Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL6843

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
420627 - HA ZA 09-626
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verjaring

Na restitutie van in de oorlog vervreemd schilderij aan de erfgenaam van de vennoot die de kunsthandel na de oorlog alleen heeft voortgezet, vorderen de erven van (destijds) mede-vennoot een aandeel van de waarde van het schilderij. Op grond van de vennootschapsovereenkomst uit 1939 kunnen zij bij voortzetting van de onderneming aanspraak maken op het saldo van de kapitaalrekening van de mede-vennoot. De vordering is verjaard.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1684
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 421
JIN 2010/317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 420627 / HA ZA 09-626

Vonnis van 16 december 2009

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

3. de stichting

STICHTING COLLECTIEVE ISRAËL ACTIE,

gevestigd te Amsterdam,

4. [C],

wonende te --,

5. [D],

wonende te --,

6. [E],

wonende te --,

eisers,

advocaat mr. A.C.G. Reezigt,

tegen

[F],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. D. de Jong.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en [F] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juli 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 23 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] c.s. zijn erfgenamen van de dochters van [G]. [F] is erfgename van de zoon van [G], [H].

2.2. [G] heeft de eenmanszaak [I] -een kunsthandel- in Amsterdam geëxploiteerd. Vanaf 1 augustus 1939 heeft hij de exploitatie samen met zijn zoon [H] in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: Vof) voortgezet. De tussen hen gesloten vennootschapsovereenkomst (hierna: de vennootschapsovereenkomst) bevat onder meer de volgende bepalingen:

(…)

KAPITAAL EN INBRENG

Art. 8 In de vennootschap wordt ingebracht:

1. door ieder der vennooten zijn arbeid, vlijt en relatiën;

2. door den vennoot [G] bovendien de handelsnaam en aan kapitaal:

3. a. de voorraad handelsgoederen, behorende tot de tot heden door hem alleen onder den naam [I] gedreven zaak, welke goederen door partijen worden gewaardeerd op het bedrag, waarvoor zij op heden te boek staan

f. 167.342,24

b. een saldo-tegoed bij de Amsterdamsche Bank N.V. f. 2.922,40

c. contanten f. 468,74

d. installatiekosten f. 1.400, -

f. 172.133,38

onder aftrek van de navolgende schulden:

salaris f. 975,-

onkosten f. 300,- f. 1.275,--

Alzoo in totaal f. 170.858,38

Voorts zullen de vennooten nog aan kapitaal inbrengen al zodanige bedragen als door hen later nog mocht worden overeengekomen.

Art. 9. De vennooten worden in de boeken der vennootschap op afzonderlijke kapitaalrekeningen gecrediteerd voor hun inbreng aan kapitaal.(…)

(…)

WINST EN VERLIES

Art. 13. Van de uit de goedgekeurde of door scheidsmannen vastgestelde winst- en verliesrekening blijkende winst komt jaarlijks een gelijk deel aan elk der vennooten ten goede (…)

Verliezen komen uitsluitend ten laste van den vennoot [G].

ONTBINDING EN LIQUIDATIE

Art. 15. De vennootschap eindigt niet anders dan door opzegging overeenkomstig art. 3 en door overlijden, onder curateelestelling of faillietverklaring van een der vennooten.

Art. 16. Ingeval van ontbinding der vennootschap zullen haar zaken vereffend worden door den vennoot [G], tenzij deze mocht zijn overleden, onder curatele gesteld of failliet verklaard, in welke gevallen de vereffening zal geschieden door den vennoot [H].

Art. 17. De vennoot, die ingevolge art. 16 met de vereffening zal zijn belast, heeft het recht de zaken der vennootschap voort te zetten en haar firma te blijven voeren. (…)

Art. 18. De vennoot, die ingevolge art. 17 het recht heeft de zaken der vennootschap voort te zetten en van dat recht gebruik maakt, heeft recht op alle boeken en bescheiden der vennootschap. Bovendien heeft hij recht op alle baten der vennootschap, waaronder den geheelen handelsvoorraad, onder verplichting om alle schulden over te nemen en daarvoor te vrijwaren. Hij is verplicht aan den anderen vennoot of diens erven of rechtverkrijgenden uit te keeren een bedrag gelijk aan het saldo van de kapitaalrekening van dien anderen vennoot, vermeerderd met de rente bedoeld in art. 9 en het aandeel in de winst tot den dag der ontbinding.

Art. 19. Voor de bepaling van het bedrag van deze uitkeering worden binnen vier maanden na den dag van ontbinding een balans en een verlies- en winstrekening per den dag van ontbinding opgemaakt. (…)

Art. 20. Bij de samenstelling van de in art. 19 bedoelde stukken wordt de waarde van den geheelen handelsvoorraad op den dag van ontbinding gesteld op de laatste, door de vennooten goedgekeurde of door scheidsmannen vastgestelde, gewone jaarbalans (…)

(…)

Art. 22. De in art. 19 bedoelde stukken zijn de uitsluitende grondslagen voor de bepaling van het bedrag der in art. 18 genoemde uitkeering.

(…)

2.3. Tot de handelsvoorraad van de Vof behoorde het schilderij ‘ Een meisje in pastorale kleding met mand’, kenmerk NK 1742, vervaardigd door [J] (hierna: het schilderij).

2.4. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog is de kunsthandel door de Sicherheitsdienst van de Duitse bezetter gesloten en is er een Duitse ‘ Verwalter’ aangesteld. [G] en [H] werd de toegang tot de kunsthandel ontzegd. In de zomer van 1942 is [G] naar concentratiekamp Auschwitz gedeporteerd, alwaar hij op 11 of 12 augustus 1942 om het leven kwam. [H] overleefde de oorlog. Hij heeft na de oorlog de kunsthandel als eenmanszaak voortgezet. Na zijn overlijden op 25 september 1957 heeft [F] de exploitatie van de kunsthandel voortgezet. De administratie en boekhouding van de Vof is niet meer teruggevonden.

2.5. [F] heeft in juni 2005 aan de minister van OCW om teruggave verzocht van het schilderij. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de zogeheten Restitutiecommissie de zaak onderzocht, beoordeeld en op 12 maart 2007 een advies uitgebracht. Het advies bevat onder meer de volgende bepaling:

(…)

8. Met betrekking tot de eigendom van het geclaimde schilderij (NK 1742) heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Uit een aangetroffen tentoonstellingscatalogus blijkt dat het schilderij in 1929 deel uitmaakte van de handelsvoorraad van de kunsthandel. Voorts wijst de commissie op de brief van verzoekster, gedateerd 8 oktober 2006, waarin zij haar jeugdherinneringen aan de kunsthandel optekende uit de periode vanaf ‘ca. 1936 tot en met het eerste oorlogsjaar 1940’. Hierin verklaarde verzoekster dat zij zich kom herinneren dat NK 1742 in deze periode in de kunsthandel aanwezig was (…).

(…)

12. Resteert nog de vraag wie bij restitutie als rechthebbenden aangemerkt dienen te worden. Hieromtrent overweegt de commissie als volgt. Conform de door [G] en [H] gesloten voortzettingsovereenkomst van 1 augustus 1939 heeft [H], één van de twee vennoten van firma [I], na de oorlog de onderneming voortgezet in verband met het overlijden van de andere vennoot, te weten zijn vader [G], onder gehoudenheid zijnerzijds betalingen te doen aan de overige erfgenamen van zijn vader. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van een drietal verklaringen uit januari 1947 van de nog in leven zijnde zusters van [H], waarin zij stellen dat de betreffende financiële regeling op een later tijdstip zou plaatsvinden. Dit stond in verband met het feit dat de te betalen bedragen in 1947 nog niet konden worden vastgesteld ten gevolge van nog hangende rechtsherstelprocedures. De commissie neemt aan dat bij de uiteindelijk uitvoering van de overeenkomst en de financiële afwikkeling geen rekening is gehouden met restitutie van NK 1742. De commissie overweegt dat de overeenkomst uit 1939 als basis zal moeten dienen voor de teruggave van NK 1742. Op grond hiervan zou kunsthandel [I] recht hebben gehad op teruggave van NK 1742, onder verrekening van de waarde van het schilderij met de erfgenamen van [G]. De commissie oordeelt dan ook dat thans verzoekster als enige eigenaar van de eenmanszaak [I] aanspraak kan maken op restitutie van NK 1742, waarbij sprake zal moeten zijn van een verrekening van de waarde van het schilderij met de erven van [G].

(…)

2.6. Bij notariële akte van 28 augustus 2007 is het schilderij door de staat overgedragen aan [F].

2.7. Onder zaaknummer 419385/ HA RK 09-131 heeft de rechtbank op verzoek van [A] c.s. een deskundigenonderzoek bevolen, waarbij de deskundige is gevraagd naar de vrije verkoopwaarde van het schilderij per 28 augustus 2007. Op het moment van deze beslissing is nog geen bericht van de deskundige bekend.

