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 telastegelegde. De rechtbank kwalificeert de gedragingen van verdachte als begin van uitvoering van de voorgenomen verkrachting, daar zij naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf.

De raadsman heeft tevens om vrijspraak van het onder 5 telastegelegde verzocht omdat enerzijds het aangetroffen spermaspoor van verdachte op het tapijt niet betekent dat verdachte in de woning van de aangeefster heeft geëjaculeerd en anderzijds de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn omdat die onsamenhangend zijn. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is dat het spermaspoor, waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van verdachte, buiten de woning van aangeefster op haar tapijt is terechtgekomen. Aangeefster heeft verklaard dat de dader op haar tapijt is klaargekomen. Daarbij is een tapijt een goed dat normaal gesproken niet van hand tot hand gaat en verdachte heeft niets verklaard dat aannemelijk kan maken dat hij zijn sperma elders – buiten de woning van aangeefster – op dit tapijt heeft achtergelaten. Voorts acht de rechtbank de verklaringen van de aangeefster voldoende betrouwbaar. Aangeefster heeft twee keer in grote lijnen consistent verklaard en er zijn geen deugdelijke aanwijzingen dat zij heeft verzonnen dat zij is verkracht, integendeel: in overeenstemming met haar verklaringen is er een spermaspoor op haar tapijt gevonden, is door de politie waargenomen dat de hordeur was verbogen en is door de politie en door een arts bloed en/of letsel bij aangeefster in haar gezicht waargenomen.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A:

1. primair

op 17 november 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een feitelijkheid [slachtoffer1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, het raam van de woning van die [slachtoffer1] geopend en is hij vervolgens door het raam naar binnen geklommen en is hij, verdachte, met grote passen naar die [slachtoffer1] toegelopen en heeft hij die [slachtoffer1] vervolgens met kracht met beide handen bij haar armen vastgepakt en vastgehouden en zijn hand op de mond van die [slachtoffer1] gehouden toen die [slachtoffer1] om hulp schreeuwde en heeft hij, verdachte, toen hij achter die [slachtoffer1] stond, zijn onderlichaam stevig tegen de billen van die [slachtoffer1] aangedrukt en aangedrukt gehouden en vervolgens met beide handen in de borsten van die [slachtoffer1] vastgepakt en geknepen en de billen van die [slachtoffer1] betast;

5. op 02 juni 2007 te Amsterdam door geweld en feitelijkheden [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], immers heeft verdachte

- die [slachtoffer 4] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, vinger in de anus van die [slachtoffer 4] duwde en

- die [slachtoffer 4] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer 4] duwde en

- die [slachtoffer 4] gedwongen zijn, verdachtes, penis vast te pakken en hem af te trekken en

- het lichaam van die [slachtoffer 4] betast,

en bestaande dat geweld en die feitelijkheden hierin dat verdachte

- de hor van het raam heeft verbogen en geforceerd en via het raam de woning en van die [slachtoffer 4] is binnengegaan en

- vervolgens die [slachtoffer 4] heeft vastgepakt en

- die [slachtoffer 4] onder het bed vandaan heeft getrokken en

- het gezicht van die [slachtoffer 4] met veel kracht opzij heeft geduwd en

- op die [slachtoffer 4] is gaan liggen,

en aldus voor die [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Ten aanzien van zaak B:

op of omstreeks 17 november 2007 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1 primair, 3, 4 en 5 bewezengeachte feiten en het door haar in zaak B bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft de vordering van de benadeelde partij volledig toewijsbaar geacht en heeft toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd voor het toe te wijzen bedrag.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkrachting en een poging daartoe. De feiten vonden plaats gedurende de nacht en in de eigen woning van de vrouwen, bij uitstek de omgeving waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Door een zedendelict worden de geestelijke en lichamelijke integriteit van een slachtoffer ernstig geschonden. Zoals bekend mag worden verondersteld, hebben seksuele delicten voor de slachtoffers vaak ernstige en langdurige psychische gevolgen. Feiten zoals door verdachte gepleegd veroorzaken ook bij vele anderen gevoelens van onveiligheid en onrust.

