Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5242

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
418496 - HA ZA 09-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitzending Tros Vermist onrechtmatig?

Er is onvoldoende steun in de feiten voor de stelling van de Tros in de uitzending van Tros Vermist dat eiser betrokken is bij de verdwijning van betrokkene en verantwoordelijk is voor haar psychische toestand. Voorts is ook niet vast komen te staan dat eiser een veroordeeld zedendelinquent is en heeft geprobeerd het land te ontvluchten. De Tros heeft in de uitzending onvoldoende afstand genomen van de uitlatingen van de familie van betrokkene. Op zich is het in een uitzending als Tros Vermist gebruikelijk familieleden van vermiste personen aan het woord te laten. Indien die personen beschuldigingen aan het adres van een derde uiten is het uitzenden van die beschuldigingen niet onder alle omstandigheden onrechtmatig. Dat zal onder meer afhangen van de mate waarin de beschuldigingen worden ondersteund door de feiten en de wijze waarop de derde in staat wordt gesteld het geschetste beeld te ontkrachten. Ontbreekt de feitelijke basis voor de beschuldigingen grotendeels, dan zal dit aspect voor de kijker duidelijk moeten zijn. Daarin is de Tros in het onderhavige geval te kort geschoten. Te meer nu zij een aantal van die - niet door (voldoende) feiten ondersteunde - beschuldigen tot de hare maakt. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is voor een bedrag van

€ 10.000,- toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 418496 / HA ZA 09-342

Vonnis van 25 november 2009

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. M. Zwennes,

tegen

de vereniging

TROS,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.H. Bruinhof.

Partijen zullen hierna [A] en Tros genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 mei 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 september 2009 en de daarin genoemde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is een Nigeriaanse asielzoeker die sinds 2000 in Nederland verblijft.

2.2. In 2001 kreeg [A] een relatie met [B] (hierna: [B]). Uit deze relatie werd in september 2002 een dochter geboren.

2.3. Begin 2003 is [B] in een psychose terecht gekomen, die gekenmerkt werd door waanideeën en hallucinaties. Dit heeft geleid tot gedwongen opname in een psychiatrische instelling. Op 15 juni 2003 is [B] gevlucht uit de psychiatrische instelling waar zij verbleef. Sindsdien is [B] vermist.

2.4. In juli 2003 heeft een vriendin van [B] een brief ontvangen uit Berlijn met daarbij het paspoort van [B], een uitdraai van een treinreis Amersfoort-Berlijn, een factuur van een brillenwinkel uit Haarlem en een onduidelijke handgeschreven notitie.

2.5. Op 3 oktober 2003 heeft het programma Tros Vermist in een uitzending kort aandacht besteed aan de verdwijning van [B]. In die uitzending kwam naast de schoonzus van [B] ook [A] aan het woord. Hij verklaarde:

“[B], I miss you baby. Wherever you are please come back home. And come back to your family. They think I’m the one who took you. I don’t know where you are. The letter you have from Berlin, I don’t know nothing about it baby. Please. If you are in Berlin , if you are in Germany, if you are in … uh … uh… anywhere in the world, please come back home. Please.”

2.6. Op 11 mei 2007 besteedde Tros Vermist d.d. 11 mei 2007 nogmaals aandacht aan de vermissing van [B] (hierna ook: “de uitzending”). Het item over [B] duurde ongeveer zes minuten. Het item wordt door de presentator [C] (hierna: “[C]”) aangekondigd met de volgende tekst:

“De verbeten jacht op de man die moet weten wat er met [B] van Terschelling is gebeurd”

2.7. In het door de Tros in de procedure overgelegde transcript van het item over [B] in de uitzending staat het volgende:

“[C]: [B], moeder van twee zoontjes, veranderde in 2001 van een gewone

Witmarssumse in een paranoïde geloofswaanzinnige. Oorzaak: haar

kennismaking met een Nigeriaan die bij haar in het dorp woonde in het

asielzoekerscentrum.

Zoon: “Het was een hele lieve moeder. Ze deed alles met de kinderen, met ons dan. Ze

was heel, eh … Ja, en toen kwam die [A], enneh … toen ging alles mis.”

