Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BN3609

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
364211 - HA ZA 07-657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. O.m. incident ex art 223 Rv. Terugkomen op bindende eindbeslissing. Begrip ongeval onder Verdrag van Montreal. Vervolg op vonnis van 20 mei 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 364211 / HA ZA 07-657

Vonnis van 18 november 2009

in de zaak van

[A],

wonende te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak, tevens eiseres in het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen,

advocaat mr. A.C.R. Molenaar,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

EL AL ISRAEL AIRLINES LTD,

gevestigd te Tel Aviv (Israël),

gedaagde in de hoofdzaak, tevens verweerder in het incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen,

advocaat mr. M.R. Oranje.

Partijen zullen hierna [A] en El Al genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2009,

- de brief van El Al d.d. 5 juni 2009,

- de brief van [A] d.d. 17 juni 2009,

- de brief van de rechtbank d.d. 26 juni 2009,

-de akte van El Al d.d. 1 juli 2009, met producties,

-de antwoordakte, tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de zijde van [A], d.d. 29 juli 2009, met producties,

-de conclusie van antwoord in het incident van El Al d.d. 12 augustus 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. In r.o. 6.6. van het vonnis d.d. 20 mei 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Verdrag van Warschau van 12 oktober 1929 alsmede de in r.o. 6.5 van dat vonnis genoemde Protocollen bij dat Verdrag van toepassing zijn op de vervoersovereenkomst tussen [A] en El Al. De rechtbank heeft El Al vervolgens in de gelegenheid gesteld om, kort gezegd, zich bij akte uit te laten over de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van een “ongeval” in de zin van artikel 17 van het Verdrag van Warschau en of al dan niet sprake is van overmacht als bedoeld in artikel 20 van dat Verdrag. De rechtbank heeft El Al ook in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aansprakelijkheid op grond van het Verdrag van Warschau voor het verlies van de oorbel.

2.2. Bij brief van 5 juni 2009 heeft El Al de rechtbank verzocht om de beslissing in het tussenvonnis ten aanzien van het toepasselijke verdragsregime in heroverweging te nemen, althans om El Al toe te staan een akte te nemen waarbij zij zich kan uitlaten over het toepasselijke verdragsregime. Bij brief van 17 juni 2009 heeft [A] zich hiertegen verzet.

2.3. De rechtbank heeft El Al bij brief van 26 juni 2009 – voorzover hier van belang – medegedeeld dat het El Al vrij staat om in de door haar te nemen akte te bepleiten dat anders beslist dient te worden omtrent het in deze zaak toepasselijke verdragsregime dan is geoordeeld in het tussenvonnis d.d. 20 mei 2009. El Al werd verzocht daarbij ook in te gaan op de vraag of in dit geval teruggekomen kan worden van de in r.o. 6.6. van het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing.

2.4. El Al heeft bij akte toegelicht waarom naar haar mening een andere beslissing dient te worden genomen omtrent het toepasselijk verdragsregime dan in het tussenvonnis d.d. 20 mei 2009 in r.o. 6.6 is omschreven. In haar akte is El Al ook ingegaan op de vraag of in dit geval teruggekomen kan worden van een gegeven bindende eindbeslissing. [A] heeft bij antwoordakte gereageerd. Daarbij heeft zij tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. El Al heeft bij conclusie van antwoord in het incident verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.

3. De incidentele vordering ex artikel 223 Rv

3.1. [A] verzoekt de rechtbank:

-te bevelen dat El Al uiterlijk binnen drie dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis bij wijze van voorlopige voorziening aan verzoekster verschuldigd is een bedrag ter zake van inkomstenderving van € 1.320 netto per maand, te rekenen vanaf januari 2006, althans een bedrag zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

-El Al te veroordelen de kosten van rechtsbijstand aan [A] te vergoeden vanaf 14 mei 2008, dan wel tot het betaalbaar stellen van een voorschot van € 5.000,00, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

-El Al te veroordelen in de kosten van het incident.

