Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL6862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
09.222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking op grond van art. 36 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op de leden van een meervoudige civiele kamer.

Verzoek om te bepalen dat verzoekster en de rechters niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord (art. 39 lid 2 Rv ) afgewezen omdat geen van de in artikel 27 lid 1 onder a tot en met f Rv. genoemde uitzonderingen hier aan de orde is. Bovendien moeten de rechters kunnen reageren op argumenten die hun positie raken.

Het verzoek berust op de volgende gronden. De leden van de rechtbank zijn eerder belast met de behandeling van een procedure in welke procedure producties, waaronder bepaalde overeenkomsten, in het geding zijn gebracht die ook met de eisende partij in de huidige procedure te maken hebben. In de eerdere procedure is al een eindvonnis gewezen. In dat vonnis hebben de rechters zich al een oordeel gevormd over hoe de overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen en over de uitleg van deze overeenkomsten. De onderliggende procedure gaat om een geschil met grotendeels dezelfde overeenkomsten als uitgangspunt en waarbij een oordeel moet worden gevormd over de vraag of de overeenkomsten waaruit het geschil voortvloeit, zijn gesloten onder de omstandigheden die toen golden tussen partijen. De rechtbank heeft die vraag in principe al bevestigend beantwoord, zodat zij thans niet meer onbevooroordeeld naar de zaak kan kijken.

Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele omstandigheid dat de rechters in een zaak tegen een andere partij een vonnis hebben gewezen, onvoldoende om, objectief gezien, de vrees voor partijdigheid te rechtvaardigen. Bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan deze vrees kan worden aangenomen, zijn niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de rechters, in het door hen eerder gewezen vonnis, al een zodanig specifiek gemotiveerd en op de grondslag van de onderhavige vordering betrekking hebbend oordeel hebben gegeven, dat daaruit een objectief gerechtvaardigd vermoeden valt af te leiden dat de rechters in dezelfde samenstelling, bij de behandeling van de onderliggende zaak niet onpartijdig zullen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het ter zitting van 19 maart 2009 mondeling gedane en onder rekestnummer 09.222 ingeschreven verzoek van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ [ ] B.V.,

gevestigd te [ ],

verzoekster,

advocaat mr. A. Köker,

welk verzoek strekt tot wraking van mrs [ ], [ ] en [ ], leden van de meervoudige kamer, hierna: de rechters.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het proces-verbaal van de comparitie d.d. 19 maart 2009,

? de schriftelijke reactie van de rechters op het wrakingsverzoek;

? de dagvaarding in de zaak met rolnummer [ ];

? het vonnis van 28 januari 2009 in de zaak met rolnummer [ ].

De rechters hebben medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 april 2009 alwaar zijn gehoord (de advocaat van) verzoekster, de advocaat van de gemeente Amsterdam en de voorzitter en een lid van de meervoudige kamer.

De advocaat van verzoekster heeft het verzoek nader toegelicht aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota.

De uitspraak is nader bepaald op 22 april 2009.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoekster (hierna ook wel [ ]) was gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in een bij de rechtbank aanhangig geweest zijnde procedure tussen verzoekster en de Woningbouwvereniging [ ] (rechtsopvolgster van woningbouwvereniging [ ]), hierna [ ], met rolnummer [ ].

b) In voormelde procedure vorderde [ ] in conventie –kort gezegd- een verklaring voor recht dat verzoekster gehouden is haar verplichtingen jegens [ ] uit een aantal overeenkomsten onverkort na te komen, dat verzoekster wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.470.530,00, tot opheffing van de ten laste van [ ] gelegde beslagen en tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat. Verzoekster heeft in reconventie –kort gezegd- op straffe van een dwangsom een verklaring voor recht gevorderd dat [ ] zich jegens haar onrechtmatig heeft gedragen; dat de overeenkomsten zijn ontbonden; dat partijen zijn overeengekomen uit elkaar te gaan, [ ] wordt gelast te stoppen met bouwwerkzaamheden, wordt veroordeeld tot afgifte van stukken, zich zal onthouden van openbare uitlatingen en wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat en een immateriële schadevergoeding.

c) Bij vonnis van 29 januari 2009 heeft de rechtbank, in dezelfde samenstelling als de rechters die thans door [ ] zijn gewraakt, in conventie de vorderingen van [ ] toegewezen en de vorderingen van verzoekster in reconventie afgewezen.

d) De gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) heeft verzoekster op 7 augustus 2008 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Die zaak staat bij de rechtbank geregistreerd onder rolnummer [ ]. In die zaak vordert de gemeente verzoekster te veroordelen tot nakoming van een erfpachtovereenkomst, tot betaling van een bedrag van € 49.960,50, tot intrekking van haar verzoek aan de notaris tot uitkering van het in depot gestorte bedrag ad € 3 miljoen, verzoekster te verbieden aanspraak te maken op voormeld in depot gestorte bedrag anders dan tot voldoening van door verzoekster na 19 december 2005 gemaakte kosten en verzoekster te veroordelen te verschijnen ten kantore van een notaris om mee te werken aan het tot stand komen van een notariële akte.

e) Bij vonnis van 26 november 2008 heeft de rechtbank in de zaak van de gemeente tegen verzoekster een comparitie gelast ten overstaan van de meervoudige civiele kamer.

f) Op 19 maart 2009 is de comparitie gehouden en is door verzoekster een mondeling verzoek tot wraking gedaan.

1. Voorafgaand verzoek

1.1 Na uitroep van de zaak heeft de advocaat van verzoekster verzocht te bepalen dat verzoekster en de rechters niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord (art. 39 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv.) Het verzoek berust op de grond dat indien het verzoek wordt afgewezen, de behandeling wordt voortgezet voor dezelfde rechters en verzoekster wellicht in het kader van de behandeling van het wrakingsverzoek uitlatingen moet doen over de rechters en het eerder door de rechters gewezen vonnis.

1.2 Na schorsing en hervatting van de behandeling deelt de rechtbank als haar beslissing op het verzoek mede dat dit wordt afgewezen omdat geen van de in artikel 27 lid 1 onder a tot en met f Rv. van genoemde uitzonderingen hier aan de orde is. Bovendien moeten de rechters kunnen reageren op argumenten die hun positie raken.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek tot wraking is – kort gezegd- gebaseerd op de navolgende gronden. De meervoudige kamer die belast is met de behandeling van de procedure tussen [ ] en de gemeente Amsterdam, is de kamer in dezelfde samenstelling als die belast was met de behandeling van de procedure tussen [ ] en Woningbouwvereniging [ ] (hierna: [ ]). In de procedure tegen [ ] hebben zowel [ ] als [ ] producties in het geding gebracht die ook met de gemeente te maken hebben. [ ] heeft ook gronden aangevoerd ter ondersteuning en staving van haar standpunten en die gronden hadden ook te maken met de gemeente. Terzake deze overeenkomsten, correspondentie en gronden heeft de kamer reeds beslissingen genomen en op 28 januari 2009 een eindvonnis gewezen.

2.2 [ ] vreest dat de kamer vooringenomenheid koestert althans bestaat bij haar de gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de leden van de kamer. De (schijn van de) rechterlijke onpartijdigheid is in het geding. De rechters hebben immers al een oordeel gevormd over hoe de overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen en de uitleg van deze overeenkomsten. Bij [ ] bestaat het gevoel dat het geen toeval is dat de drie leden van de kamer dezelfde zijn als bij de vorige procedure en dat er sprake is van opzet om deze leden ook deze procedure te laten behandelen.

2.3 De kamer is gebonden aan het eerder uitgesproken vonnis en kan daar in de procedure tussen [ ] en de gemeente niet van afwijken. Afwijking daarvan zou betekenen dat zonder tussenkomst van een hogere rechter, een afwijkend oordeel over het eigen vonnis zou worden gegeven. Indien de kamer in deze samenstelling ook de zaak tussen [ ] en de gemeente zou behandelen zou dit voor [ ] betekenen dat zij de kamer eerst moet overtuigen van haar ongelijk in de procedure tussen [ ] en [ ] voordat [ ] in deze procedure haar gelijk zou kunnen behalen.

2.4 Het rechtsgevoel van de burgers die bij deze procedure betrokken zijn, zal aangetast worden door het feit dat de zaak tegen de gemeente door dezelfde kamer wordt behandeld als de procedure tegen [ ]. Deze burgers hebben al het idee dat de gemeente uiteindelijk via [ ] heeft bereikt wat ze in 1998 al wilde, namelijk onteigening van de grond. De gewraakte kamer heeft in haar oordeel in de procedure tegen [ ] al de samenwerking tussen de gemeente en [ ] genegeerd. Deze samenwerking is een van de argumenten van [ ] om de gemeente voor haar aandeel in de benadeling aan te spreken. Nu de kamer deze samenwerking in de vorige procedure heeft genegeerd, is het niet meer dan logisch dat zij in deze procedure niet anders zal kunnen oordelen. In de vorige procedure heeft [ ] al betoogd dat [ ] in haar pogingen om [ ] te benadelen door de gemeente is gesteund. Al deze argumenten zijn door de rechters genegeerd.

2.5 Sommige argumenten en bewijsmiddelen van [ ] in de procedure tegen [ ] zijn niet beoordeeld, althans ze worden niet genoemd in de overwegingen in het eindvonnis. Dat deze kamer bepaalde argumenten van [ ] heeft genegeerd en dus niet heeft meegenomen in haar beoordeling doet bij [ ] en haar achterban ook de gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid bij een of meer leden van deze kamer ontstaan.

2.6 Het gaat om een geschil met grotendeels dezelfde overeenkomsten als uitgangspunt en waarbij een oordeel moet worden gevormd over de vraag of de overeenkomsten waaruit het geschil voortvloeit, zijn gesloten onder de omstandigheden die toen golden tussen de drie partijen. De kamer heeft die vraag in principe al bevestigend beantwoord.

2.7 De kamer miskent in haar verweer dat hier sprake is van driepartijen overeenkomsten waarover zij in de vorige procedure al een oordeel heeft gevormd. Aan de Kaderovereenkomst en de Projectmanagementovereenkomst nemen [ ] als [ ] en de gemeente deel en de kamer kan deze overeenkomsten niet onderscheiden in de rechtsverhouding tussen [ ] en [ ] en [ ] en de gemeente, maar zij moet de rechtsverhouding tussen de drie partijen in acht nemen bij de uitleg en toepassing van de overeenkomsten. Uit haar ingediende standpunt blijkt al dat zij geen rechtsverhouding ziet tussen de drie partijen, althans niet een van belang zijnde rechtsverhouding. De kamer kan echter niet in het voordeel van [ ] ten opzichte van de gemeente beslissen als zij al in het nadeel van [ ] ten opzichte van [ ] heeft geoordeeld. Indien in deze procedure een vonnis ten voordele van [ ] zou worden gewezen dan zou dat automatisch inhouden dat de uitleg van de overeenkomst zoals in de procedure tussen [ ] en [ ] door de kamer is gegeven, onjuist is geweest omdat de rechtsverhoudingen zodanig met elkaar samenhangen dat de een zonder de ander niet mogelijk is.

2.8 Het feit dat de vorderingen van [ ] tegen de gemeente en [ ] zodanig en zoveel met elkaar samenhangen dat ze niet los van elkaar kunnen worden bezien en beoordeeld, blijkt ook uit het feit dat [ ] geen mediationbesprekingen wilde voeren tenzij de gemeente er ook bij zou zijn. [ ] verzoekt dan ook het verzoek gegrond te verklaren.

3. De reactie van de rechters

3.1 De rechters hebben aangevoerd dat zowel de procedure tussen [ ] en verzoekster als de procedure tussen de gemeente en verzoekster verband houden met het zogenaamde [ ] project in stadsdeel [ ]. In verband met de ontwikkeling en realisatie van dit project zijn verzoekster, [ ] en de gemeente diverse overeenkomsten aangegaan. Daarbij zijn –voor zover hier van belang – twee rechtsverhoudingen te onderscheiden: de rechtsverhouding tussen verzoekster en [ ] en de rechtsverhouding tussen verzoekster en de gemeente. Het komt erop neer dat verzoekster en [ ] zich jegens elkaar hebben verbonden om het project te ontwikkelen en te bouwen. In diverse overeenkomsten is dit uitgewerkt en de over en weer ingestelde vorderingen, waarin de rechters het vonnis van 28 januari 2009 hebben gewezen hadden hierop betrekking. De positie van de gemeente is een geheel andere. De gemeente heeft van verzoekster de grond gekocht, waarop het Westermoskee project is geprojecteerd en daarbij is de gemeente en verzoekster en [ ] overeengekomen dat de grond aan hen in erfpacht zal worden uitgegeven. De onderhavige zaak heeft betrekking op de geschillen die tussen verzoekster en de gemeente zijn gerezen naar aanleiding van de tussen hen gesloten kaderovereenkomst en de uitgifte van erfpacht.

3.2 In de twee zaken zijn het niet alleen (deels) andere partijen tussen wie wordt geprocedeerd, maar ook de rechtsverhouding en de vorderingen van die partijen zijn verschillend. Het gewezen vonnis vormt dan ook geen aanwijzing dat zij vooringenomen zijn, althand de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De rechterlijke onpartijdigheid is niet in het geding en ook niet de schijn daarvan, aldus de rechters.

4. Het standpunt van de gemeente Amsterdam

De gemeente refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek. Ten aanzien van het door [ ] gedane verzoek wijst de gemeente op de leidraad onpartijdigheid van de rechter. Onder aanbeveling 8 staat vermeld dat de rechter zich er van bewust dient te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak. In deze zaak is het goed mogelijk dat de schijn van partijdigheid aanwezig is, ook al gelet op het feit dat het een mediagevoelige zaak betreft.

5. De ontvankelijkheid van het verzoek

5.1 Op grond van de wet dient het verzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoekster bekend zijn geworden. Het criterium is niet of die feiten en omstandigheden bekend kúnnen zijn.

5.2 De advocaat van verzoekster heeft ter zitting medegedeeld dat in de uitnodiging voor de comparitie de namen van de rechters die de zaak zouden behandelen stonden vermeld. Hij heeft de naam van de voorzitter wel herkend, maar heeft daar verder geen aandacht aan geschonken. Eerst ter zitting van 19 maart 2009, toen hij de rechters zag, werden hij en zijn cliënten zich bewust van het feit dat dit dezelfde rechters waren als de rechters die in de andere zaak het vonnis hadden gewezen.

5.3 In civiele procedures die in zijn algemeenheid eerst schriftelijk worden gevoerd is aannemelijk dat er niet direct aandacht is voor de namen van de rechters die een zaak behandelen. Het is daarom begrijpelijk dat verzoekster zich eerst ter zitting van 19 maart 2009 realiseerde dat er feiten en omstandigheden zouden kunnen zijn die maken dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Dit maakt dat verzoekster naar het oordeel van de rechtbank in haar verzoek kan worden ontvangen.

6. De gronden van de beslissing

6.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv. dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2 Bij die beoordeling staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een

zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De vraag of er sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium.

6.3 Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter of rechters dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter(s) partijdig zijn. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt. Van het bestaan van het genoemde subjectieve criterium is in deze niet gebleken.

6.4 Als uitgangspunt geldt dat de enkele omstandigheid dat de rechters in een zaak tegen een andere partij een vonnis hebben gewezen, onvoldoende is om, objectief gezien, de vrees voor partijdigheid te rechtvaardigen. Bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan deze vrees kan worden aangenomen, zijn niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de rechters, in het door hen tussen [ ] en [ ] gewezen vonnis, al een zodanig specifiek gemotiveerd en op de grondslag van de onderhavige vordering betrekking hebbend oordeel hebben gegeven, dat daaruit een objectief gerechtvaardigd vermoeden valt af te leiden dat de rechters in dezelfde samenstelling, bij de behandeling van de zaak tussen de gemeente en verzoekster niet onpartijdig zullen zijn.

