Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5502

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
44105 HA RK 09.874
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking op grond van art. 513 Sv. Het verzoek is afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een politierechter. Het verzoek berust op de gedachte dat de rechter zich voor het einde van de behandeling van de zaak al een oordeel heeft gevormd over de inhoud en overtuigingskracht van de belastende verklaring van de aangeefster zonder de verdediging eerst de gelegenheid te hebben gesteld het recht van ondervraging op deze belastende getuige uit te oefenen.

De rechtbank heeft overwogen dat een beslissing van een rechter, ook als deze beslissing in het nadeel van de verzoeker uitvalt en zelfs als die beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, in het algemeen geen grond zal kunnen zijn om te veronderstellen dat de rechter een vooringenomenheid jegens de verzoeker koestert, noch kan de verzoeker daar de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid aan ontlenen. Dat is slechts anders, als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing neemt die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De rechter heeft, alvorens een besluit te nemen, zich beraden op het verzoek om de getuige opnieuw te horen. Niet gebleken is dat de rechter zich al een oordeel had gevormd over het belang van deze getuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 16 november 2009 ingekomen en onder rekestnummer 44105 HA RK 09.874 ingeschreven verzoek van:

[ ], geboren op [ ] te [ ]([ ]),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

verzoeker, raadsman:

mr. W.H. Jonkers

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], politierechter, belast met de behandeling van strafzaken te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- een proces-verbaal terechtzitting van de enkelvoudige strafkamer van 16 november 2009.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld in raadkamer van 27 november 2009, alwaar de raadsman, de rechter en de officier van justitie zijn gehoord. De raadsman heeft een pleitnota overgelegd.

De uitspraak is nader bepaald op 11 december 2009.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak geregistreerd onder parketnummer [ ].

b) De raadsman van verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van 16 november 2009 verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden omdat verzoeker in verband met een pokertoernooi in [ ] verblijft, maar wel graag bij de zitting aanwezig wil zijn om een verklaring af te leggen. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat de officier van justitie bezwaar heeft gemaakt tegen de aanhouding van de zaak.

c) De rechter heeft na beraad het verzoek tot aanhouding van de behandeling afge-wezen. Volgens het proces-verbaal heeft hij daartoe overwogen: “de telastege-legde feiten dateren van lang geleden. De zaak is al eerder - tot twee keer toe - aangehouden op verzoek van de verdediging. Verdachte was tijdig op de hoogte van de datum van de nieuwe zitting. Hij had namelijk al drie weken voor 29 ok-tober 2009 contact met zijn nieuwe advocaat zo blijkt ook uit het e-mailbericht van 29 oktober 2009. Niet is gebleken waarom verdachte niet één toernooi zou kunnen overslaan alvorens naar [ ] te reizen. Verdachte heeft de keuze gemaakt om niet te komen. Het strafvorderlijk belang bij voortgang van de zaak heeft thans zwaarder te wegen dan het belang bij de voortgang van verdachte bij be-handeling van de zaak in zijn aanwezigheid. Verdachte wist van de zaak vanaf het moment dat de dagvaarding hem is uitgereikt.”

d) De raadsman heeft ter zitting een beroep gedaan op –voor zover nog van belang- het noodzaakcriterium ten aanzien van het horen van de niet verschenen getuigen [ ] en op grond daarvan opnieuw om aanhouding van de behandeling verzocht.

e) Nadat de rechter dit verzoek had afgewezen heeft de raadsman van verzoeker het verzoek tot wraking gedaan.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende ter zitting mondeling toege-lichte gronden.

1) Verzoeker heeft de rechter gewraakt, omdat hij van mening is dat in dit geval de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de politierechter zich voor het einde van de behandeling van de zaak reeds een oordeel heeft gevormd over de inhoud en overtuigingskracht van de belastende verklaring van de aangeefster zonder de verdediging eerst de gelegenheid te hebben gesteld het recht van ondervraging op deze belastende getuige uit te oefenen.

2) Verzoeker vraagt zich af in hoeverre de rechter nu kan komen tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen, terwijl er een belang voor de verdediging is en in hoeverre de rechter nog onbevooroordeeld naar deze zaak kan kijken.