3.2. El Al voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4. De verdere beoordeling in de hoofdzaak

4.1. El Al heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 20 mei 2009 met betrekking tot de toepasselijkheid van het Verdrag van Warschau niet juist is. El Al heeft naar voren gebracht dat zij tijdens de comparitie van partijen op 30 oktober 2007 heeft toegelicht dat sprake is van een retourvlucht van Schiphol naar Schiphol met een overeengekomen tussenstop in Tel Aviv en dat op grond van artikel 1, lid 2 van het Verdrag van Montreal om die reden dit Verdrag op de vervoersovereenkomst met [A] van toepassing is. El Al heeft erop gewezen dat [A] in haar aantekeningen ter comparitie eveneens heeft verwezen naar het Verdrag van Montreal. El Al heeft verder gewezen op een kopie van de vliegticket van [A], overgelegd als productie 1 bij dagvaarding. El Al meent dat de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 20 mei 2009 ten onrechte uit is gegaan van – uitsluitend – een vlucht van Amsterdam naar Tel Aviv. Op grond daarvan dient de rechtbank volgens El Al terug te komen van het vonnis d.d. 20 mei 2009 en alsnog te beslissen dat het Verdrag van Montreal van toepassing is op de vervoersovereenkomst met [A].

4.2. [A] heeft zich verzet tegen het verzoek van El Al terug te komen van het tussenvonnis. [A] heeft, kort gezegd, aangevoerd dat het standpunt van El Al dat geen discussie meer bestond over het toepasselijke verdragsregime, onjuist is.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. De door de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 20 mei 2009 genomen beslissing dat op de vervoersovereenkomst tussen [A] en El Al het Verdrag van Warschau van toepassing is, steunt op de volgende stellingen van partijen waaruit geconcludeerd werd dat sprake was van een (enkele) vlucht van Schiphol, Amsterdam naar Tel Aviv. De dagvaarding vermeldt: “Op 15 januari 2006 (…) is eiseres een ongeval overkomen aan boord van een luchtvaartuig van El Al Israel Airlines, voor vertrek van vlucht LY337 vanaf de luchthaven Schiphol te Amsterdam, op weg naar Tel Aviv, Israël”, terwijl de conclusie van antwoord spreekt van een “vlucht (…) van Schiphol naar Tel Aviv”. Ook overigens kwam uit het dossier niet naar voren dat de vervoersovereenkomst een retourvlucht Schiphol – Schiphol (via Tel Aviv) betrof, zoals El Al thans stelt.

4.4. El Al baseert het standpunt dat sprake was van een retourvlucht van Schiphol naar Schiphol met een tussenstop in Tel Aviv op productie 1 zoals overgelegd bij dagvaarding. Productie 1 is een (slecht leesbare kopie van de) vliegticket en instapkaart. El Al stelt dat uit deze productie blijkt dat de vervoersovereenkomst een retourvlucht van Amsterdam naar Amsterdam, via Tel Aviv betrof.

4.5. Dat het reisschema is verlopen zoals El Al stelt, is door [A] niet betwist. [A] stelt zich echter op het standpunt dat daarbij als plaats van vertrek Tel Aviv moet worden aangemerkt, dat een tussenlanding op Schiphol is gemaakt, en dat als plaats van bestemming tevens Tel Aviv moet worden aangemerkt, omdat de hoofdzetel van El Al is gelegen in Tel Aviv. Ingevolge artikel 2, lid 1 juncto artikel 1, lid 2 van het Verdrag van Montreal is dit Verdrag in verband daarmee niet van toepassing, aldus [A].