[C]: In juni 2003 bereikt de 36 jarige [B] haar dieptepunt. Volkomen in de

ban van haar goeroe [A]kraamt ze waanzin uit. De flat waar ze met hem hun

baby woont, staat volgekrijt met onsamenhangende religieuze teksten.

Schoonzus: “Ze was volledig geïndoctrineerd door hem. Volledig. Van iemand met wie ik

heel goed contact had, heel veel contact had, naar iemand die heel afstandelijk

werd naar haar familie toe. Ze was duidelijk in de war.”

[C]: [B]lijdt aan psychoses en haar kind wordt van haar afgenomen. Als

gedwongen opname dreigt, weet ze te ontsnappen uit de instelling en verdwijnt

ze. Tot haar ontmoeting met [A]was [B]een gezelligheidsdier. Met haar

echtgenoot en zoons woonde ze in het Friese Witmarssum, waar ook een

Asielzoekerscentrum is gevestigd. Daar ontmoet ze de Nigeriaan en begint ze te

hallucineren.

Ex-man: “Toen kwam ze binnen. Ik had haar niet zien aankomen. Stond ze ineens achter

me. Had ze een aardappelmesje achter in mijn strot.”

Zoon: “Nou eh…, ze zei van eh…: ‘je bent de tweelingbroer van [A], dus je moet

eh…’ Ik weet het ook niet meer precies. Maar dat vond ik wel heel raar.”

[C]: [B]ziet [A]als haar God. En als hij wordt overgeplaatst naar een AZC in de

omgeving van Haarlem volgt ze hem. Haar gezin achterlatend. Ze schrijft al dan

niet vrijwillig een brief naar huis waarin ze alle contacten verbreekt. Kort na

haar verdwijning in 2003 vroegen we [A]om opheldering. Maar hij ontkende

iedere betrokkenheid.

[A]: “They think I’m the one who took you. I don’t know where you are. The letter

you have from Berlin, I don’t know anything about it, baby. Please. If you are in

Berlin, if you are in Germany, if you are in… anywhere you are please come

back home, please.

[C]: [A]doelde op een brief die een week na [B]’s verdwijning vanuit Berlijn

werd verstuurd naar Groningen. De afzender zou [B]zelf zijn. Maar daar

twijfelt de familie sterk aan.

Fragment vermist 2003

Schoonzus: Er zat een paspoort in. Er zat een soort treinkaartje in: Amersfoort-Berlijn.

Daar zat… de IBS in. Er zat een rekening in van Hans Anders van een vreemd

persoon die wij niet kennen uit Haarlem. En daar zat dan een briefje in. Dat

A4-tje met die vreemde… ook vreemde teksten.

Uitzending 11 mei 2007

[C]: Na een oproep die [D] eerder doet bij Vermist uit 2003 krijgen we weinig of

geen tips uit Duitsland. Maar dan, kerst 2004, registreert het antwoordapparaat

van de familie een onbekend Duits nummer.

Schoonzus: “Toen heb ik de politie gevraagd: ‘willen jullie dat voor mij nachecken waar dat

vandaan is geweest ?’ En… dat kunnen ze niet.”

[C]: Dan belt er een kennis van [B]met belastende informatie over [A]. [B]

had kort voor haar vertrek hulp gezocht.

Kennis: “[B]heeft me gebeld met de vraag of ik haar aan een pistool kon helpen. Ze

wilde ook € 5000 lenen om te vluchten naar Amerika of Canada. Ze vertelde

dat ze werd achtervolgd en bedreigt door haar ex, die in het asielzoekerscentrum

woonde.”

[C]: De familie licht [A]s doopceel, en ontdekt dat hij een strafblad heeft voor een

zedendelict, en uit Nederland heeft willen vluchten op een vals paspoort. Dan

herkent [B]s zoon het handschrift op de enveloppe uit Berlijn als dat van

[A].

Schoonzus: ‘Wat wij dus misschien vermoeden dat [A]iets geregeld heeft. Omdat dat

handschrift zo op dat [A]zijn handschrift lijkt. He… Dat [B]er misschien

niet meer is, en dat [A]gedacht heeft nou dan regel ik het zo dat wij denken

dat ze in Berlijn is.”

[C]: [A]dus verdacht van het laten verdwijnen van [B]. We willen hem vier jaar

na [B]’s verdwijning daarover spreken. Het asielzoekercentrum is gesloten,

maat we horen dat [A]een inburgeringscursus volgt bij het ROC te

Amsterdam en achterhalen zijn woonadres.