3) Verzoeker meent dat bij de rechter empathie met getuige [ ]een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de beslissing om de behandeling van de zaak niet aan te houden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen juridische grond bestaat die de beslissing van de rechter kan dragen, terwijl de verdediging daarmee wel het recht wordt ontnomen om deze belastende getuige te horen, aldus verzoeker.

4) Ten aanzien van het ontbreken van steun op juridische gronden stelt verzoeker zich op het standpunt dat door omstandigheden die niet aan de verdediging kunnen worden toegerekend het recht op wederhoor is geschonden. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoeker verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 1994, NJ 1994, 427. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat de behandeling van de zaak weliswaar tweemaal op verzoek van de verdediging is aangehouden doch dat dit in beide gevallen ruimschoots van tevoren bekend was bij het openbaar ministerie. Als laatste heeft verzoeker erop gewezen dat zich geen van de gronden als bedoeld in artikel 288, eerste lid van het Wetboek van burgerlijke Strafvordering voordoen, op grond waarvan kan worden afgezien van een hernieuwde oproeping.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft het verzoek ter zitting gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt hierna dat verweer hierna vermeld.

4. De reactie van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1. Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstan¬digheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.3 Bij die beoordeling staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstel-ling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandighe-den voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoe-ker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De vraag of er spra-ke is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve cri-terium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden ge-trokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoekster objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpar-tijdigheid bij deze rechters ontbreekt.

5.4 Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzing te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen houvast gevonden.

5.5 Te onderzoeken staat vervolgens of niettemin de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

5.6 Tot uitgangspunt dient daarbij dat een beslissing van een rechter, ook als deze beslissing in het nadeel van de verzoeker uitvalt en zelfs als die beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, in het algemeen geen grond zal kunnen zijn om te veronderstellen dat de rechter een vooringenomenheid jegens de verzoeker koestert, noch kan de verzoeker daar de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringeno-menheid aan ontlenen. Dat is slechts anders, als in het licht van de feiten en omstan-digheden van het geval de rechter een beslissing neemt die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

5.7 De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De rechter heeft, al-vorens een besluit te nemen, zich beraden op het verzoek om de getuige opnieuw te horen. Niet gebleken is dat de rechter zich al een oordeel had gevormd over het be-lang van deze getuige. De door verzoeker gewraakte, en door de rechter ontkende opmerking ‘en ik vind het ook niet nodig de getuige te horen’ staat noch vermeld in het uitgewerkte proces-verbaal noch in de handgeschreven aantekeningen van de griffier. Het moet er dan voor worden gehouden dat de rechter deze woorden of woorden van gelijke strekking niet heeft gebruikt.

5.8 Dat de rechter zich heeft laten leiden door empathie voor de getuige is even-min gebleken. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt slechts dat de rechter heeft geconstateerd dat de getuige al tweemaal tevergeefs ter zitting is verschenen, dat zij thans ziek is en dat de rechter vervolgens heeft geconcludeerd dat het belang van de verdachte in dit geval heeft te wijken voor het belang van de voortgang van de zaak. Uit deze beslissing kan noch een inhoudelijk vooroordeel van de rechter over de zaak, noch empathie van de rechter voor de getuige worden afgeleid. Veeleer kan uit deze beslissing worden afgeleid dat de rechter niet bereid was de behandeling van de zaak nogmaals aan te houden. Voorzover eiser het niet eens is met deze beslissing kan hij deze in een eventueel hoger beroep aan de orde stellen. Wraking is daarvoor niet het geëigende middel.

5.9 Hetgeen door verzoeker overigens is aangevoerd levert geen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden. Vorenstaande betekent dat het verzoek tot wraking van de rechter dient te worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING :

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking af;

? bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer [ ]wordt voort-gezet in de stand waarin die zich ten tijde van indiening van het verzoek be-vond.

Aldus gegeven door mr. J.A.J. Peeters, voorzitter, mrs. A.A.M. van Oosten en Y.A.A.G. de Vries, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

11 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.