4.6. De rechtbank ziet, anders dan [A], niet in op welke wijze uit genoemde bepalingen volgt dat het Verdrag van Montreal niet van toepassing is, nu artikel 2 van dat Verdrag ziet op vervoer dat wordt verricht door de verdragsluitende Staat zelf en daarvan in de onderhavige situatie geen sprake is. Ook anderszins valt niet in te zien dat het feit dat El Al haar hoofdzetel in Tel Aviv heeft, toepasselijkheid van het Verdrag van Montreal uitsluit. Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat [A] en El Al een vervoersovereenkomst hebben gesloten ten aanzien van vervoer van Amsterdam naar Amsterdam via Tel Aviv en dat, anders dan in het tussenvonnis is overwogen, gelet op artikel 1, lid 2 van het Verdrag van Montreal dat Verdrag van toepassing is op de vervoersovereenkomst tussen [A] en El Al.

4.7. De beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 20 mei 2009 over het toepasselijke verdragsregime berust dus op een onjuiste feitelijke grondslag omdat in dat tussenvonnis ten onrechte uitgegaan werd van een enkele reis Amsterdam – Tel Aviv en niet van een retourvlucht Amsterdam – Amsterdam met tussenstop Tel Aviv. Hoewel uitgangspunt is dat de rechter van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen beslissing in een tussenvonnis niet mag terugkomen, wordt in dit geval in de eisen van een goede procesorde en om te voorkomen dat de einduitspraak tevens op een ondeugdelijke feitelijk grondslag komt te berusten, aanleiding gezien alsnog te oordelen dat op de vervoersovereenkomst tussen [A] en El Al het Verdrag van Montreal van toepassing moet worden geacht.

Schade als gevolg van letsel

4.8. Voor de verdere beoordeling van de vraag of El Al op grond van de vervoersovereenkomst aansprakelijk is jegens [A], dient beoordeeld te worden of het incident zoals dat aan boord van het vliegtuig heeft plaatsgevonden, kan worden gekwalificeerd als “ongeval” in de zin van artikel 17 van het Verdrag van Montreal.

4.9. Artikel 17 van het Verdrag van Montreal luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van dood of lichamelijk letsel van een passagier, op grond van het enkele feit dat het ongeval dat de dood of het letsel heeft veroorzaakt plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig”. Artikel 17 formuleert een risicoaansprakelijkheid. Artikel 21 bepaalt dat indien de vervoerder kan bewijzen dat de schade niet te wijten was aan zijn schuld of de schuld van zijn hulppersonen, dan wel dat de schade uitsluitend te wijten was aan schuld of nalatigheid van een derde, de vervoerder niet aansprakelijk is voor zover de schade 100.000 SDR te boven gaat. Daarnaast geeft artikel 20 een algemene uitzondering: indien de vervoerder bewijst dat schuld of nalatigheid van degene die de schade vordert, heeft bijgedragen aan de schade, kan de vervoerder geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn aansprakelijkheid.

4.10. Nu de teksten van de artikelen 17 van de Verdragen van Warschau en Montreal nauwelijks van elkaar verschillen en de (internationale) jurisprudentie met betrekking tot dit artikel zich in eerste instantie op basis van het Verdrag van Warschau heeft ontwikkeld en later langs dezelfde lijn op basis van het Verdrag van Montreal, zal de rechtbank de standpunten die [A] heeft ingenomen in het kader van de vraag of sprake is van een “ongeval” bij de beoordeling betrekken, ook al zijn deze standpunten ingenomen op basis van de veronderstelling dat het Verdrag van Warschau van toepassing is.

4.11. [A] heeft zich op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak sprake is van een “ongeval”, nu dat begrip volgens haar moet worden gedefinieerd als “an unexpected or unusual event or happening that is external to the passenger”. (Air France v. Saks, 471 U.S. 392 (1985)).

