Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5243

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
413293 - HA ZA 08-3289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, groepsverband artikel 6:166 lid 1 BW, kinderen artikel 6:169 BW, opzetclausule

Op 6 juni 2004 heeft een brand gewoed in een schoolgebouw. De brand is ontstaan doordat drie jongens (destijds allen vijftien jaar oud) op het dak van de gymzaal van de school gaten hebben gebrand in een plastic lichtkoepel met het doel om in te breken in de gymzaal. Een hoofdaannemer die op dat moment aan een nog niet opgeleverd nieuw gedeelte van de school werkzaamheden verrichtte, heeft schade geleden, begroot op een bedrag van EUR 929.127,18. Deze schade is door de CAR-verzekeraars vergoed. De drie jongens waren ten tijde van de brand medeverzekerd bij de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen van hun ouders, maar die weigeren dekking te verlenen op grond van de in hun polisvoorwaarden gehanteerde opzetclausule. De CAR-verzekeraars hebben twee aansprakelijkheidsverzekeraars en één van de drie jongens en zijn ouders gedagvaard.

De drie jongens zijn op grond van artikel 6:166 lid 1 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk jegens de hoofdaannemer voor de schade. De ouders van de drie jongens kan niet worden verweten dat zij de gedragingen van de drie jongens niet hebben belet als bedoeld in artikel 6:169 BW. Niet gebleken is dat zij tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taken.

De aansprakelijkheidsverzekeraars hebben een terecht beroep gedaan op de opzetclausule. Niet van belang is of de jongens de gevolgen van hun gedragingen, namelijk dat een deel van de school is afgebrand, hebben beoogd, (met zekerheid) konden voorzien of zich hier bewust van zijn geweest. Dat de opzet gericht was op het (wederrechtelijk) gaten branden in de plastic lichtkoepel om in de gymzaal van de school in te kunnen breken, is voor een beroep op de opzetclausule voldoende. Dit handelen van de drie jongens is aan te merken als crimineel gedrag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Burgerlijk Wetboek Boek 6 169
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/62
RAV 2010/57
S&S 2010/140

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 413293 / HA ZA 08-3289

Vonnis van 25 november 2009

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ GLOBAL RISK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap

HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. E.M. van Orsouw,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. A. van Hees,

2. de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge,

3. [A],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Stoel,

4. [B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Stoel,

5. [C],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Stoel.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk de CAR-verzekeraars en ieder afzonderlijk Allianz, Delta Lloyd en HDI genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk Achmea c.s. en ieder afzonderlijk Achmea, Aegon, [A], [B] en [C] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de gelijkluidende dagvaardingen van 11, 12 en 14 november 2008, met producties;

- de conclusie van antwoord van de zijde van Achmea, met één productie;

- de conclusie van antwoord van de zijde van Aegon, met producties;

- de conclusie van antwoord van de zijde van [A], [B] en [C], met producties;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 13 mei 2009, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 24 september 2009, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 6 juni 2004 heeft een brand gewoed in het schoolgebouw van de scholengemeenschap Huizermaat te Huizen. De brand is ontstaan doordat [D],[E]en [A] (destijds allen vijftien jaar oud) op het dak van de gymzaal van de school gaten hebben gebrand in een plastic lichtkoepel.

2.2. In het proces-verbaal van de politie Gooi en Vechtstreek, d.d. 7 juni 2004 staat een verklaring van [D] die onder meer luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Ik probeerde gisteren in te breken maar zeg dat alsjeblieft niet tegen mijn ouders. We wilden de gymzaal in omdat er iemand een bal wilde. Die iemand is [A]. Hij was er dus ook bij gisterenavond. Eerst wilden we rustig op het dak zitten maar omdat [A] een bal wilde uit de gymzaal wilden we naar binnen. [E], [A] en ik hadden de bedoeling om via de lichtkoepel de gymzaal van de Huizermaatschool in te gaan. Dat hadden we al een aantal keren eerder gedaan (…). In tegenstelling tot de vorige keren kregen we de lichtkoepel nu niet open. Ik zag dat er platen onder de koepel zaten waar we met geen mogelijkheid doorheen kwamen. Platen die er eerder nog niet zaten. Omdat we toch naar binnen wilden begonnen[E]en ik met behulp van onze aanstekers het plastic van de lichtkoepel weg te branden. Dit met als doel ons toegang te verschaffen tot de school. Terwijl[E]en ik bezig waren met het wegbranden van het plastic stond [A] naast ons. Hij was ook van plan om met ons mee de school in te gaan. [A] heeft niet met een aansteker geprobeerd het plastic weg te branden. Wel probeerde hij, door met stokjes in de vlammen te poeren het gat en de vlammen groter te maken. Na een paar minuten hadden we het idee dat het niet zou lukken. Dat we op deze manier niet de school in zouden komen. [A] ging toen van het dak af, naar beneden toe.