Interview, camera op afstand

Interviewster: “Do you have any idea… Heb je enig idee waar ze is?”

[A]: “Nee ik weet het niet. Ik ben zelfs naar de politie van Groningen…. They are

still searching. The last time that they saw [B]she was entering… ehm…ehm…

a train to Berlin or something.

[C]: We tonen hem de enveloppe uit Berlijn, met de vraag wiens handschrift het is.

Interviewster: “is dit het handschrift van [B]?”

[A]: “Ja dat is [B]”

[C]: Ondanks zijn ontkenning ziet [B]s moeder hem als dader.

Moeder: “Ik denk dat hij haar iets aangedaan heeft.”

Interviewster: “Wat dan ?”

Moeder: “Ja… misschien wel vermoord. Dat heb ik toch al van het begin af aan gezegd.”

Interviewster:

(vraag aan [A]) “Did you kill [B].”

[A]: “Hello…Do I look like a killer? [lacht]

Interviewster: “I don’t know. Maybe nobody looks like a killer; don’t ask me.”

[A]: “Nobody should look like a killer. But… a killer…they don’t write on the forehead.

So…The bottom line is that I love [B]. And I would never do anything to hurt

[B].

[C]: Op ons verzoek heeft een handschriftdeskundige verklaard dat het handschrift op

de enveloppe onmogelijk dat van [B]kan zijn, ondanks wat [A]dus zegt.

De politie heeft nu DNA materiaal afgenomen bij de familie van [B]en gaat

het onderzoek nieuw leven in blazen.”

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, na vermindering van eis ter comparitie, uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1. veroordeling van de Tros tot betaling van EUR 20.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

3.1.2. de Tros het opnieuw uitzenden van de uitzending van 11 mei 2007 te verbieden, op straffe van een dwangsom van EUR 50.000,- per keer met een maximum van EUR 1.250.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

3.1.3. veroordeling van de Tros in de proceskosten.

3.2. [A] stelt daartoe dat er in de uitzending van 11 mei 2007 sprake is van een aantal ernstige beschuldigingen waardoor de eer en goede naam van [A] worden geschonden en inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. [A] wordt verantwoordelijk gehouden voor de verdwijning en dood van [B], het veroorzaken van een psychose bij [B] en het ontvluchten van Nederland met een vals paspoort.[A] zou tevens een veroordeelde zedendelinquent zijn. De beschuldigingen zijn onjuist en vinden geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. [A] ondervindt schade door de uitzending van 11 mei 2007 die hem door de Tros vergoed dient te worden.

3.3. De Tros voert gemotiveerd verweer waarop hierna, bij de beoordeling van het geschil, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Niet is betwist dat [A] door de uitzending van 11 mei 2007 in zijn eer en goede naam is aangetast, zodat moet worden bezien of deze aantasting, gelet op alle omstandigheden van het geval, onrechtmatig is. Het gaat daarbij om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van de Tros het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [A] het recht op bescherming van eer en goede naam en eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het belang van de Tros is dat zij in het in het kader van een programma dat zich bezighoudt met de opsporing van vermiste personen zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [A] is dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het antwoord op de vraag welk van deze beide, in beginsel gelijkwaardige, rechten in dit geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval.

De stelling van [A] dat de belangen van de Tros onvoldoende zwaar wegen nu de vermissing reeds vier jaar voor de uitzending plaats vond en er geen nieuwe feiten bekend zijn die een uitzending over de vermissing van [B] rechtvaardigen, gaat niet op. De rechtbank stelt voorop dat het gerechtvaardigd is dat de Tros de vermissing van [B] nader onderzoekt en publieke aandacht geeft. Het feit dat reeds vier jaar is verstreken maakt dit niet anders. Door de Tros is onbetwist aangevoerd dat de praktijk leert dat hoe langer de periode van vermissing duurt, hoe moeilijker het wordt om iemand terug te vinden. Dit gegeven rechtvaardigt het feit dat een programma als Tros Vermist in latere uitzendingen terugkomt op eerder behandelde en nog niet opgehelderde vermissingen, ook als er in de zaak geen nieuwe ontwikkelingen zijn.