6.5 In het door verzoekster genoemde vonnis berust de grondslag van de door [ ] tegen [ ] in conventie ingestelde vordering op de tussen [ ], [ ] en de gemeente gesloten Kaderovereenkomst en de tussen [ ] en [ ] gesloten ontwikkelingsovereenkomsten, waaronder een zogenaamde Turnkeyovereenkomst, en een vaststellingsovereenkomst. [ ] vorderde nakoming van deze overeenkomsten. [ ] verweerde zicht tegen deze vorderingen door te stellen dat partijen waren overeengekomen dat [ ] het [ ] zou uitkopen voor een bepaald bedrag op grond waarvan de ontwikkelingsovereenkomsten, waaronder de Turnkeyovereenkomst niet langer zouden gelden. De rechtbank heeft in het op 28 januari 2009 gewezen vonnis geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat [ ] en [ ] een overeenkomst tot uitkoop hadden gesloten zodat de rechtsverhouding tussen partijen nog werden beheerst door de Ontwikkelingsovereenkomsten, hetgeen naar het oordeel van de rechters betekende dat [ ] [ ] terecht heeft gesommeerd tot nakoming van haar verplichtingen uit de Turnkeyovereenkomst.

6.6 Anders dan verzoekster heeft gesteld hebben de rechters zich dus geen oordeel gevormd over hoe de overeenkomsten (tussen [ ], de gemeente en [ ]) tot stand zouden zijn gekomen en evenmin hebben zij een uitleg gegeven aan deze overeenkomsten. De rechters hebben slechts vastgesteld dat tussen [ ] en [ ] (de gemeente was daarbij geen partij) geen overeenkomst tot uitkoop tot stand is gekomen.

6.7 De omstandigheid dat, zoals door verzoekster gesteld, sommige argumenten en bewijsmiddelen van [ ] in de procedure tegen [ ] niet zijn beoordeeld, althans niet worden genoemd in de overwegingen in het eindvonnis, kan evenmin leiden tot een objectief gerechtvaardigde vrees dat de rechters in dezelfde samenstelling, bij de behandeling van de zaak tussen de gemeente en verzoekster niet onpartijdig zullen zijn. Het waarderen van bewijsmiddelen en het opnemen in een vonnis wat aan de beslissing ten grondslag ligt, is immers voorbehouden aan de rechters die over de vordering oordelen en kan in een wrakingsprocedure niet ter beoordeling staan. Niet moet uit het oog worden verloren dat een oordeel over de ene rechtsverhouding op zich nog niets zegt over een nog te nemen beslissing in een andere rechtsverhouding.

6.8 Weliswaar zijn er bijzondere omstandigheden denkbaar die maken dat een door dezelfde rechters genomen beslissing in een andere zaak gegronde vrees voor vooringenomenheid oplevert - bijvoorbeeld als de rechters in die andere zaak al een oordeel hebben gegeven omtrent de grondslag van een vordering welke ook de grondslag vormt voor de in de onderhavige zaak ingestelde vordering, maar zoals reeds vastgesteld is dit hier niet het geval. Van belang is slechts of de rechters reeds zo specifiek en/of zodanig gemotiveerd op de nog te behandelen procedure tussen de gemeente en verzoekster is vooruitgelopen dat moet worden aangenomen dat rechters zich in deze zaak op enigerlei wijze gebonden zullen achten. Dat is niet het geval.

6.9 Nu van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, niet is gebleken, hebben de rechters geen gronden gegeven voor de vrees dat het hen bij de behandeling van de zaak tussen de gemeente en verzoekster aan onpartijdigheid ontbreekt, zodat het wrakingsverzoek als ongegrond dient te worden afgewezen.

7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de zaak met het rolnummer [ ] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, Th.P.J. de Graaf en Y.A.A.G. de Vries en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.