[E] en ik hielpen [A] naar beneden. Vervolgens liepen[E]en ik weer naar de lichtkoepel toe die we in de brand hadden gestoken. We zagen toen dat er meer plastic was gaan branden. Ook dubbele plastic platen vatten vlam.[E]en ik probeerden het vuur te doven. (…)”

2.3. In het proces-verbaal van de politie Gooi en Vechtstreek, d.d. 7 juni 2004 staat een verklaring van[E]die onder meer luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Mijn verklaring klopte wel daar waar het gaat dat wij met z’n drieën, p[D], [A] en ik, het dak zijn opgeweest bij de Huizermaat. Het klopt dat wij wilden inbreken. (…) Ik zou daar een voetbalnet gaan stelen voor [A]. (…) Toen wij daar aankwamen zagen wij dat wij niet via de lichtkoepel naar binnen konden. Dit kon eerst anders wel. Ik ben namelijk eerder de school/gymzaal binnengeweest en heb daar toen een volleybal gestolen. (…) U vraagt mij de reden waarom wij er dit keer niet in konden. Ik zag dat aan de onderkant van de koepel een soort metalen plaat was geplaatst. Ik zag dat deze metalenplaat deels schuin naar beneden afliep.

Ondertussen hebben wij met onze aanstekers het plastic van de koepel in de brand gestoken. Hierdoor zou een gat ontstaan waardoor wij de gymzaak in konden. Ik heb u verteld dat het gat circa 10 cm was. De werkelijke grote van het gat was 30 bij 40 cm wat wij weggebrand hebben.

(…)

Ik zag namelijk dat het brandende plastic begon te druppelen en via de schuin aflopende plaat de gymzaal in viel. Ik zag dat het binnen in de gymzaal ook al een beetje begon te branden. Het brandende plastic op de metalenplaat hebben wij zo goed en zo kwaad als het ging proberen te doven met een soort theedoek wat wij ook op het dak aantroffen. Ik zag dat het vuur wel wat minder maar niet helemaal gedoofd werd. Hierop raakte wij in paniek. Wij hadden de hele situatie met de brand niet meer onder controle. In de paniek zijn wij ook weggegaan terwijl ik zag dat er nog wel kleine vlammetjes te zien waren. Deze hebben wij niet verder meer geprobeerd te doven maar zijn direct hierop van het dak weggegaan.

(…)

Het is nooit mijn bedoeling geweest om de gymzaal in de brand te steken. Ik wilde alleen door het openbranden van de plastic koepel binnen in de gymzaal komen.

(…)

Ik wist dat het in de brandsteken van plastic dit kan smelten. Ik wist en zag ook dat het plastic al brandend begon te druppelen. Ik begrijp dat ik mij schuldig heb gemaakt aan brandstichting.”

2.4. In het proces-verbaal van de politie Gooi en Vechtstreek, d.d. 7 juni 2004 staat een verklaring van [A] die onder meer luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Vervolgens kwam [D]met het idee om gaten in dat plastic dakraam te branden. Ik zag dat [D]en[E]het dakraam in de brand staken (…). Ik zag dat het plastic eerst wit werd en begon te borrelen. Ik heb dus verschillende keren met een stokje geprobeerd het gat groter te maken tot dat ik het te gevaarlijk begon te vinden en ben toen dus weggegaan. (…) Ik zag dat ze gewoon verder gingen om gaten te branden. Toen ik weer van het dak af was zag ik in de weerspiegeling van de Huizermaat dat er ondertussen vlammen van ongeveer 30 centimeter waren. Ik zag ook in die spiegeling dat [D]en[E]het vuur probeerde te doven met een doek.