Van de Tros mag daarbij wel worden verlangd dat zij feitelijke beschuldigingen aan het adres van individuele personen die een mogelijke rol spelen in het verhaal over de vermissing, zoals [A], zorgvuldig onderbouwt en formuleert.

Tegen deze achtergrond vormen de juistheid van de aan [A] gemaakte verwijten, althans de feitelijke onderbouwing, de inkleding en de wijze van presentatie daarvan onder meer omstandigheden die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen betrokken dienen te worden. Gelet op deze uitgangspunten zal de rechtbank beoordelen of de in de uitzending geuite beschuldigingen aan het adres van [A] voldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

Betrokkenheid bij de verdwijning

4.2. [A] stelt dat de Tros in de uitzending ten onrechte beweert dat [A] de hand heeft gehad in de verdwijning van [B], nu hiervoor elke feitelijke onderbouwing ontbreekt.

De Tros betwist dat in de uitzending door de Tros wordt gesteld dat [A] de hand heeft gehad in de verdwijning van [B]. De uitspraak die [C] aan het begin van de uitzending doet verwijst naar de inhoud van het item en geeft beknopt weer dat het item zal worden benaderd vanuit het gezichtspunt van de familie van [B]. Verder is er wel degelijk steun in de feiten voor de stelling van de familie van [B] dat [A] te maken heeft met de verdwijning van [B]. Dit blijkt volgens de Tros uit de volgende feiten en omstandigheden. Voordat [B] [A] leerde kennen leidde zij een normaal leven. Na het ontstaan van de relatie met [A] begon [B] religieuze wartaal uit te slaan. Het handschrift van [A] lijkt op het handschrift op de envelop uit Berlijn. Op het briefje in de envelop uit Berlijn, staan dezelfde teksten als op de muur in het appartement van [A] en [B]. [A] heeft op 12 augustus 2003 telefonisch contact opgenomen met de schoonzus van [B] en heeft daarbij aangegeven dat hij met zijn dochter naar Amerika ging. [A] is voorts op Schiphol gearresteerd in bezit van een vals paspoort.

4.3. De rechtbank oordeelt dat de Tros in de uitzending de mening van de familie dat [A] de hand heeft gehad in de verdwijning van [B] tot de hare maakt. [C] zegt immers in de promo voor de uitzending en aan het begin van de uitzending “De verbeten jacht op de man die moet weten wat er met [B] van Terschelling is gebeurd”. Hierbij wordt door de Tros in de uitzending op geen enkele manier het voorbehoud gemaakt dat het hier slechts om de mening van de familie zou gaan. Met [A] is de rechtbank van oordeel dat er voor de stelling dat [A] “moet weten wat er met [B]” is gebeurd onvoldoende steun is in het beschikbare feitenmateriaal. Vast staat dat [B] zelf in verwarde toestand de gesloten inrichting is ontvlucht. Dat er nadien contact is geweest tussen haar en [A] is niet gebleken. [A] betwist dat het handschrift op de envelop van hem is. De door de Tros geraadpleegde deskundige heeft klaarblijkelijk (de rechtbank beschikt niet over het deskundigenrapport) alleen geoordeeld dat het handschrift niet afkomstig is van [B]. Dat de medische situatie van [B] is verslechterd na haar kennismaking met [A] betekent niet dat [A] meer weet over de verdwijning van [B]. Ook het feit dat de brief uit Berlijn teksten bevat die ook in het appartement van [A] en [B] voorkwamen, dat [A] na de verdwijning telefonisch contact heeft opgenomen met de schoonzus van [B] en dat [A] op schiphol is aangehouden in het bezit van een vals paspoort rechtvaardigen de ernstige beschuldiging dat hij de hand heeft gehad in de verdwijning van [B] aan zijn adres niet. Door te verklaren dat [A] meer weet van de verdwijning van [B] suggereert de Tros dat [A] op een of andere wijze bij die verdwijning is betrokken. Nu deze stelling onvoldoende wordt ondersteund door de beschikbare feiten handelt de Tros op dit punt onrechtmatig ten opzichte van [A].