4.12. Om als “ongeval” gekwalificeerd te kunnen worden, dient schade veroorzaakt

te worden door een gebeurtenis die geheel buiten de persoon ligt die schade vordert. Het dient verder te gaan om een onverwachte of ongewone gebeurtenis, die afwijkt van de normale gang van zaken tijdens het instappen, uitstappen, of de vlucht zelf. Dat sprake is van een gebeurtenis die geheel buiten de persoon van [A] ligt, is tussen partijen niet in geschil, nu immers vast staat dat een medepassagier een bagagestuk (volgens [A] een koffer) op [A] heeft laten vallen. Verder is niet in geschil dat die gebeurtenis onverwacht en ongewoon was. Om te kunnen spreken van een ongeval in de zin van artikel 17 van het Verdrag van Montreal moet echter niet alleen sprake zijn van een onverwachte of ongewone gebeurtenis die buiten de persoon van [A] ligt, maar moet ook voldoende verband bestaan tussen die gebeurtenis en het vervoer.

4.13. Voor wat betreft het ontbreken van enig verband tussen het luchtvervoer en het incident heeft El Al gewezen op het arrest van het gerechtshof te Amsterdam, 28 augustus 2003, SES 2004/56 in de zaak Ypma/Martinair. In die procedure was sprake van een koffer die door toedoen van een medepassagier op het hoofd van de eiser ([B]) viel. Ook in de onderhavige zaak heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat, net als in genoemde procedure, de enige relatie die bestond tussen de val van het bagagestuk en het vervoer door El Al werd gevormd door de omstandigheid dat die gebeurtenis aan boord van een luchtvaartuig van El Al plaatsvond. Gelet op de bedoeling en betekenis van artikel 17 van het Verdrag van Montreal ontbreekt (ook) in dit geval het vereiste verband tussen aan het luchtvervoer verbonden risico’s en de val van het bagagestuk om te kunnen spreken van een “ongeval” als bedoeld in genoemde verdragsbepaling.

4.14. Voor zover [A] nog heeft willen betogen dat El Al ten onrechte geen ongevalrapportage van het incident heeft opgemaakt en dat zulks tot aansprakelijkheid van El Al op grond van de vervoersovereenkomst leidt, kan zij daarin niet worden gevolgd. Nalatig handelen van El Al na de val van het bagagestuk, maakt niet dat die val alsnog als ongeval in de zin van artikel 17 van het Verdrag van Montreal kan worden aangemerkt. Het achterwege laten van het opmaken van ongevalrapportage heeft bovendien niet tot de schade geleid waarvan [A] vergoeding vordert.

4.15. [A] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat El Al aansprakelijk is voor de door haar geleden schade op grond van artikel 6:170, dan wel artikel 6: 162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). El Al erkent dat het [A] vrij staat om ondanks toepasselijkheid van een verdragsrechtelijk regime haar op de buitencontractuele grondslag van genoemde bepalingen aan te spreken.

4.16. [A] heeft gesteld dat personeel van El Al controle van het gewicht en de afmetingen van de koffer die op haar hoofd is gevallen bij het inchecken ten onrechte achterwege heeft gelaten. [A] heeft verder betoogd dat het cabinepersoneel de medereiziger van [A] conform de werkinstructies had moeten assisteren bij het opbergen van de koffer.

4.17. El Al heeft betwist dat haar personeel nalatig is geweest en dat onvoldoende controle heeft plaatsgevonden op de afmetingen en het gewicht van het bagagestuk bij het inchecken. In de Y/class waarmee [A] reisde, is het maximaal toegestane gewicht van handbagage 8 kilogram. De maximale afmetingen van handbagage zijn 22 inch x 17 inch x 10 inch. Verder voert El Al aan dat aan boord van haar vliegtuigen, zoals bij iedere luchtvaartmaatschappij, als uitgangspunt geldt dat passagiers zelf hun bagage opbergen en dat cabinepersoneel zonodig assisteert, maar dat de passagiers zelf verantwoordelijk blijven. Het helpen van passagiers is volgens El Al geen vanzelfsprekendheid.