(…)

Ik denk zelf dat ik wel medeplichtig ben aan die brand.”

2.5. Op 4 februari 2005 zijn [D],[E]en [A] door de kinderrechter veroordeeld wegens brand door schuld (artikel 158 Wetboek van Strafrecht). Van het primair ten laste gelegde opzettelijke brandstichting (artikel 157 Wetboek van Strafrecht) zijn de drie jongens vrijgesproken.

2.6. Ten gevolge van de brand heeft onder meer de hoofdaannemer, bouwbedrijf Slokker Bouw Maatschappij B.V. (hierna: Slokker), die op dat moment aan een nog niet opgeleverd nieuw gedeelte van de school werkzaamheden verrichtte, schade geleden. Slokker had ten tijde van de brand een Constructie All Risk verzekering afgesloten bij de CAR-verzekeraars.

Expert R.R. Willemse van PWP Schade Experts heeft in zijn eindrapport d.d.

15 september 2004 de schade van Slokker begroot op EUR 929.127,18 exclusief btw. Deze schade is door de CAR-verzekeraars via Aon vergoed, met als gevolg dat de CAR-verzekeraars zijn gesubrogeerd in de rechten van Slokker.

2.7. [D],[E]en [A] waren ten tijde van de brand medeverzekerd bij de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van hun ouders, die een polis hadden afgesloten bij respectievelijk Achmea (ofwel Centraal Beheer), Aegon en Neerlandia van 1880 Schadeverzekeringen N.V. Verzekerings-Maatschappij (hierna: Neerlandia).

Achmea, Aegon en Neerlandia weigeren dekking te verlenen onder de aansprakelijkheidsverzekering jegens de drie jongens op grond van de in hun polisvoorwaarden gehanteerde opzetclausule.

2.8. De Polisvoorwaarden Woongarantverzekering, onderdeel Bijzondere voorwaarden Aansprakelijkheid voor Particulieren WO3111, van Achmea bepalen, voor zover hier van belang:

“Wat is niet verzekerd

Artikel 4

Opzet/(…)

Uitgesloten is de aansprakelijkheid:

a. van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht, wederrechtelijk handelen of nalaten;

b. van een tot een groep behorende verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht, wederrechtelijk handelen of nalaten van een of meer tot de groep behorende personen, ook wanneer niet de verzekerde zelf zodanig heeft gehandeld of nagelaten.”

2.9. De Polisvoorwaarden 3000 Woon- & Vrije Tijdpakket, onderdeel C Bijzondere voorwaarden aansprakelijkheid, van Aegon luiden, voor zover thans van belang:

“3 Bijzondere uitsluitingen en beperkingen

3.1 Opzet

Niet gedekt is de aansprakelijkheid:

- van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten;

- van een tot een groep behorende verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten van een of meer tot de groep behorende personen, ook in geval niet de verzekerde zelf zodanig heeft gehandeld of nagelaten.”

2.10. De familie [D] en de familie[E]hebben hun vordering onder de polis op respectievelijk Achmea en Aegon bij akte van cessie d.d. 8 en 13 februari 2008 aan de CAR-verzekeraars overgedragen. De familie [A] heeft haar vordering op Neerlandia niet overgedragen aan de CAR-verzekeraars, maar Neerlandia in vrijwaring opgeroepen.

2.11. Aangezien de CAR-verzekeraars voor verschillende percentages op de CAR-verzekering hebben ingetekend, hebben zij verschillende belangen in deze zaak. Allianz heeft een belang van 50%, Delta Lloyd van 30% en HDI van 20%.

3. Het geschil

3.1. De CAR-verzekeraars vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [D],[E]en [A] en hun wettelijke vertegenwoordigers onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker en dat de CAR-verzekeraars aanspraak kunnen maken op dekking onder de polis van Aegon en Achmea (Centraal Beheer).