3. Het geschil

3.1. [A] c.s. vordert samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat [F] gehouden is aan [A] c.s. te voldoen 4/5 van de vrije verkoopwaarde van het schilderij, vastgesteld per 28 augustus 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze waarde per 28 augustus 2007 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.000,- en met veroordeling van [F] in de proceskosten.

3.2. [A] c.s. stellen dat, nu het schilderij deel uitmaakte van de handelsvoorraad van de Vof, de erfgenamen van [G] gerechtigd zijn in een aandeel in de waarde van het schilderij, op grond van de Vof-akte en op grond van erfrecht.

3.3. [F] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Grondslag van de vordering

4.1. [F] heeft aangevoerd dat de juridische grondslag van de vordering ondeugdelijk is. Hoewel [A] c.s. erkennen dat [F] thans eigenaresse is van het schilderij, lijken zij tevens te betogen dat het schilderij een onverdeeld bestanddeel van de nalatenschap van [G] is. Voor zover zij bedoelen te stellen dat terzake het schilderij niet is voldaan aan artikel 18 van de vennootschapsovereenkomst, hebben zij onvoldoende gesteld, aldus [F].

4.2. [A] c.s. stellen dat het schilderij als onverrekend bestanddeel van de nalatenschap van [G] dient te worden beschouwd en er alsnog verrekend moet worden tussen de rechthebbenden. Ter comparitie hebben [A] c.s. toegelicht dat zij aanspraak maken op een deel van de waarde van het schilderij, welke vordering is gebaseerd op de vennootschapsakte en op het erfrecht.

4.3. De rechtbank acht de grondslag van de vordering voldoende duidelijk. Uit de stellingen van [A] c.s. blijkt dat [A] c.s. zich op het standpunt stellen dat het schilderij deel uit maakte van de handelsvoorraad van de Vof, en dat daarmee geen rekening is gehouden ten tijde van de voortzetting van de Vof, zodat de waarde van het schilderij op grond van artikel 18 van de vennootschapsovereenkomst en op grond van bepalingen van erfrecht alsnog dient te worden verrekend met de erfgenamen van [G].

Verjaring

4.4. Het meest verstrekkende verweer van [F] luidt vervolgens dat de vordering van [A] c.s. is verjaard. De vordering is volgens haar ontstaan op het moment van overlijden van [G] (11 of 12 augustus 1942) of op het moment van voortzetting van de kunsthandel door [H] (1 oktober 1945). De verjaringstermijn ving toen aan. Deze termijn is ofwel 5 jaar omdat het een geldvordering betreft, ofwel 20 jaar. In beide gevallen is de termijn verstreken en de vordering verjaard, aldus [F].

4.5. Volgens [A] c.s. ving de verjaringstermijn aan in augustus 2007, toen het schilderij werd gerestitueerd. Pas op dat moment ontstond er een opeisbare vordering.

4.6. De vordering van [A] c.s. heeft betrekking op een uit hoofde van artikel 18 van de vennootschapsovereenkomst ontstane schuld van [H] aan (de erven van) [G], welke schuld zou zijn overgegaan op [F], als erfgenaam van [H].

4.7. De vennootschapsovereenkomst tussen [H] en [G] bepaalt dat bij voortzetting van de kunsthandel door de ene vennoot deze verplicht is aan de andere vennoot of diens erven of rechtverkrijgenden een bedrag uit te keren gelijk aan het saldo van de kapitaalrekening van die andere vennoot. Na het overlijden van [G] heeft [H] na de oorlog de kunsthandel voorgezet. Op dat moment onstond er dus een verplichting van [H] aan de erven van [G] tot betaling van het saldo van de kapitaalrekening van [G].

4.8. Aan de hand van het advies van de Restitutiecommissie (onder punt 8) kan worden vastgesteld dat het schilderij al deel uitmaakte van de handelsvoorraad van de kunsthandel [F] in 1929. De Restitutiecommissie acht het in hoge mate waarschijnlijk dat het schilderij op 1 december 1941 nog deel uitmaakte van die handelsvoorraad. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat het schilderij ook op 1 augustus 1939, het moment waarop de vennootschapsovereenkomst werd aangegaan, deel uitmaakte van de handelsvoorraad van de kunsthandel [F].

