Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL9064

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
AWB 08-740 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht. Plaatsing na een reorganisatie. De oude functie van eiser is omgezet in de nieuwe functie. Er is sprake van een functievolger, zodat de passendheid van de nieuwe functie niet meer aan de orde komt. Het beroep op artikel 7:11 van de Awb faalt. De rechtbank heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, aangezien eiser enigszins op het verkeerde been is gezet nu verweerder op allerlei aspecten van de functietypering/waardering in het bestreden besluit is ingegaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/740 AW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. W. de Klein,

en

de korpsbeheerder van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. de Leeuw.

1. Procesverloop

Eiser is sinds 1 april 2001 werkzaam bij het onderdeel Bureau Ondersteuning van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (hierna: het Korps).

Bij primair besluit van 26 februari 2007 heeft verweerder eiser in het kader van een reorganisatie van de Bureaus Opsporing aan de Districten geplaatst in de organieke functie van Projectleider A, gewaardeerd in salarisschaal 9, bij het Bureau Opsporing.

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op

8 oktober 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Feiten

Eiser is met ingang van 1 april 2001 bij verweerder aangesteld als Projectleider, gewaardeerd in schaal 9. Nadat verweerder op 4 juli 2006 de functietypering van Projectleider A, gewaardeerd in schaal 9 heeft vastgesteld, is eiser bij het primaire besluit van 26 februari 2007 in deze functie geplaatst.

2.2 Standpunten partijen

2.2.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit – samengevat – overwogen dat na de reorganisatie van het Korps de functie van eiser naar inhoud nagenoeg ongewijzigd is gebleven, maar dat er een andere functietypering aan is gegeven. Verweerder heeft de oude, de nieuwe en de door eiser gewenste functietypering met elkaar vergeleken op de omschrijving van hoofdbestanddelen. Binnen het kader van het systeem van de organieke functiebeschrijving en waardering is gebruik gemaakt van het referentiemateriaal van de Nederlandse politie. De functie van Projectleider A/9 behoort tot het onderdeel Projectleiders en valt binnen het werkveld Opsporing/Leiding van het Korps. De functienaam met het gebruik van de term “project” in de functietypering Projectleider A/9 moet gezien worden in het stramien van de gewenste organisatorische en personele indeling zoals door het Korps is bedoeld. Een Projectleider geeft leiding aan een wisselende groep mensen in het kader van de werkzaamheden die verricht worden op de Bureaus Opsporing. In die zin passen de wisselende werkzaamheden zoals uitgevoerd door eiser binnen de beschrijvingen van de functietypering Projectleider A/9. Aan het gebruik van de term “project” in de functietypering Projectleider A/9 kan niet een dusdanig gewicht gegeven worden, dat gesteld kan worden dat de beschreven werkzaamheden geen aansluiting hebben met de door eiser uitgevoerde werkzaamheden. De essentie van de werkzaamheden van eiser zijn in de functietypering van Projectleider A/9 terug te vinden.

2.2.2 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij een functiebeschrijving het systeem van functiewaardering en de daarin opgenomen referentiefuncties tot uitgangspunt neemt. Deze referentiefuncties, bedoeld voor functiewaardering ten behoeve van de gehele Nederlandse politie, vertaalt verweerder vervolgens één-op-één naar een organieke functiebeschrijving welke geldt voor de individuele ambtenaar, in dit geval eiser, en zoals tewerkgesteld binnen het gezagsbereik van verweerder. Verweerder heeft gebruik gemaakt van specifiek door de minister vastgesteld referentiemateriaal, waarbij de minister gebruik heeft gemaakt van diens bevoegdheid op grond van artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Door de handelswijze van verweerder ontstaat een onaanvaardbare discrepantie tussen de door verweerder vastgestelde organieke functiebeschrijving en de daadwerkelijke opgedragen werkzaamheden in de praktijk van alle dag. Verweerder heeft op onjuiste wijze het systeem van functiewaardering voor de Nederlandse politie toegepast.