Voorts vorderen de CAR-verzekeraars Achmea c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 464.563,59 aan Allianz, EUR 278.738,15 aan Delta Lloyd en EUR 185.825,44 aan HDI wegens schade ten gevolge van het incident d.d. 6 juni 2004, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2004, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele vergoeding.

Verder vorderen de CAR-verzekeraars Achmea c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 13.206,62 aan Allianz, EUR 7.923,98 aan Delta Lloyd en EUR 5.282,65 aan HDI, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan expertisekosten met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2004, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele vergoeding.

Tenslotte vorderen de CAR-verzekeraars Achmea c.s. hoofdelijk te veroordelen om te betalen een bedrag van EUR 13.097,45 aan Allianz, EUR 7.858,47 aan Delta Lloyd en EUR 5.238,98 aan HDI, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan de kosten van rechtsbijstand met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele vergoeding, met hoofdelijke veroordeling van Achmea c.s. in de kosten van deze procedure, met dien verstande dat de één bevrijd zal zijn als de andere deze kosten heeft voldaan.

3.2. De CAR-verzekeraars leggen hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat [D],[E]en [A] en hun ouders aansprakelijk zijn voor de schade die Slokker ten gevolge van de brand heeft geleden en dat Achmea en Aegon gehouden zijn dekking te verlenen onder de aansprakelijkheidspolis.

3.3. Achmea c.s. voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Aansprakelijkheid [D],[E]en [A]

4.1. De CAR-verzekeraars vorderen ten eerste voor recht te verklaren dat [D],[E]en [A] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker. Achmea en Aegon hebben niet betwist dat [D] en[E]onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker. [A], [B] en [C] betwisten echter wel dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Slokker. Zij stellen hiertoe dat [A] niet wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals die in concreto is geleden en wijzen er op dat [A] zich eerder uit het groepje heeft teruggetrokken.

4.2. Artikel 6:166 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De rechtbank overweegt dat de schade van Slokker voortvloeit uit gedragingen gepleegd in groepsverband door [D],[E]én [A] gezamenlijk. Uit de onder rechtsoverweging 2.4 geciteerde verklaring van [A] volgt dat hij heeft deelgenomen aan de gedragingen door met een stokje de door [D] en[E]gebrande gaten groter te maken. Ter comparitie heeft [A] verklaard dat toen hij nog op het dak was hij heeft gezien dat het plastic begon te borrelen, dat het plastic wit werd en dat er vlammen ontstonden die nog geen vijf centimeter hoog waren. Vast staat dus dat de plastic lichtkoepel al brandde op het moment dat [A] het dak verliet. De rechtbank is van oordeel dat [A] in ieder geval wist of behoorde te begrijpen dat het branden van gaten in de plastic lichtkoepel die lichtkoepel zelf beschadigde. Dat alleen al had [A] behoren te weerhouden van deelneming aan de gedragingen. Daarnaast had [A] zich ook moeten realiseren dat het in brand steken van de koepel gevaar schiep voor het ontstaan van een brand in de gymzaal. De kans op het toebrengen van die nog veel grotere schade had hem dees te meer behoren te weerhouden van deelneming aan de gedragingen. Dat de deelname van [A] aan de groepsgedragingen aan hem kan worden toegerekend volgt uit het feit dat hij door de kinderrechter is veroordeeld wegens brand door schuld en is ook los daarvan gegeven doordat uit zijn eigen verklaring blijkt dat sprake was van het opzettelijk branden van een gat in de lichtkoepel met het doel in de gymzaal in te breken. Dit brengt met zich dat [A] aansprakelijk is voor de schade die door één van de deelnemers aan de gedraging in groepsverband is toegebracht. Overigens ook indien vast zou komen te staan dat de schade niet door [A] zelf is toegebracht, ontheft hem dat niet van zijn aansprakelijkheid.

4.3. De rechtbank concludeert dat de drie jongens op grond van voornoemd artikel ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Slokker voor de schade. De rechtbank zal, zoals door de CAR-verzekeraars gevorderd, voor recht verklaren dat [D],[E]en [A] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker.