4.9. Gelet op het onder 4.8 overwogene, moet ervan worden uitgegaan dat het schilderij op het moment dat dit door [G] in de vennootschap werd ingebracht, is gewaardeerd en dat de waarde onder ingebracht kapitaal is opgenomen op de kapitaalrekening van [G]. Dat betekent dat [A] c.s. niet gerechtigd zijn in een aandeel van de waarde van het schilderij, omdat die waarde al is meegenomen in de kapitaalrekening van [G]. De vordering van [A] c.s. kan alleen betrekking hebben op de afrekening van het saldo van de kapitaalrekening van [G]. Voor zover er nog een vordering bestaat, is die echter verjaard, zoals uit het onderstaande zal blijken.

4.10. Rechtsvorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, verjaren door verloop van 5 jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Een andere aanvangstermijn geldt voor verbintenissen tot nakoming na onbepaalde tijd (art. 3:307 Burgerlijk Wetboek), waarmee blijkens de Memorie van Toelichting tevens wordt bedoeld de situatie waarin uitstel voor onbepaalde tijd van de prestatie is overeengekomen. De verjaringstermijn is dan 5 jaar te rekenen vanaf de dag volgend op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart in ieder geval door verloop van 20 jaar na de aanvang van de dag, volgend op die waartegen de opeising op zijn vroegst mogelijk was.

4.11. De vordering uit hoofde van artikel 18 van de vennootschapsovereenkomst is ontstaan op het moment dat [H], na het overlijden van [G], de kunsthandel heeft voortgezet, te weten op 1 oktober 1945, en was op dat moment ook opeisbaar.

4.12. Uit het onderzoeksrapport van de Restitutiecommissie en uit het door [F] aangehaalde, door [A] c.s. niet betwiste, citaat uit een verklaring van de zusters van [G] maakt de rechtbank op, dat de nog in leven zijnde dochters van [G] in januari 1947 hebben verklaard dat financiële afrekening met hun broer [H] overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst op een later tijdstip zou plaatsvinden.

4.13. Van een financiële afrekening met de erven van [G] zijn geen stukken gevonden, zodat [A] c.s. ervan uitgaan dat die afrekening nooit heeft plaatsgevonden. [F] vermoedt dat er tussen 1957, toen [H] overleed, en 1970 een afrekening heeft plaatsgevonden, maar kan dat niet aantonen, omdat stukken ontbreken.

De rechtbank zal het er daarom voor houden dat er geen afrekening met de erven van [G] heeft plaatsgevonden op basis van artikel 18 van de vennootschapsovereenkomst.

4.14. In dit geval kan de verklaring uit 1947 van de dochters van [G], dat de financiële regeling op een later tijdstip zal plaatsvinden, worden beschouwd als een uitstel voor onbepaalde tijd. Er is niet vast komen te staan of en op welk moment de dochters van [G] aan [H] hebben medegedeeld dat zij tot opeising van het hun toekomende overgingen. De onderhavige vordering van hun erfgenamen, [A] c.s. kan als zo’n mededeling worden beschouwd. Echter: op grond van het tweede lid van art. 3:307 Burgerlijk Wetboek is de vordering in dat geval verjaard, nu er sinds de dag waarop opeising op zijn vroegst mogelijk was, reeds meer dan 60 jaar, maar in ieder geval meer dan 20 jaar zijn verstreken.

4.15. Dat de omvang van de vordering op 1 oktober 1945, ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan, nog niet kon worden vastgesteld, maakt de situatie niet anders. De erven van [G] hadden de verjaring immers kunnen stuiten, en hadden zich het recht op nakoming kunnen voorbehouden. Dat de verjaring is gestuit, is echter gesteld noch gebleken.

4.16. [A] c.s. hebben zich nog beroepen op de overweging in het advies van de Restitutiecommissie, waarin is gezegd dat sprake zal moeten zijn van een verrekening van de waarde van het schilderij met de erven [G]. Uit deze overweging in het advies van de Restitutiecommissie vloeit voor [F] echter geen verplichting voort. Uit dit advies blijkt overigens ook niet dat de Restitutiecommissie de mogelijkheid van verjaring van de vordering in haar overwegingen heeft betrokken.

4.17. Een en ander leidt ertoe dat het beroep van [F] op verjaring van de vordering uit hoofde van artikel 18 van de vennootschapsovereenkomst slaagt. De overige verweren behoeven geen bespreking meer. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.18. [A] c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [F] worden begroot op:

- Vast recht EUR 313,00

- Salaris advocaat 768,00 (2 punten x tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.081,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [F] tot op heden begroot op EUR 1.081,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.?