Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5476

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09.750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking op grond van art 36 Rv. Verzoek afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een kantonrechter.

Het verzoek berust op de gedachte dat de rechter zich in het vonnis in het incident op dusdanige wijze uitgelaten over het geschil ten gronde dat hij – met schending van het beginsel van hoor en wederhoor – is vooruitgelopen op de einduitspraak. Daarbij heeft de rechter zich bediend van onjuiste feitenvaststellingen en heeft hij nagelaten te reageren op de uitvoerig gemotiveerde verweren van verzoekers. De rechter is daardoor objectief partijdig geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. In de onderhavige procedure kunnen de bezwaren van verzoeker niet aan de orde komen, nu zij alle tegen de inhoud van dat vonnis zijn gericht. In een wrakingsprocedure kan niet worden opgekomen tegen onwelgevallige (proces) beslissingen. Het is immers niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar om te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Er kan slechts dan aanleiding bestaan een vooringenomenheid te vermoeden, indien de wijze waarop de rechter de zaak behandelt en de door deze genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Daarvan getuigen de betreffende wijze van behandeling en de genomen beslissingen niet, ook al was een andere aanpak van de procedure zeker niet ondenkbaar geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 28 september 2009 gedane en onder rekestnummer 09.750 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ],

wonende te [ ],

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het wrakingsverzoek met producties,

? de schriftelijke reactie d.d. 6 oktober 2009 van de rechter.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter open¬bare te¬recht¬zit¬ting van 12 oktober 2009 alwaar de rechtbank verzoeker en de rechter heeft gehoord. Verzoeker heeft een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek overgelegd. Hij was ter zitting vergezeld van zijn bedrijfsleider [ ] en zijn boekhouder [ ]. De uitspraak is bepaald op 16 oktober 2009.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie in een bij de rechtbank onder rolnummer [ ] aanhangige zaak. Het betreft een loonvordering van een ex-werknemer van verzoeker. In reconventie heeft verzoeker terugbetaling van een lening gevorderd.

b) Op 11 augustus 2009 heeft de rechter een tussenvonnis gewezen. Daarbij heeft zij een gedeelte van de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. Ten behoeve van de beoordeling van het restant van de vordering in conventie heeft de rechter bepaald dat een comparitie zal worden gehouden.

c) Eisende partij in conventie heeft hierna een verzoek tot verbetering van het vonnis ingediend wegens een kennelijke verschrijving, omdat twee door de rechter toegewezen bedragen ten onrechte niet in het dictum zijn opgenomen. Verzoeker heeft daarop verzocht om het gehele vonnis te verbeteren.

d) Het verbeterde vonnis zou worden uitgesproken op 29 september 2009, maar is niet

uitgesproken door de schorsing van de procedure vanwege de indiening van het wrakingsverzoek.

e) De comparitie was eveneens bepaald op 29 september 2009.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende - verkort - zakelijk weergegeven gronden:

2.1 Volgens verzoeker ontbreekt bij de rechter de noodzakelijke onpartijdigheid. Dit blijkt uit de wijze waarop het vonnis is tot stand gekomen en uit de inhoud daarvan.

2.2 De rechter is structureel ongemotiveerd voorbijgegaan aan het onderbouwde verweer van verzoeker tegen de vordering in conventie. Steeds is door de rechter op onbegrijpelijke wijze in het nadeel van verzoeker beslist.

2.3 De rechter heeft er ten onrechte voor gekozen om het grootste gedeelte van de vordering in conventie toe te wijzen zonder een comparitie te houden terwijl daartoe alle aanleiding was.

2.4 Partijdigheid blijkt volgens verzoeker ook uit het letterlijk overnemen door de rechter van kwalificaties uit de dagvaarding, zoals haar overweging dat er aan de in geding gebrachte delen van de loonadministratie veelal geen touw is vast te knopen.

3. Het verweer van de rechter

De rechter heeft het verzoek bestreden. De rechter heeft aangevoerd dat zich geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor haar onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechter betreurt het dat verzoeker kennelijk geen vertrouwen meer in haar stelt, maar zij heeft daartoe geen aanleiding gegeven. Door verzoeker is geen bewijs aangeboden van zijn stellingen en zijn verweer was vaak niet voldoende gemotiveerd. Het is de keus van verzoeker geweest om geen advocaat te nemen. De rechter heeft het vonnis naar eer en geweten en volgens de regels die daarvoor gelden geschreven.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Uit artikel 37, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker had derhalve het verzoek moeten indienen terstond of hooguit kort na ontvangst van het vonnis. De rechtbank acht het verzoek echter toch tijdig gedaan, mede nu het

hier gaat om een tussenvonnis en aangenomen wordt dat bij verzoeker sprake is geweest van een misverstand.

4.2 Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.3 In de onderhavige procedure kunnen de bezwaren van verzoeker tegen het vonnis van 11 augustus 2009 niet aan de orde komen, nu zij alle tegen de inhoud van dat vonnis zijn gericht. Gelet op de achterliggende gedachte bij het wrakingsincident – te waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of het voorkomen van de schijn van rechterlijke partijdigheid – kan in een wrakingsprocedure niet worden opgekomen tegen onwelgevallige (proces) beslissingen. Het is immers niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar om te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.4 Daarbij is van belang dat slechts dan aanleiding kan bestaan een vooringenomenheid te vermoeden, indien de wijze waarop de rechter de zaak behandelt en de door deze genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Daarvan getuigen de betreffende wijze van behandeling en de genomen beslissingen niet, ook al was een andere aanpak van de procedure zeker niet ondenkbaar(RV) geweest.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

? wijst het wrakingsverzoek af;

? bepaalt dat de zaak met het rolnummer [ ] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. A.J. Beukenhorst, R.H. de Vries en K.D. van Ringen, leden van

genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.