Aansprakelijkheid ouders

4.4. De CAR-verzekeraars vorderen ten tweede voor recht te verklaren dat de wettelijke vertegenwoordigers, althans de ouders van [D],[E]en [A] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker. De CAR-verzekeraars stellen dat de ouders zijn tekortgeschoten in hun toezichthoudende taken en derhalve ook aansprakelijk zijn. Achmea c.s. betwist dat de ouders van de drie jongens onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker en stelt daartoe onder meer dat de ouders geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij de gedragingen van de jongens niet hebben belet.

4.5. Artikel 6:169 BW bepaalt dat degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent aansprakelijk is voor de schade aan een derde toegebracht door een fout van een kind dat de leeftijd van veertien jaren al wel maar die van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet. De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:169 BW een schuldaansprakelijkheid vestigt met omkering van bewijslast. Het artikel gaat uit van de veronderstelling dat indien het kind derden onrechtmatig schade berokkent, de ouder nalatig is. Het is aan de ouder om aannemelijk te maken dat hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet.

4.6. [D],[E]en [A] waren ten tijde van de brandstichting allen vijftien jaar oud. De rechtbank overweegt dat de meeste kinderen op die leeftijd al redelijk zelfstandig zijn en acht het niet ongebruikelijk en ook niet onverantwoord dat die zich buiten het ouderlijk huis bevinden en dat de ouders niet steeds weten waar hun kind uithangt, wat hun kind doet en met wie het optrekt. De parlementaire geschiedenis bepaalt dienaangaande dat ouders in de regel niet in de gelegenheid zijn om kinderen van deze leeftijd bepaalde gedragingen te beletten, en dat, mede in verband met de belangen van het kind, van hen ook geen maatregelen kunnen worden gevergd, waardoor dergelijke gedragingen in het algemeen onmogelijk zouden worden gemaakt.

De rechtbank is verder, met Achmea c.s., van oordeel dat de aard en ontwikkeling van de jongens geen aanleiding gaf om extra toezicht op hen te houden. Niet gebleken is dat sprake was van ernstige gedrags- of opvoedingsproblemen. Alleen ten aanzien van [D] is bekend dat hij lijdt aan ADHD, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat hij daardoor (sneller) in de onderhavige problemen zou zijn gekomen.

Voorts hebben de CAR-verzekeraars niet aannemelijk gemaakt dat de ouders op de hoogte waren van eventuele eerdere incidenten rondom de school waar de drie jongens bij betrokken waren. De stelling van de CAR-verzekeraars dat het broertje van [D] hiervan op de hoogte zou zijn geweest, is hiertoe onvoldoende.

4.7. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de ouders niet kan worden verweten dat zij de gedragingen van de drie jongens niet hebben belet en dat derhalve niet gebleken is dat zij tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taken. De rechtbank zal de vordering van de CAR-verzekeraars om te verklaren voor recht dat de ouders van [D],[E]en [A] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker dan ook afwijzen.

Polisdekking

4.8. De CAR-verzekeraars vorderen voorts een verklaring voor recht dat zij aanspraak kunnen maken op dekking onder de polis van de aansprakelijkheidsverzekeraars van [D] en[E], Achmea (Centraal Beheer) en Aegon. Achmea en Aegon verweren zich met de stelling dat zij niet gehouden zijn dekking te verlenen onder de aansprakelijkheidspolis nu zij in het onderhavige geval een gerechtvaardigd beroep op de opzetclausule kunnen doen.

De CAR-verzekeraars stellen echter dat de opzetclausule niet aan dekking van de aansprakelijkheid van de jongens in de weg staat. Primair stellen de CAR-verzekeraars dat de opzetclausule niet van toepassing is en subsidiair dat een beroep op de opzetclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gelet op de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.

4.9. De rechtbank overweegt als volgt. De aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten is op grond van de bepalingen geciteerd onder rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9 uitgesloten van polisdekking bij Achmea en Aegon.

Deze bepaling is conform de door het Verbond van Verzekeraars aanbevolen Opzetclausule AVP 2000. Blijkens de toelichting op de Opzetclausule AVP 2000 is de opzet gekoppeld aan de gedraging zelf en niet (meer) aan het gevolg van de gedraging.

