Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5781

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
13/497555-2009 RK nummer: 09/5146
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. Weigering o.g.v. art. 12 OLW: de enkele verwijzing naar een wettekst volstaat doorgaans niet als garantie a.b.i. deze bepaling. I.c. is de vertaling voor meerderlei uitleg vatbaar. De Nederlandse rechter is niet in staat de waarde van zo'n wettekst in de context van een buitenlands rechtssysteem te beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497555-2009

RK nummer: 09/5146

Datum uitspraak: 13 november 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 september 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 juni 2009 (ontvangen op 14 september 2009) door de Substituut-Officier van Justitie van het Parket Arrondissement Kubrat (Bulgarije).

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedatum] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in het Huis van Bewaring “De Weg” te Amsterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 oktober 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, aanwezig geweest. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Bulgaarse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een vonnis van de Rechtbank Arrondissement Kubrat met nr. 444 ten grondslag, uitgesproken op 25 november 2008 in verband met strafvordering nr. 315/2008 en bekrachtigd door Besluit nr. 5/03.02.2009 van de Rechtbank Regio Razgrat, in werking getreden op 3 februari 2009.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tevens voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee jaar die bij vonnis nr. 15/2005 van 9 maart 2006 van de Rechtbank Arrondissement Kubrat, voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon was opgelegd.

Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 oktober 2009 blijkt dat aan de gevangenisstraf van twee jaar die op 9 maart 2006 voorwaardelijk was opgelegd, een proeftijd van 4 jaar was verbonden. Volgens het Bulgaarse strafrecht wordt een voorwaardelijk opgelegde straf bij een nieuwe veroordeling binnen vier jaar omgezet in een onvoorwaardelijke straf. Met het tweede vonnis van 25 november 2008 is dat gebeurd, namelijk op het moment dat dit vonnis onherroepelijk is geworden, te weten op 3 februari 2009.

De voornoemde vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Bulgaarse nationaliteit heeft.

4. Artikel 12 van de OLW: verstekvonnis

4.1. Het vonnis van 25 november 2008

Het vonnis van 25 november 2008 waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd, is bij verstek gewezen. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting. De overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 12 van de Overleveringswet bedoelde garantie heeft gegeven.

De uitvaardigende Bulgaarse justitiële autoriteit heeft in het EAB verwezen naar artikel 423 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering, waarin is bepaald dat indien een persoon niet aanwezig was op de terechtzitting en bij de uitspraak, die persoon het recht heeft om een nieuw proces te verzoeken. Op aanvullende vragen van het Nederlandse Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 1 oktober 2009 geantwoord dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de terechtzitting van het vonnis van 25 november 2008. Hij was wel aanwezig toen de zaak nog in onderzoek bij de politie was, maar hij is opzettelijk het land uit gevlucht omdat hij wist dat er een rechtszaak zou komen. Voorts is in dit schrijven van 1 oktober 2009 vermeld dat de veroordeelde, die niet aanwezig was op de terechtzitting, volgens het Bulgaarse wetboek van strafvordering, de mogelijkheid heeft een nieuw proces te verzoeken. Als dit wordt gehonoreerd, wordt het eerdere proces ongeldig verklaard, inclusief de uitspraak.

Het Openbaar Ministerie heeft op 19 oktober 2009 aan de Bulgaarse justitiële autoriteit nogmaals om een expliciete garantie voor de opgeëiste persoon verzocht en gesteld dat een algemene garantie niet voldoende is. Hierop is op 19 oktober 2009 geantwoord dat de garantie staat vermeld in voornoemd artikel 423. Dit artikel is niet algemeen, maar concreet en ziet op de situatie in de gevallen waarin een persoon niet aanwezig was op de zitting en bij de uitspraak, aldus de Bulgaarse officier van justitie. Op 22 oktober 2009 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de Engelse vertaling van artikel 423 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering overgelegd en verklaard dat dit artikel relevant is voor de zaak van de opgeëiste persoon en dat de officier van justitie dit als bewijs mag gebruiken voor de gevraagde garantie.

De raadsman heeft gemotiveerd betoogd dat deze garantie onvoldoende is, omdat zij niet specifiek op de opgeëiste persoon betrekking heeft. Voorts heeft hij aangevoerd dat de garantie, gezien de overige in het geding gebrachte wetsartikelen, naar alle waarschijnlijkheid niet onvoorwaardelijk is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven garantie voldoende is. De vertaling van artikel 423 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering is door de uitvaardigende justitiële autoriteit ondertekend en daarbij is verklaard dat dit als bewijs voor de garantie kan worden gebruikt. Alhoewel de officier van justitie onderkent dat de vertaling te wensen overlaat, is zij van mening dat het vijfde lid van voornoemd artikel specifiek op de situatie van de opgeëiste persoon is toegespitst en dat daaruit blijkt dat de opgeëiste persoon om een nieuw proces kan verzoeken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De door de uitvaardigende justitiële autoriteit gegeven vertaling van voornoemd vijfde lid van artikel 423 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering luidt als volgt:

“ If the request has been filed by a sentenced by default and handed by another state of the Republic of Bulgaria, against provided bails over the suit, the court shall revive it, without assessment of if the person had been or had not been aware of the court proceedings against him/her.”