4.18. Uit de overgelegde werkinstructies voor het cabinepersoneel van El Al blijkt dat de cabinebemanning “ (…) will help (the passengers) with the placing of hand bags in the bins”. Uit deze bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer een verplichting om te assisteren bij het plaatsen van handbagage in de bagagevakken, zoals [A] heeft gesteld. Met El Al is de rechtbank van oordeel dat het de gebruikelijke gang van zaken is dat passagiers zelf hun handbagage in de vakken plaatsen en dat zij daarbij uit oogpunt van service eventueel en waar mogelijk geassisteerd worden door de bemanning. Dat de bemanning de medepassagier van [A] niet heeft geassisteerd, is niet aan te merken als fout in de zin van artikel 6:170 lid 1 BW waar El Al voor aansprakelijk is.

4.19. El Al bestrijdt niet dat indien haar personeel het bagagestuk ten onrechte als handbagage heeft toegelaten tot de cabine van het vliegtuig terwijl dat bagagestuk gelet op het gewicht en de afmetingen vervoerd had moeten worden in het vrachtruim, dat is aan te merken als fout in de zin van artikel 6:170 lid 1 BW waar El Al voor aansprakelijk is, zij het dat die aansprakelijkheid volgens El Al niet verder gaat dan zij op grond van de bepalingen van het Verdrag van Montreal zou zijn.

4.20. In het standpunt van [A] dat El Al onvoldoende controle heeft uitgeoefend op de handbagage en dat zij daardoor schade heeft geleden, ligt besloten dat het bagagestuk volgens haar niet voldeed aan de eisen van handbagage. Immers, een fout van personeel van El Al bij controle op de handbagage is voor de onderhavige zaak uitsluitend van belang indien het bagagestuk van de medepassagier niet voldeed aan de voorschriften voor wat betreft maximaal gewicht en afmetingen. In het andere geval heeft El Al weliswaar onvoldoende controle uitgeoefend op de handbagage, maar is dat niet van belang omdat het bagagestuk dat bovenop [A] is gevallen wél aan de voorschriften voldeed. Hoewel [A] met betrekking tot het bagagestuk uitsluitend in algemene bewoordingen naar voren heeft gebracht dat het een (rol)koffer was, zal zij dan ook overeenkomstig haar aanbod tot bewijslevering als hierna te melden worden toegelaten.

Schade wegens verlies van oorbel

4.21. Het standpunt van El Al dat artikel 31 van het Verdrag van Montreal voorziet in een klachttermijn voor schade aan bagage of goederen en dat [A] geen aanspraak heeft op vergoeding van schade wegens verlies van een oorbel omdat zij niet tijdig haar klacht of protest aan El Al ter kennis heeft gebracht, kan niet worden gevolgd. De oorbel is niet aan te merken als bagage of goed dat ter vervoer is aangegeven. Voor schade aan persoonlijke bezittingen, waaronder de rechtbank de oorbel begrijpt, is El Al aansprakelijk indien de schade voortvloeit uit zijn schuld of die van hulppersonen (artikel 17, lid 2 Verdrag van Montreal) dan wel indien sprake is van aansprakelijkheid van El Al op grond van artikel 6:107 lid 1 BW. Verdere beoordeling zal in afwachting van de resultaten van de hiervoor bedoelde bewijslevering worden aangehouden.

In het incident

4.22. Beoordeeld moet worden of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Dat echter is gelet op de bewijslevering die in de hoofdzaak dient plaats te vinden niet het geval. De gevraagde voorlopige voorziening is niet toewijsbaar. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van El Al (in het incident) worden begroot op:

- salaris advocaat € 384,00 (1 punt × tarief € 384,00)

Totaal € 384,00

5. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

5.1. laat [A] toe tot het bewijs dat het bagagestuk dat bovenop haar is gevallen zwaarder was dan 8 kilogram of groter was dan 22 inch x 17 inch x 10 inch;

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 december 2009 voor opgave door [A] van de getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2009, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.3. bepaalt dat [A], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct ter rolle van 16 december 2009 in het geding moet brengen;

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan;

In het incident

5.5. wijst de vorderingen af,

5.6. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van El Al tot op heden begroot op € 384,00,

5.7. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2009.?