Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL6729

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
170005 - HA ZA 99-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

erfrecht, ouderlijke boedelverdeling

Ouderlijke boedelverdeling. Dat betekent voor de erfgenamen een verdeling waarbij alle goederen van de nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot gaan en de kinderen een vordering op de langstlevende (i.c. hun stiefouder) krijgen, die pas opeisbaar is na het overlijden van de langstlevende.

Om de hoogte van de (nog niet opeisbare) vorderingen te berekenen, moet de omvang van de nalatenschap worden vastgesteld. Daarvoor zal een boedelbeschrijving moeten worden opgemaakt. Dat is de taak van de executeur (artikel 4:146 BW).

Op grond van artikel 4:16 lid 4 BW hebben bij een (thans, onder het nieuwe recht geldende) wettelijke verdeling de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven; de daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Nu de wettelijke verdeling gebaseerd is op de (onder het oude recht geldende) ouderlijke boedelverdeling, is de rechtbank van oordeel dat voor de nog onder het oude recht tot stand gekomen ouderlijke boedelverdeling in redelijkheid ook de regeling van artikel 4:16 lid 4 BW heeft te gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 170005 / HA ZA 99-415

Vonnis van 24 juni 2009

in de zaak van

[D]

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. P.M. Smits,

tegen

1. de erfgenamen van wijlen [A]:

a. [B]

wonende te --,

b. [C]

wonende te --,

2. [E]

wonende te --,

3. [F]

wonende te --,

4. [G]

wonende te --,

5. [H]

wonende te --,

6. [I]

wonende te --,

gedaagden,

advocaat mr. B.S. Friedberg.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 maart 2002,

- het tussenvonnis van 9 april 2003,

- de schorsing in verband met het instellen van hoger beroep,

- de conclusie na tweede tussenvonnis van eiseres van 3 oktober 2007, met producties,

- de akte van 26 november 2008 van eiseres, met als productie het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 2008,

- de antwoordakte van gedaagden van 24 december 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In deze zaak gaat het – kort gezegd - om de nalatenschappen van [J] en [K] (hierna: [K]). Recapitulerend heeft daarbij het volgende te gelden.

2.1.1. [J] en [K] zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest, tot het overlijden van [J] op 21 april 1976. Uit het huwelijk zijn zes kinderen geboren: eiseres, gedaagden 2 tot en met 5 en [A], die op 15 januari 1983 is overleden, met achterlating van een echtgenote (gedaagde 1a) en een kind (gedaagde 1b), zijn erfgenamen.

[K] is nadien gehuwd geweest met gedaagde 6, tot aan zijn overlijden op 26 juli 1996.

2.1.2. Bij testament van 9 juli 1955 heeft [J] over haar nalatenschap beschikt, in die zin dat [K] tot erfgenaam werd benoemd voor het wettelijke toegestane gedeelte en dat verder aan hem de (on)roerende zaken werden gelegateerd, tegen inbreng van de waarde daarvan.

Op grond van het testament kwam aan ieder van de kinderen (alleen) hun wettelijk erfdeel toe van (op grond van artikel 961 lid 3 (oud) BW: ¾ x 1/7 = ) 3/28 of wel f. 23.528,73 (zie het tussenvonnis van 20 maart 2002 onder 1 sub h), door [K] en partijen kennelijk afgerond op f. 23.000,--. Aan [K] kwam het resterende deel van 10/28 toe.

2.1.3. Bij testament van 11 juli 1996 heeft [K] over zijn nalatenschap beschikt. Daarbij heeft hij zijn kinderen en gedaagde 6 tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor gelijke delen. Tevens heeft hij op de voet van artikel 1167 (oud) BW een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling opgemaakt, waarbij aan gedaagde 6 alle goederen van zijn nalatenschap zijn toegedeeld en aan de kinderen een vordering op haar wegens overbedeling, welke vordering eerst opeisbaar is – kort gezegd – bij haar overlijden. Bij het testament is gedaagde 6 tot executeur benoemd.

2.1.4. In deze procedure vordert eiseres uiteindelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

in de nalatenschap van [J]:

de veroordeling van gedaagde 6, in haar hoedanigheid van executeur, om binnen tien dagen na dat vonnis aan eiseres te voldoen f. 23.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 1996 tot aan de voldoening;

in de nalatenschap van [K]:

a. te bevelen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt ten overstaan van notaris

mr. A.J.W.M. van Hengstum te Hilversum;

b. voor elk der partijen een onzijdig persoon volgens de wet te benoemen;

c. gedaagden te bevelen om aan de boedelnotaris alle stukken en gegevens die zij met betrekking tot de nalatenschap in hun bezit hebben, binnen tien dagen na het te wijzen vonnis in origineel af te geven;

d. gedaagden te bevelen om met haar over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap alsmede de wijze van verdeling van de nalatenschap vast te stellen conform de door de sub a te benomen boedelnotaris op te maken boedelbeschrijving;

e. te bepalen dat de kosten van de boedelnotaris en de onzijdige personen ten laste zullen komen van de onverdeelde nalatenschap

een en ander met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

2.2. Bij tussenvonnis van 9 april 2003 (rechtsoverweging 6) heeft de rechtbank voor wat betreft de nalatenschap van [J] overwogen dat aan eiseres nog haar aandeel daarin toekomt van f. 23.000,-- (€ 10.436,95) en voor wat betreft de nalatenschap van [K] dat gedaagden 1 t/m 4 een bedrag van f. 97.000,-- (€ 44.016,69) dienen in te brengen en gedaagde 5 een bedrag van f. 27.000,-- (€ 12.252,07).

De rechtbank heeft verder overwogen dat zij ervan uitging dat partijen zich andermaal tot de notaris zouden wenden om met inachtneming van hetgeen eerder was overwogen de scheiding en deling van de nalatenschap van [K] te bewerkstelligen. Ten slotte heeft zij de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating royement.

2.3. Van dit vonnis zijn gedaagden in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 26 november 2008 heeft het hof te Amsterdam gedaagden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep, aangezien het dictum van het vonnis geen eindbeslissing bevatte.

2.4. Het voorgaande leidt thans tot de volgende beslissingen.

Met betrekking tot de nalatenschap van [J]

2.4.1. Eiseres heeft een opeisbare vordering uit de nalatenschap van [J] ter hoogte van haar aandeel van f. 23.000,-- (€ 10.436,95) aanvankelijk op [K], thans op zijn nalatenschap. In haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [K] dient gedaagde 7 dit bedrag aan eiseres te betalen. Daarom is de vordering tot betaling van van het bedrag van € 10.436,95 en – als verder niet betwist – de daarover gevorderde rente toewijsbaar.

Met betrekking tot de nalatenschap van [K]

2.4.2. Vooropgesteld wordt dat het hierbij gaat om een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling. De ouderlijke boedelverdeling betekent voor de erfgenamen een verdeling, door de erflater tot stand gebracht. Door deze verdeling zijn alle tot de nalatenschap behorende goederen toegevallen aan gedaagde 6. Aan de overige erfgenamen, de nog in leven zijnde kinderen en gedaagde 1b door plaatsvervulling van zijn vader, is een vordering op gedaagde 6 wegens overbedeling toegedeeld. Deze vorderingen zijn eerst bij het overlijden van gedaagde 6 opeisbaar.

Aldus is een vordering tot verdeling niet aan de orde, aangezien verdeling reeds heeft plaatsgevonden. De vordering sub d is daarom niet toewijsbaar.

2.4.3. Om de hoogte van de (weliswaar thans nog niet opeisbare) vorderingen op gedaagde 6 wegens overbedeling te berekenen, dient de omvang van de nalatenschap te worden vastgesteld. Ten behoeve daarvan zal een boedelbeschrijving moeten worden opgemaakt.

Het is de taak van de executeur daarvoor zorg te dragen (artikel 4:146 BW). Ten aanzien van haar zal dan ook de vordering sub a worden toegewezen om een boedelbeschrijving op te maken, dit ten overstaan van A.J.W.M. van Hengstum te Hilversum, de door eiseres voorgestelde boedelnotaris, tegen wie als persoon gedaagden geen bezwaar hebben aangevoerd. Wel hebben gedaagden voorgesteld bij de eerder in deze nalatenschap betrokken notaris te blijven. Gezien echter de tussen partijen gerezen geschillen, acht de rechtbank dat niet raadzaam.

Bij het opstellen van de boedelbeschrijving zal de overweging in het tussenvonnis van

9 april 2003 in aanmerking moeten worden genomen, dat gedaagden 1 t/m 4 een bedrag van

f. 97.000,-- (€ 44.016,69) dienen in te brengen en gedaagde 5 een bedrag van f. 27.000,--

(€ 12.252,07), als de bedragen die zijn geleend en nog niet zijn terugbetaald.

2.4.4. Op grond van artikel 4:16 lid 4 BW hebben bij een wettelijke verdeling de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven; de daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt.

Aangezien de (thans onder het nieuwe recht geldende) wettelijke verdeling gebaseerd is op de (onder het oude recht geldende) ouderlijke boedelverdeling, is de rechtbank van oordeel dat voor de nog onder het oude recht tot stand gekomen ouderlijke boedelverdeling in redelijkheid ook de regeling van artikel 4:16 lid 4 BW heeft te gelden. Dat leidt ertoe dat de vordering sub c toewijsbaar is. Weliswaar zijn gedaagden 1a en 1b geen kind als bedoeld in artikel 4:16 lid 4 BW, maar van hen kan op grond van de redelijkheid en billijkheid hetzelfde worden verlangd.

2.4.5. Het onder b gevorderde zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen, omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die noodzakelijk maken dat thans een onzijdig persoon wordt benoemd.

2.4.6. Het onder e gevorderde is in zoverre toewijsbaar dat de kosten van de boedelnotaris ten laste van de nalatenschap dienen te komen.

2.4.7. Zoals in het tussenvonnis van 9 april 2003 reeds is overwogen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

- veroordeelt gedaagde 6 tot betaling van € 10.436,95 (TIENDUIZEND VIERHONDERDZESENDERTIG EURO EN VIJFENNEGENTIG EUROCENT), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 1996 tot aan de voldoening;

- beveelt gedaagde 6 een boedelbeschrijving van de nalatenschap van [K] op te maken ten overstaan van notaris mr. A.J.W.M. van Hengstum te Hilversum;

- beveelt gedaagden om aan deze notaris alle stukken en gegevens die zij met betrekking tot de nalatenschap in hun bezit hebben, binnen tien dagen na dit vonnis in origineel af te geven;

- bepaalt dat de kosten van de notaris ten laste zullen komen van de onverdeelde nalatenschap;

- verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op

24 juni 2009.?