Indien het referentiemateriaal gebruikt dient te worden is eiser van oordeel dat sprake dient te zijn van de referentiefunctie ‘Operationeel leidinggevende A’, gewaardeerd in salarisschaal 9. Deze functietypering past beter bij de huidige werkzaamheden in vergelijking met de oude en nieuwe functietypering. Daarbij is de oude functietypering uitgehold ten aanzien van de nieuwe functietypering.

De door verweerder ingestelde plaatsingsadviescommissie, noch diens hoor- en adviescommissie ten behoeve van de bezwaarschriftprocedure, is in voldoende mate ingegaan op hetgeen door eiser is aangevoerd. De verplichting op grond van artikel 7:11, eerste lid van de Awb heeft verweerder geschonden, waarmee het bestreden besluit niet op een deugdelijke wijze is gemotiveerd. Verweerder heeft op onjuiste wijze het systeem van functiewaardering toegepast.

2.3 Beoordeling van het bestreden besluit

2.3.1 De rechtbank ziet zich in dit geding uitsluitend voor de vraag gesteld of het besluit tot plaatsing van eiser in de functie van projectleider A op goede gronden is genomen.

2.3.2 Allereerst merkt de rechtbank op dat voor zover eiser heeft bedoeld tegen de vaststelling van de functietypering of de functiewaardering op te komen, deze rechtbank al eerder (zie onder meer de uitspraken van de meervoudige kamer van 23 september 2009 en 25 september 2009, te vinden op rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BJ8553, BJ8555, BJ8556, BJ8558, BJ8559) in rechte heeft vastgesteld dat de vaststelling van een functietypering of een functiewaardering buiten de omvang van het geding valt in de situatie dat er sprake is van een functievolger. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag naar de passendheid van die nieuwe functie zoals in het kader van de reorganisatie is vastgesteld niet aan de orde. Evenmin is dan aan de orde of, naar eiser stelt, de nieuwe functie van Operationeel leidinggevende A voor hem (meer) passend is en, zo ja, of dit betekent dat hij daarin had moeten worden benoemd.

2.3.3 Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of verweerder eiser terecht heeft aangemerkt als een functievolger, wiens oude functie “één-op-één” is teruggekeerd in de nieuwe functie van projectleider A. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van 6 mei 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer: AO9317

2.3.4 Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de functie waarin eiser bij het primaire besluit is geplaatst wel kan worden aangemerkt als de voortzetting van zijn oude functie. In de nieuwe functietypering wordt de functie weliswaar in andere bewoordingen getypeerd, maar inhoudelijk liggen de typeringen op één lijn. Eiser heeft voorheen nimmer bestreden dat zijn oude functietypering niet overeenkwam met de door hem (destijds) feitelijk verrichte opgedragen werkzaamheden. Eiser heeft bijvoorbeeld ook nooit om een functieonderhoud gevraagd. In het kader van de reorganisatie is zijn oude functie dan ook omgezet in zijn nieuwe functie en is hij in die functie geplaatst. Nu eiser is teruggekeerd in zijn eigen functie en er geen sprake is van herplaatsing, is de vraag naar de passendheid van de functie gelet op de genoemde jurisprudentie van de CRvB niet meer aan de orde.

2.3.5 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit uit deelbesluiten bestaat: het besluit tot plaatsing na reorganisatie en het besluit tot het van toepassing verklaren van een bepaalde functiebeschrijving. Gesteld is dat verweerder daarmee Awb-technisch de uiterste grenzen van het geding heeft bepaald en het dus ook aan eiser is om te bepalen waartegen hij precies opkomt als het gaat om het bestreden besluit. Eiser beroept zich hierbij op artikel 7:11, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee is de gemachtigde van eiser van mening dat de rechtbank in tegenstelling tot eerder genoemde uitspraken van deze rechtbank (genoemd onder 2.3.2) een volle toets zou behoren aan te leggen en dus ook de functiebeschrijving op haar houdbaarheid in rechte zou moeten toetsen.

2.3.6 De rechtbank kan eiser hierin niet volgen, en overweegt daartoe als volgt .

Naar vaste jurisprudentie geeft artikel 4:6 van de Awb voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, maar laat het vrij om inhoudelijk op zo'n aanvraag te beslissen.