4.10. Uit de in de processen-verbaal geciteerde verklaringen van [D],[E]en [A] volgt dat zij gaten in de plastic lichtkoepel hebben gebrand met het doel om in de gymzaal van de school in te breken. Vast staat dus dat de jongens met opzet gaten in de plastic lichtkoepel hebben gebrand. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een op het doen ontstaan van zaaksbeschadiging gericht opzettelijk wederrechtelijk handelen. Het feit dat [D],[E]en [A] zijn vrijgesproken van opzettelijke brandstichting en slechts voor brand door schuld zijn veroordeeld, doet hier niets aan af. De inhoud van de juridische kwalificatie opzet is in het strafrecht immers niet gelijk aan die in het civiele recht.

De CAR-verzekeraars stellen dat de gedragingen van de jongens gericht waren op het maken van gaten in de lichtkoepel en niet op het veroorzaken van brand. Op grond van het voorgaande is echter niet van belang of de jongens de gevolgen van hun gedragingen, namelijk dat een deel van de school is afgebrand, hebben beoogd, (met zekerheid) konden voorzien of zich hier bewust van zijn geweest. Dat de opzet gericht was op het (wederrechtelijk) gaten branden in de plastic lichtkoepel om in de gymzaal van de school in te kunnen breken, is voor een beroep op de opzetclausule voldoende.

4.11. Blijkens de toelichting op de Opzetclausule AVP 2000 is het de bedoeling van de clausule om schade die is ontstaat als gevolg van crimineel gedrag expliciet van dekking uit te sluiten. Het is zeer ongewenst dat crimineel gedrag onder enige verzekering wordt gedekt en dat is ook nooit de bedoeling van de verzekeraars geweest, aldus de toelichting. Als voorbeelden van crimineel gedrag noemt de toelichting onder meer vandalisme en brandstichting. Het opzettelijk gaten branden in een plastic lichtkoepel om daarna te kunnen inbreken in de gymzaal van de school is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als zulk crimineel gedrag.

Gelet op de leeftijd van [D],[E]en [A] ten tijde van de brandstichting realiseerde zij zich, althans behoorde zij zich te realiseren dat het branden van gaten in een lichtkoepel met het doel om in de gymzaal van de school in te breken wederrechtelijk, crimineel gedrag is dat niet door de beugel kan. Ook het gevolg van hun handelen, namelijk dat brand is ontstaan, acht de rechtbank niet onvoorzienbaar voor jongens in de leeftijd van vijftien jaar. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de jongens niet louter kunnen worden aangemerkt als onvoorzichtig gedrag. De drie jongens hadden zich vanaf het begin niet mogen inlaten met deze gedragingen. Voor de stelling van de CAR-verzekeraars dat de opzetclausule bij minderjarigen restrictief dient te worden uitgelegd, vindt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in de jurisprudentie en literatuur.

4.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat Achmea en Aegon een terecht beroep hebben gedaan op de opzetclausule.

4.13. Ten aanzien van het subsidiaire stelling van de CAR-verzekeraars dat een beroep op de opzetclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, overweegt de rechtbank als volgt. De toelichting op de Opzetclausule AVP 2000 bepaalt dat het aan de verzekeraars is om de clausule redelijk toe te passen. De CAR-verzekeraars stellen in dat verband dat het niet de bedoeling van de opzetclausule is om baldadig gedrag van jonge jongens met desastreuze gevolgen, die noch beoogd noch door hen voorzien waren, uit te sluiten van de dekking. De omvang van de uiteindelijke schade staat bovendien niet in verhouding tot de ernst van de gedragingen van de jongens, bezien vanuit hun leeftijd en bedoeling, aldus de CAR-verzekeraars.

Zoals reeds overwogen, is in het onderhavige geval geen sprake van baldadig gedrag, maar van crimineel gedrag van [D],[E]en [A] en doet de stelling dat zij de brand niet beoogd of voorzien hadden niets af aan de toepasselijkheid van de opzetclausule. Gelet op de omstandigheden van het geval, te weten de ernst van de (criminele) gedragingen van de drie jongens en de voorzienbaarheid van de mogelijke gevolgen van deze gedragingen, acht de rechtbank een beroep op de opzetclausule door Achmea en Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De omvang van de uiteindelijke schade en de draagkracht van (de ouders van) [D],[E]en [A] kunnen in deze beoordeling niet worden meegewogen.

4.14. De rechtbank is van oordeel dat [D] en[E]en derhalve ook de CAR-verzekeraars geen aanspraak kunnen maken op dekking onder de aansprakelijkheidspolis bij Achmea en Aegon. De vordering van de CAR-verzekeraars om voor recht te verklaren dat zij wel aanspraak kunnen maken op deze dekking zal dan ook worden afgewezen.

Schadevergoeding

4.15. De CAR-verzekeraars hebben gevorderd Achmea c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 464.563,59 aan Allianz, EUR 278.738,15 aan Delta Lloyd en EUR 185.825,44 aan HDI wegens schade ten gevolge van de brand, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2004, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele vergoeding.

4.16. Aangezien Achmea en Aegon op grond van de opzetclausule niet gehouden zijn dekking te verlenen onder de aansprakelijkheidspolis zal de vordering van de CAR-verzekeraars tot betaling van voornoemde bedragen ten aanzien van Achmea en Aegon worden afgewezen.

4.17. Onder rechtsoverweging 4.3 heeft de rechtbank geoordeeld dat [D],[E]en [A] op grond van artikel 6:166 lid 1 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Slokker voor de schade die het gevolg is van de brand. Op basis hiervan kan de vordering van de CAR-verzekeraars tot betaling van een bedrag van EUR 464.563,59 aan Allianz, EUR 278.738,15 aan Delta Lloyd en EUR 185.825,44 aan HDI wegens de schade die het gevolg is van de brand ten aanzien van [A] in beginsel wel worden toegewezen.

De vordering jegens de ouders van [A], [B] en [C], slaagt niet nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de ouders niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker.

4.18. [A], [B] en [C] betwisten de hoogte van het totale schadebedrag. Zij stellen dat in het rapport van PWP Schade Experts diverse schadeposten niet zijn onderbouwd, hetgeen het rapport oncontroleerbaar maakt.

De rechtbank overweegt dat PWP Schade Experts een onafhankelijk expertisebureau is en dat zij haar rapport uitgebreid heeft gemotiveerd. [A], [B] en [C] hebben het rapport naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk niet voldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de hoogte van het bedrag dat door PWP Schade Experts is vastgesteld en zal er dan ook van uitgaan dat de schade van Slokker EUR 929.127,18 exclusief btw bedraagt, zoals het rapport vermeld.

4.19. [A], [B] en [C] hebben voorts een beroep op matiging van de schadevergoeding gedaan op grond van artikel 6:109 BW. Dit artikel bepaalt dat indien toekenning van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter de wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen.

4.20. De rechtbank overweegt dat, aangezien [A] (net als [D] en[E]) ten tijde van de brandstichting vijftien jaar oud was en op grond van artikel 6:169 lid 2 BW zelf, met uitsluiting van zijn ouders, aansprakelijk is voor de ontstane schade, de aard van zijn aansprakelijkheid met zich brengt dat zijn beroep op het matigingsrecht van artikel 6:109 BW slaagt. De rechtbank heeft in haar overweging dienaangaande tevens de draagkracht van partijen en in het bijzonder de vermogenssituatie van [A] meegenomen. Toekenning van de volledige schadevergoeding zou gelet op voornoemde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank tot het onaanvaardbare gevolg leiden dat [A] een schuld heeft die hij, alleen al gezien de daarover te vergoeden rente, levenslang niet zal kunnen aflossen. Hoewel hij een ernstige fout heeft gemaakt, staat dit niet in redelijke verhouding tot die fout. De rechtbank zal de vordering van de CAR-verzekeraars daarom derhalve matigen tot een bedrag van EUR 50.000 en [A] veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 25.000 aan Allianz, EUR 15.000 aan Delta Lloyd en EUR 10.000 aan HDI wegens de schade ten gevolge van de brand van 6 juni 2004.

4.21. De CAR-verzekeraars hebben gevorderd het toegewezen bedrag aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2004, zijnde de dag van betaling aan Slokker. [A], [B] en [C] betwisten bij gebreke van een betalingsbewijs waaruit deze datum van betaling blijkt de ingangsdatum van de wettelijke rente.

De rechtbank overweegt dat de CAR-verzekeraars inderdaad hebben nagelaten de door hen gestelde datum van betaling aan Slokker nader te onderbouwen. Dit is grond het toegewezen bedrag aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Gezien art. 6:109 zal ook de wettelijke rente worden gematigd en wel zo dat deze zal worden toegewezen vanaf de datum van het vonnis.

Expertisekosten

4.22. De CAR-verzekeraars hebben voorts gevorderd Achmea c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 13.206,62 aan Allianz, EUR 7.923,98 aan Delta Lloyd en EUR 5.282,65 aan HDI, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan expertisekosten met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2004, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele vergoeding.

4.23. Aangezien Achmea en Aegon op grond van de opzetclausule niet gehouden zijn dekking te verlenen onder de aansprakelijkheidspolis zal de vordering van de CAR-verzekeraars tot betaling van voornoemde bedragen ten aanzien van Achmea en Aegon reeds hierom worden afgewezen.

4.24. [A], [B] en [C] wijzen erop dat de CAR-verzekeraars hun vorderingen baseren op de subrogatierechten van Slokker. Slokker heeft echter geen expertisekosten gemaakt. De expertise is in opdracht van de CAR-verzekeraars uitgevoerd om vast te stellen welk bedrag door de CAR-verzekeraars op basis van de verzekeringsovereenkomst aan Slokker diende te worden uitgekeerd. De CAR-verzekeraars kunnen deze kosten dus niet vorderen van [A], aldus [A], [B] en [C]. De CAR-verzekeraars hebben deze stelling van [A], [B] en [C] niet betwist en de rechtbank zal de vordering van de CAR-verzekeraars dienaangaande dan ook als onvoldoende nader gemotiveerd afwijzen.

Buitengerechtelijke (incasso)kosten

4.25. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Uit de door de CAR-verzekeraars gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de CAR-verzekeraars vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.26. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeven de overige stellingen van partijen geen nadere bespreking meer.

4.27. De CAR-verzekeraars zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van Achmea en Aegon worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Achmea en Aegon, tot op heden begroot op:

Achmea

Vastrecht EUR 4.784,00

Salaris advocaat 5.160,00 (2 punten x tarief VII) +

Totaal EUR 9.944,00

Aegon

Vastrecht EUR 4.784,00

Salaris advocaat 5.160,00 (2 punten x tarief VII) +

Totaal EUR 9.944,00

4.28. [A] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partijen ten aanzien van de CAR-verzekeraars worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de CAR-verzekeraars, tot op heden begroot op:

Vastrecht EUR 4.784,00

Dagvaarding 256,32 (EUR 85,44 x 3)

Salaris advocaat 5.160,00 (2 punten x tarief VII) +

Totaal EUR 10.200,32

4.29. Ten aanzien van de aangehouden beslissing omtrent de kostenveroordeling in het door [A], [B] en [C] opgeworpen vrijwaringsincident overweegt de rechtbank dat aangezien oproeping in vrijwaring toestemming van de rechter behoeft, de rechtbank de proceskosten in het vrijwaringsincident op hierna te vermelden wijze zal compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [D],[E]en [A] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Slokker;

5.2. veroordeelt [A] tot betaling van een bedrag van EUR 25.000 aan Allianz, EUR 15.000 aan Delta Lloyd en EUR 10.000 aan HDI, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3. veroordeelt de CAR-verzekeraars in de kosten van het geding met Achmea, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op EUR 9.944,00;

5.4. veroordeelt de CAR-verzekeraars in de kosten van het geding met Aegon, aan de zijde van Aegon tot op heden begroot op EUR 9.944,00;

5.5. veroordeelt [A] in de kosten van het geding aan de zijde van de CAR-verzekeraars, tot op heden begroot op EUR 10.200,32;

5.6. compenseert de proceskosten in het vrijwaringsincident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2009.?