Verdachte heeft getracht een vrouw te verkrachten door haar vast te pakken en te betasten op haar borsten en billen. Het slachtoffer heeft onderwijl geschreeuwd, waardoor de aandacht van een toevallige passant werd getrokken. Toen deze passant de woning inkeek, liet verdachte het slachtoffer los en vluchtte hij weg. Blijkens de slachtofferverklaring en de toelichting bij de vordering van het slachtoffer als benadeelde partij heeft het slachtoffer aan deze gebeurtenis langdurige psychische schade overgehouden, onder meer tot uitdrukking komend in slecht slapen, schrikachtigheid en prikkelbaarheid.

De vrouw die slachtoffer is geworden van verkrachting had de leeftijd van 73 jaar. Iemand van die leeftijd is verminderd weerbaar en dus gemakkelijk te overmeesteren. Het slachtoffer heeft nog geprobeerd weg te kruipen onder haar bed, maar verdachte heeft haar daaronder vandaan gesleept en is bovenop haar gaan liggen. Toen verdachte zijn penis in haar vagina trachtte te duwen, heeft het slachtoffer zijn penis gepakt en hem afgetrokken om te voorkomen dat hij in haar vagina zou ejaculeren. Verdachte heeft met zijn vinger in de anus van het slachtoffer gezeten. Het is schrijnend dat een bejaarde vrouw zich in haar eigen woning niet veilig kan voelen omdat zij machteloos is tegenover iemand die zijn seksuele lusten ten koste van haar bevredigt.

Het is zorgelijk dat verdachte zich tot tweemaal toe schuldig heeft gemaakt aan een zedendelict, terwijl hij – blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie – in 1998 al is veroordeeld voor ontucht met een minderjarige. Daarbij heeft verdachte op geen enkele manier verantwoording afgelegd voor zijn daden. Verdachte heeft niet echt meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Hij heeft geen blijk gegeven zich te realiseren wat hij zijn slachtoffers heeft aangedaan en van spijt zijnerzijds is niet gebleken. Door de houding van verdachte niet kan worden aangenomen dat hij het verwerpelijke van zijn daden inziet, iets dat niet positief bijdraagt aan de inschatting van het recidiverisico.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verblijf in Nederland als ongewenst vreemdeling. Daardoor heeft hij bewust een door het bevoegde gezag genomen besluit overtreden en heeft daarmee het Nederlandse vreemdelingenbeleid doorkruist. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is verdachte reeds eerder ter zake artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf.

De raadsman heeft verzocht de straf te matigen omdat gelet op de nieuwe wet aangaande de vervroegde invrijheidstelling, in samenhang met de omstandigheid dat verdachte bij invrijheidstelling onmiddellijk een strafbaar feit zal plegen omdat hij ongewenst verklaarde vreemdeling is, niet te verwachten is dat verdachte in aanmerking komt voor vervroegde invrijheidstelling. De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter geen rekening met de door de raadsman verwachte uitwerking van de nieuwe wetgeving voor verdachte, aangezien de toepassing van dit nieuwe regime niet behoort tot het kader van artikel 350 Wetboek van Strafvordering, waarbinnen de strafrechter oordeelt.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging aanmerkelijk af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie en gelet op hetgeen doorgaans in vergelijkbare zaken aan straf wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 1 bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 705,- (zevenhonderdenvijf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 november 2007, tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 197 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 3 en 4 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair en 5 en het in zaak B telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

In zaak A:

1. primair

Poging tot verkrachting.

5. Verkrachting.

In zaak B:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

? Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

? Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 705,- (zevenhonderdenvijf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 november 2007, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], te betalen de som van € 705,- (zevenhonderdenvijf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 november 2007, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. Q.R.M. Falger en E.D.M. Knegt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. Zaagsma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2009.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te onderteken.