Het ne bis in idem beginsel geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van op grond van de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet voor de tweede keer aan de rechter worden voorgelegd. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in discretie, noch op een andere manier in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader dan ook, indien het bestuursorgaan geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Dit geldt zelfs in het geval dat alle partijen hebben ingestemd met een volledige inhoudelijke beoordeling. De regels inzake de toegang tot de rechter staan immers niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.

2.3.7 In deze zaak heeft verweerder ambtshalve het primaire besluit genomen tot plaatsing in de functie van Projectleider A. Het door eiser aangevochten primaire besluit betreft dus alleen deze plaatsing. Vast staat dat verweerder in de bezwaarfase zeer ruim heeft getoetst en op alle in bezwaar aangevoerde gronden en dus ook die met betrekking tot de functiebeschrijving/waardering is ingegaan. De beschrijving en waardering van de functie van Projectleider A is echter bij besluit van 4 juli 2006 onherroepelijk geworden.

Gelet op het hiervóór geschetste verschil in toetsingskader tussen bestuur en rechtbank, heeft de rechtbank zich te onthouden van een oordeel met betrekking tot de functiewaardering en -typering, ondanks het feit dat verweerder daarop wel is ingegaan in het bestreden besluit.

De rechtbank kan uitsluitend oordelen over de plaatsing in een bepaalde functie.

Alles wat namens eiser is aangevoerd met betrekking tot artikel 7:11 van de Awb (dat niet ziet op de rechterlijke, maar op de bestuurlijke oordeelsvorming), stuit hierop af.

Bovenstaande overwegingen leiden er dan ook toe dat deze beroepsgrond wordt verworpen.

2.3.8 Ter zitting is nog aangevoerd dat weliswaar de opgedragen werkzaamheden van vóór de reorganisatie dezelfde zijn als van na de reorganisatie, maar dat er steeds meer werkzaamheden bij zijn gekomen waarmee de oude functie typering is uitgehold. Ook stelt eiser dat de feitelijk opgedragen werkzaamheden (nog steeds) niet stroken met zijn functietypering, zoals deze ook vóór de reorganisatie gold. Deze genoemde ontwikkelingen staan naar het oordeel van de rechtbank los van de reorganisatie en leiden er evenmin toe, zoals ook al onder 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen, dat geen sprake zou zijn van een “functievolger” in vorenbedoelde zin.

2.3.9 Gelet op bovenstaande overwegingen zullen de beroepsgronden, zoals weergegeven onder 2.2.2 en die betrekking hebben op de passendheid van de functie in relatie tot de feitelijke werkzaamheden van eiser, evenals het systeem van functiewaardering verder buiten beschouwing blijven.

2.3.10 Eiser heeft tenslotte nog verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 1 juli 1999, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer: AA8646. Deze uitspraak gaat naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser niet op nu het geschil in deze zaak niet gaat over de functietypering en functiewaardering, maar over de plaatsing in een bepaalde functie.

2.3.11 Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit stand kan houden en het beroep ongegrond zal worden verklaard.

2.3.12 De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder is in het bestreden besluit op allerlei aspecten van de functietypering/waardering ingegaan, heeft daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de functiewaardering/typering en de plaatsing in een bepaalde functie en verweerder heeft onder het bestreden besluit een beroepsclausule opgenomen waarin eerder genoemd onderscheid ook niet wordt gemaakt. Tenslotte heeft verweerder ook in het verweerschrift volhard in zijn standpunt. Nu het hier slechts gaat om het besluit tot plaatsing in de functie van projectleider A is eiser naar het oordeel van de rechtbank in die zin enigszins op het verkeerde been gezet.

Op grond hiervan ziet de rechtbank dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden vastgesteld op € 32,30 aan verletkosten, opgebouwd uit twee uur afwezigheid van zijn werk ten einde de zitting bij te wonen à € 16,15 per uur.

Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, welke zijn begroot op € 644,00 als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient het door eiser betaalde griffierecht van € 143,00 aan hem te worden vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, aan de zijde van eiser begroot op € 32,30 (zegge tweeëndertig euro en dertig cent)

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door verweerder aan eiser.

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderd drieënveertig euro) aan eiser vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.L. van Hof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB O