Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL7224

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
234352 / HA ZA 01-3368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vonnis na deskundigenbericht.

De rechtbank volgt de conclusies van de deskundige. Er kan geen causaal verband worden aangenomen tussen de grondwateronttrekking medio 1996 en de in 1997 door bollentelers geleden schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 234352 / HA ZA 01-3368

Vonnis van 2 december 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V.,

gevestigd te Hillegom,

2. [B],

wonende te --,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] & ZN

B.V.,

gevestigd te De Zilk,

4. [D],

wonende te --,

5. de vennootschap onder firma FIRMA [E] EN ZN,

gevestigd te Vogelenzang,

waarvan de vennoten zijn:

1. [F], wonende te --,

2. [G], wonende te --,

6. de vennootschap onder firma FIRMA [H] EN ZN,

gevestigd te De Zilk,

waarvan de vennoten zijn:

l. [H], wonende te --,

2. [I], wonende te --,

3. [J], wonende te --,

7. de vennootschap onder firma FIRMA [K] EN ZONEN,

gevestigd te Hillegom,

waarvan de vennoten zijn:

1. [L], wonende te --,

2. [M], wonende te --,

8. de vennootschap onder firma FIRMA [N] & ZONEN,

gevestigd te Hillegom,

waarvan de vennoten zijn:

1. [N], wonende te --,

2. [O], wonende te --,

9. de vennootschap onder firma FIRMA [P] EN ZONEN,

gevestigd te Hillegom,

waarvan de vennoten zijn:

1. [Q], wonende te --,

2. [R], wonende te --,

10. de vennootschap onder firma FIRMA [S] EN ZN, gevestigd te Hillegom,

waarvan de vennoten zijn:

1. [T], wonende te --,

2. [U], wonende te --,

3. [V], wonende te --,

11. de vennootschap onder firma FIRMA [W] EN ZN,

gevestigd te Hillegom,

12. [X],

wonende te --,

13. de maatschap [Y],

gevestigd te De Zilk,

14. de vennootschap onder firma FIRMA [Z] EN ZONEN,

gevestigd te De Zilk,

waarvan de vennoten zijn:

1. [AA], wonende te --,

2. [BB], wonende de --,

3. [CC], wonende te --,

4. [DD], wonende te --,

15. de vennootschap onder firma FIRMA [EE] & ZONEN,

gevestigd te De Zilk,

16. [FF],

wonende te --,

17. de vennootschap onder firma FIRMA [GG] EN ZN,

gevestigd te Hillegom,

waarvan de vennoten zijn:

1. [HH], wonende te --,

2. [II], wonende te --,

18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [JJ] & ZONEN B.V.,

gevestigd te Hillegom,

19. de vennootschap onder firma FIRMA [KK] & ZN,

gevestigd te Noordwijk (ZH),

waarvan de vennoten zijn:

1. [KK], wonende te --,

2. [LL], wonende te --,

3. [MM], wonende te --,

20. [NN],

wonende te --,

21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [OO] B.V.,

gevestigd te Hillegom,

22. de vennootschap onder firma FIRMA [PP] EN ZN,

gevestigd te Hillegom,

waarvan de vennoten zijn:

1. [QQ], wonende te --,

2. [RR], wonende te --,

23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [SS] & ZN

B.V.,

gevestigd te Hillegom,

24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [TT] BEHEER EN [UU] EN ZONEN B.V.,

beide gevestigd te Noordwijkerhout,

25. de vennootschap onder firma FIRMA [VV] EN ZOON,

gevestigd te Noordwijkerhout,

waarvan de vennoten zijn:

1. [VV] Beheer B.V., gevestigd te Noordwijkerhout,

2. [WW] Beheer B.V., gevestigd te Noordwijkerhout,

26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEBR. [XX] B.V.,

gevestigd te Noordwijkerhout,

27. de vennootschap onder firma FIRMA [YY] & ZN,

gevestigd te De Zilk,

waarvan de vennoten zijn:

1. [ZZ], wonende te --,

2. [AAA], wonende te --,

3. [BBB], wonende te --,

28. de vennootschap onder firma FIRMA [CCC],

gevestigd te Noordwijk aan Zee,

29. de vennootschap onder firma FIRMA [DDD] EN ZN,

gevestigd te De Zilk,

waarvan de vennoten zijn:

l. [EEE], wonende te --,

2. [FFF], wonende te --,

30. de vennootschap onder firma FIRMA [GGG] & ZN,

gevestigd te Hillegom,

31. de maatschap [HHH],

gevestigd te Warmond,

32. de vennootschap onder firma FIRMA [III],

gevestigd te Lisse,

33. [JJJ],

wonende te --,

34. de vennootschap onder firma FIRMA [KKK],

gevestigd te Voorhout,

35. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [LLL] B.V.,

gevestigd te Voorhout,

36. de vennootschap onder firma FIRMA [MMM] BLOEMBOLLENBEDRIJF,

gevestigd te Voorhout,

37. de vennootschap onder firma FIRMA [NNN],

gevestigd te Voorhout,

38. [OOO],

wonende te --,

39. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [PPP] EN ZN B.V.,

gevestigd te Noordwijkerhout,

40. de maatschap MAATSCHAP [QQQ],

gevestigd te Noordwijkerhout,

41. [RRR],

wonende te --,

42. [SSS],

wonende te --,

43. [TTT],

wonende te --,

44. de commanditaire vennootschap REMARKABLE C.V.,

gevestigd te Lisse,

45. [UUU],

wonende te --,

46. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [VVV] B.V.,

gevestigd te Lisse,

47. de vennootschap onder firma FIRMA [WWW] EN ZONEN,

gevestigd te Noordwijk (ZH),

waarvan de vennoten zijn:

1. [XXX], wonende te --,

2. [YYY], wonende te --,

3. [ZZZ], wonende te --,

eisers,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

advocaat voorheen mr. W.D.T.D. Wiarda, vervolgens mr. E.A. Minderhoud,

thans mr. P.L. Loeb.

Partijen zullen hierna eisers en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 februari 2007

- het proces-verbaal van de op 11 maart 2008 gehouden comparitie, met de daarin vermelde processtukken

- het deskundigenbericht van prof. dr. J.J. de Vries d.d. 30 juni 2008

- de conclusie na deskundigenbericht van eisers, met bewijsstukken

- de conclusie na deskundigenbericht van de gemeente met een bewijsstuk

- de akte van eisers, met een productie

- de akte van de gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank prof. dr. J.J. de Vries (hierna De Vries) tot deskundige benoemd en hem de volgende vragen voorgelegd:

1. Bestaat er een causaal verband tussen de schade in 1997 en de hydrologische wijzigingen gebaseerd op de verleende vergunningen van 18 februari 1992 en 6 juni 1995? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag zoveel mogelijk en voor zover nodig onderscheid maken naar de individuele percelen van eisers?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, zijn er daarnaast nog andere oorzaken aan te wijzen die relevant zijn voor de schade? Kunt u hierbij in het bijzonder betrekken de door de gemeente genoemde ijslenstheorie?

3. a. Indien meer oorzaken relevant zijn, wat is dan hun relatieve bijdrage aan de schade?

b. In hoeverre is daarbij de afstand tot de getroffen percelen en het Oosterkanaal van belang en van invloed?

4. Hebt u nog andere opmerkingen die voor de beslissing van het geschil van belang kunnen zijn?

2.2. In oktober 2007 heeft de rechtbank een concept-rapport, met bijlagen, van De Vries ontvangen, waarop eisers schriftelijk voorlopig commentaar hebben geleverd. Nadat hierop reacties van De Vries en de gemeente zijn ontvangen, heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Op de op 11 maart 2008 gehouden comparitie heeft De Vries zijn concept-rapport nader toegelicht en zijn partijen, met behulp van een aantal van de door hen eerder geraadpleegde deskundigen, in de gelegenheid gesteld hun standpunt nader toe te lichten. Vervolgens heeft De Vries, nadat partijen (tevergeefs) de mogelijkheid van een minnelijke regeling hadden onderzocht, op 30 juni 2008 zijn definitieve rapport uitgebracht. Over dit rapport hebben partijen zich tot slot nog in hun hiervoor vermelde conclusies en akten uitgelaten.

2.3. Onder het kopje ‘Samenvatting en beantwoording van de vragen van de rechtbank’ komt De Vries in zijn eindrapport, voor zover hier van belang, tot de volgende conclusies.

1. Noch uit de waarnemingen, noch uit theoretische berekeningen blijkt een direct causaal verband tussen de in 1997 geconstateerde waterschade aan de bloembollen en de veranderingen die medio 1996 zijn doorgevoerd in de grondwateronttrekking rond het Oosterkanaal. Volgens de waarnemingen bleef gedurende het seizoen 1996/1997 de grondwaterstand ruim beneden de plantdiepte van de bollen en van enige verhoging van de grondwaterstand in vergelijking met voorafgaande jaren was geen sprake.

(…)

2. De enige plausibele verklaring voor het optreden van een zuurstofloze, met water verzadigde zone boven de grondwaterspiegel, is de vorming van schijn grondwaterspiegels als gevolg van stagnerend regen en smeltwater op ijslenzen. Een dergelijke uitzonderlijke situatie laat zich verklaren als gevolg van de langdurige vorstperiode van december 1996 tot februari 1997, en de direct daarop volgende periode van snelle dooi onder boven-gemiddelde temperaturen en boven-gemidelde regenval. (…)

3. Harde bewijzen via directe waarnemingen voor de aanwezigheid van ijslenzen en schijn grondwaterspiegels zijn er niet, maar de bodem-fysische en meteorologische voorwaarden voor hun vorming waren aanwezig, en geen van de fysische omstandigheden en waargenomen verschijnselen, weerleggen deze hypothese.

4. (…) Een hogere grondwaterspiegel door een geringere drooglegging en/of door een verandering in grondwaterwinning zal in meer of mindere mate bijgedragen hebben aan een versterking van het proces van ijslensvorming.

5. Gesteld kan dus worden dat een schade, die in de eerste plaats was ontstaan als gevolg van een meteorologische situatie, door een naar boven afwijkende grondwaterspiegel waarschijnlijk is vergroot. (…)

6. Er is geen relatie gevonden tussen de mate van drooglegging (…) en de geconstateerde totale schade. Dit wijst erop dat de invloed van de afwijking van de grondwaterstand op de schade door verwijtbare en vermijdbare oorzaken gering was en niet eenduidig. Om toch enig gewicht toe te kennen aan de invloed van (a) de veranderde waterwinning en (b) een te geringe drooglegging, is als eerste benadering aangenomen dat de gezamenlijke invloed van (a) en (b) verantwoordelijk is geweest voor 30% van de schade.

(…)

Het aan de waterleiding toe te rekenen schadedeel komt volgens de berekening op grond van deze benadering uit op 210 708 gulden.

7. Bovenstaande berekening zou doorgezet kunnen worden voor de schade op perceelsniveau. Echter (…) blijkt dat ook onderlinge verschillen in omgevingsfactoren per perceel (…) ook belangrijk zijn geweest. Het verdisconteren van dergelijke factoren vereist echter een aanzienlijke inspanning en zal de uitkomsten met betrekking tot een reële verdeling van de schade, naar verwachting, slechts in beperkte mate verbeteren.

8. (…)

9. Uit deze vertraagde doorwerking van de verandering in het waterwingebied op het bloembollengebied in de binnenduinen, mag geconcludeerd worden dat ook veranderingen in het verleden (…) een niet-verwaarloosbare invloed op de binnenduinen hebben gehad. Aangenomen mag worden dat als gevolg van de vernatting van het waterwingebied gedurende de laatste halve eeuw, de kwetsbaarheid van het binnenduingebied voor extreme meteorologische omstandigheden is toegenomen.

De vraag is daarmee gerechtvaardigd of de geconstateerde afwijkingen van de gewenste drooglegging en de daaraan gekoppelde schade, niet ook deels beschouwd moet worden als een gevolg van deze eerdere veranderingen in het waterwingebied.

2.4. Eisers hebben bij conclusie na deskundigenbericht aangevoerd dat zij zich, zoals zij ook al ter comparitie hebben verwoord, niet kunnen verenigen met de conclusies van De Vries. In dit verband wijzen zij erop dat De Vries ten onrechte in het door TNO op 18 december 2007 uitgebrachte rapport geen aanleiding heeft gezien af te wijken van zijn concept-rapport. Bij akte hebben eisers voorts nog een reactie van TNO op een aantal door Olsthoorn in 2008 vervaardigde bescheiden overgelegd. Eisers bestrijden onder verwijzing naar de bevindingen van TNO met name de conclusie van De Vries dat de enige waarschijnlijke verklaring voor de opgetreden schade de zogenaamde ijslenstheorie is.

2.5. Aan de door eisers tegen de conclusies van De Vries geuite bezwaren wordt voorbijgegaan. Eisers hebben zich bij aanvang van de procedure reeds op een in januari 2000 door NITG TNO uitgebracht rapport beroepen, waarin NITG TNO tot de conclusie kwam dat de ijslenshypothese in de praktijk niet houdbaar was. In het tussenvonnis van 9 maart 2005 heeft de rechtbank ten aanzien van alle rapporten waarop partijen zich over en weer beriepen overwogen dat zij op basis van die rapporten geen oordeel kon vellen. Het betrof immers partij-rapportages, waaruit geen eensluidend oordeel was af te leiden. De rechtbank heeft in het tussen partijen gevoerde debat aanleiding gezien om zelf – een onafhankelijke – deskundige te raadplegen. Partijen zijn het vervolgens eens geworden over de benoeming van De Vries tot deskundige. De Vries heeft in zijn rapport de rapporten van de eerdere onderzoekers, waaronder dat van NITG TNO, betrokken. Op de comparitie van 11 maart 2008 is ook het rapport van TNO van 18 december 2007 aan de orde geweest. De Vries, die ter comparitie zijn, op dat moment concept-, rapport uitvoerig heeft toegelicht, heeft in dit laatste rapport van TNO echter geen aanleiding gezien zijn conclusies te herzien. In zijn rapport vermeldt hij in dit verband:

Deze commentaren (het rapport van TNO en een notitie van Olsthoorn, rechtbank) en de discussie bij de comparitie heeft wat mij betreft geen nieuwe gegevens, argumenten en/of inzichten opgeleverd. Daarom is mijn definitieve rapport inhoudelijk gelijk gebleven aan mijn concept rapportage. In bijlage 3 ga ik in op de belangrijkste opmerkingen van de zijde van de telers en TNO die zowel schriftelijk als tijdens de zitting op mijn concept rapport zijn gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft De Vries in zijn eindrapport goed onderbouwd en gemotiveerd aangegeven hoe hij tot zijn hiervoor vermelde conclusies is gekomen, waarbij hij ook (zie onder meer bijlage 3 van het rapport) de argumenten tegen de ijslenstheorie heeft meegewogen. De bevindingen van TNO waarop eisers zich blijven beroepen doen naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan het rapport van de als onafhankelijk deskundige ingeschakelde De Vries.

Voor zover eisers nog betogen dat er geen enkel bewijs is aangevoerd dat de geleden schade samenhangt met de vorstperiode miskennen zij dat het, zoals in het tussenvonnis van 9 maart 2005 is overwogen, op hun weg ligt om te bewijzen dat er een causaal verband is tussen de wijze waarop de gemeente van de vergunningen van 18 februari 1992 en 6 juni 1995 gebruik heeft gemaakt en de schade aan hun percelen in de winter van 1996/1997. De Vries is ‘slechts’ als deskundige gevraagd om het door eisers gestelde causale verband te onderzoeken en is op basis van de voorhanden zijnde gegevens tot de conclusie gekomen dat noch uit waarnemingen, noch uit theoretische berekeningen, een direct causaal verband is gebleken.

2.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen neemt de rechtbank de conclusies van De Vries, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven, over en maakt deze tot de hare. Hoewel De Vries tot de conclusie komt dat niet is gebleken van een direct causaal verband tussen de door eisers geleden schade en de veranderingen die medio 1996 zijn doorgevoerd in de grondwateronttrekking, heeft hij, om toch enig gewicht toe te kennen aan de invloed van de veranderde waterwinning en een te geringe drooglegging, bij wijze van eerste benadering aangenomen dat de gezamenlijke invloed van deze factoren verantwoordelijk is geweest voor 30% van de schade. Deze wijze van schadeberekening leidt volgens De Vries tot een aan de waterleiding (lees de gemeente, rechtbank) toe te rekenen schadedeel van

f. 210.708,- (= EUR 95.615,12).

Echter, ook als deze benadering van De Vries gevolgd zou moeten worden (de gemeente betwist dit), kan dit niet tot toekenning van enig schadebedrag aan eisers leiden. De gemeente heeft immers onweersproken gesteld dat de Provincie Zuid Holland eind 2006 al een bedrag van EUR 276.259,- (EUR 183.218,- aan schade en EUR 93.041,- aan wettelijke rente) als schadevergoeding aan eisers heeft uitgekeerd. Aangenomen moet dan ook worden dat met de ontvangst van dit bedrag de schade, voor zover deze indirect aan de gemeente kan worden toegerekend, al ruimschoots is vergoed. Gesteld noch gebleken is dat een of meer van eisers in onvoldoende mate van deze provinciale uitkering profijt hebben gehad ter zake van de individuele schade.

2.7. Nu niet aannemelijk is geworden dat aan eisers een vordering tot vergoeding van de door hen in de winter van 1996/1997 geleden schade toekomt, zal hun vordering tot betaling van schade, nader op te maken bij staat, worden afgewezen. Hetzelfde lot treft daarom hun vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad f. 60.000,- (EUR 27.226,81).

2.8. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- vast recht 517,31

- deskundige 18.749,90

- salaris advocaat 4.053,00 (7 punt × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 23.320,21

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op EUR 23.320,21.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M. van Hees, S.P. Pompe en M.M. Korsten-Krijnen en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2009.?