De rechtbank overweegt dat een garantie in de zin van artikel 12 van de OLW genoegzaam is, als duidelijk is dat de opgeëiste persoon na overlevering nog een rechtsmiddel kan aanwenden dat tot een nieuw proces zal leiden. De in de onderhavige zaak door de Bulgaarse uitvaardigende justitiële autoriteit gegeven garantie voldoet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan. Bij wijze van verzetgarantie is in het algemeen verwezen naar artikel 423 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering. Vooropgesteld moet worden dat een dergelijke algemene verwijzing doorgaans niet volstaat als verzetgarantie in de zin van artikel 12 van de OLW.

In dit geval volstaat deze verwijzing te meer niet, nu de grammaticaal niet volledig juiste Engelse vertaling van bedoeld artikel voor meerdere interpretaties vatbaar is. Zo zou in deze vertaling kunnen worden gelezen dat de mogelijkheid van verzet afhankelijk is gesteld van borgstelling. Tevens kan in het eerste lid van bedoeld artikel worden gelezen dat een herzieningsverzoek ingediend moet worden “within six-month period from learning about the enforceable sentence”. Dat deze voorwaarde voor de opgeëiste persoon niet van toepassing zou zijn – zoals door de officier van justitie is betoogd – kan wellicht met wat goede wil in het vijfde lid van artikel 423 worden gelezen, maar staat daar niet.

Nu gelet op het bovenstaande over de bedoeling en reikwijdte van bedoeld artikel onduidelijkheid kan bestaan en de Nederlandse rechtbank niet in staat is de waarde van bedoeld artikel 423 in de context van het Bulgaarse strafvorderlijk rechtssysteem te beoordelen, is de enkele verwijzing naar het Bulgaarse wetboek van strafvordering onvoldoende om als verzetgarantie te gelden.

In het licht van het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een op de opgeëiste persoon toegesneden verzetgarantie noodzakelijk is. Indien deze immers zou zijn gegeven, hoefde de rechtbank zich niet te begeven op het haar onbekende en - bij gebreke van deugdelijke vertalingen - ontoegankelijke terrein van het Bulgaarse strafvorderlijk recht. De rechtbank wenst niet het risico te nemen dat bepaalde onbekende, onduidelijke of voor haar als gevolg van niet deugdelijke vertalingen onbegrijpelijke voorwaarden de mogelijkheid van verzet voor de opgeëiste persoon in feite illusoir maken.

Er is in deze zaak geen reden het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een dergelijke concrete verzetgarantie aan de Bulgaarse autoriteiten te vragen. Dat heeft zij immers al meermalen gedaan, telkens zonder afdoende resultaat.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om voor het vonnis van 25 november 2008 een nieuw proces te verzoeken en vervolgens aanwezig te zijn op de terechtzitting. De overlevering zal voor de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde gevangenisstraf worden geweigerd.

4.1. Het vonnis van 9 maart 2006

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de overlevering voor het vonnis van 25 november 2008 wordt geweigerd, de overlevering vervolgens ook dient te worden geweigerd voor de bij dit vonnis bevolen tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 maart 2006. Het vonnis van 2008 is immers bij verstek gewezen en de opgeëiste persoon is dus niet in de gelegenheid is geweest om zich te verweren tegen de omzetting van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

De officier van justitie heeft betoogd dat dit verweer niet kan slagen. De voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf en volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank kan bij een dergelijke omzetting geen sprake zijn van een verstekvonnis in de zin van artikel 12 van de OLW.

De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak vallen onder verstekvonnissen in de zin van artikel 12 van de OLW niet de beslissingen tot omzetting van een voorwaardelijke in een onvoorwaardelijke straf of tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In deze zaak is daarom in het kader van het overleveringsrecht slechts relevant of het vonnis van 9 maart 2006 een verstekvonnis is. Vastgesteld is, dat dit vonnis niet bij verstek is gewezen omdat de opgeëiste persoon bij de terechtzitting en de daarop volgende uitspraak aanwezig is geweest zodat de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde gevangenisstraf kan worden toegestaan.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

5. Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

5.1. Het vonnis van 25 november 2008

Nu de rechtbank – gelet op hetgeen in paragraaf 4.1 van deze uitspraak is overwogen – de overlevering zal weigeren voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf opgelegd bij vonnis van 25 november 2008, behoeft het verweer van de raadsman met betrekking tot de dubbele strafbaarheid van de feiten in dat vonnis geen bespreking meer.

5.2. Het vonnis van 9 maart 2006

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd geen lijstfeit betreft zodat het feit zowel naar het recht van Bulgarije als naar Nederlands recht strafbaar dient te zijn en op dit feit bovendien in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden dient te zijn gesteld. Aan deze voorwaarden is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

De stelling van de raadsman dat het feit ongenoegzaam is omschreven, wordt door de rechtbank niet gevolgd. In artikel 2, tweede lid, van de OLW staan de gegevens vermeld die een EAB in elk geval dient te bevatten, te weten, voor zover hier van belang:

- de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit;

- een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, onder meer, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat het EAB en hetgeen de Bulgaarse uitvaardigende autoriteiten in aanvulling daarop hebben toegestuurd bovengenoemde gegevens bevatten en dat daarmee in voldoende mate de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit is omschreven.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit met betrekking tot het vonnis van 9 maart 2006 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering in zoverre te worden toegestaan. Voor de feiten met betrekking tot het vonnis van 25 november 2008 moet zij worden geweigerd.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5, 7, 12 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Subsituut-Officier van Justitie van het Parket Arrondissement Kubrat (Bulgarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat, dat is opgelegd bij het vonnis van 9 maart 2006 en waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die is opgelegd voor de feiten van het

vonnis van 25 november 2008.

Aldus gedaan door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. C.W. Bianchi en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]