Verantwoordelijk voor psychische klachten

4.4. [A] stelt dat hij in de uitzending er ten onrechte van wordt beschuldigd dat hij verantwoordelijk is voor de psychoses van [B]. Het is niet aannemelijk dat een gezonde volwassene in een psychose wordt gebracht door toedoen van een ander. Verder was [B] al voordat zij [A] leerde kennen onder behandeling voor psychische problemen en kreeg zij daarvoor medicijnen, aldus [A].

De rechtbank stelt vast dat [A] in de uitzending er inderdaad van wordt beschuldigd dat hij verantwoordelijk is voor de psychose van [B]. Dit wordt ook niet door de Tros betwist. De Tros voert evenwel aan dat deze beschuldiging voldoende wordt ondersteund door de feiten nu het psychotische gedrag van [B] is begonnen kort na de relatie met [A], [A] in de wanen van [B] een belangrijke rol speelde en [A] ook zelf verward gedrag vertoonde. Volgens de familie van [B] gebruikte [B] voor haar relatie met [A] geen medicijnen, aldus de Tros.

4.5. De rechtbank oordeelt dat niet duidelijk is of er überhaupt zekerheid valt te verkrijgen over de oorzaak van de psychose van [B]. Zou daar al een oordeel over gegeven kunnen worden, dan dient dit oordeel afkomstig te zijn van een ter zake onderlegd deskundige. Nu niet gesteld of gebleken is dat er een deskundige is die zich heeft uitgelaten over de oorzaak van de psychose van [B], acht de rechtbank de beschuldigingen van de Tros in de uitzending aan het adres van [A] onrechtmatig.

veroordeeld zedendelinquent

4.6. [A] stelt dat de uitzending ten onrechte vermeldt dat [A] een veroordeelde zedendelinquent is en Nederland heeft willen ontvluchten met een vals paspoort. Uit de justitiële documentatie blijkt dat [A] niet is veroordeeld voor een zedendelict. Wel is hij veroordeeld voor het in bezit hebben van een vals paspoort, maar [A] heeft nooit geprobeerd het land te ontvluchten, aldus [A].

De Tros voert aan dat de opmerking dat [A] een veroordeeld zedendelinquent is, de mening van de familie weergeeft. De Tros heeft hieromtrent navraag gedaan bij de politie en die hebben een en ander bevestigt. Ook is het feit dat [A] heeft geprobeerd het land te ontvluchten met een vals paspoort gepresenteerd als mening van de familie en kan niet aan de Tros worden toegerekend, aldus de Tros.

4.7. Met [A] oordeelt de rechtbank dat uit de uitzending niet blijkt dat over de hiervoor genoemde onderwerpen de mening van de familie van [B] wordt weergegeven. [C] presenteert deze gegevens immers als vaststaande feiten als hij zegt: “De familie licht [A]s doopceel, en ontdekt dat hij een strafblad heeft voor een zedendelict, en uit Nederland heeft willen vluchten op een vals paspoort.” Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van 17 oktober 2007 blijkt niet dat [A] is veroordeeld voor een zedendelict, zodat de door de Tros bij een politiebron ingewonnen informatie onjuist is. Die onjuistheid komt voor rekening en risico van de Tros. Voorts staat weliswaar vast dat [A] is aangehouden in het bezit van een vals paspoort, maar dit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat [A] voornemens was het land uit te vluchten. Hieruit volgt dat ook op dit punt de beschuldigingen onvoldoende steun in de feiten vinden en derhalve onrechtmatig zijn ten opzichte van [A].

Onvoldoende afstand

4.8. [A] stelt dat de Tros onvoldoende afstand heeft bewaard tot de uitlatingen van de moeder van [B] en de anonieme getuige. De moeder verklaart dat zij denkt dat [A] [B] iets heeft aangedaan en dat hij [B] misschien wel vermoord heeft. De anonieme getuige verklaart dat hij gebeld zou zijn door [B] voor haar verdwijning, die hem zou hebben meegedeeld dat [A] haar achtervolgde en bedreigde. Volgens [A] draagt de wijze waarop het item is vormgegeven en de wijze waarop [A] daarbij in beeld is gebracht bij aan de algehele suggestie dat [A] verantwoordelijk is voor de verdwijning van [B].

4.9. De Tros voert aan dat in de uitzending voldoende duidelijk blijkt dat het om een verdenking van de moeder van [B] gaat. Voor het publiek zal het direct duidelijk zijn dat zij geen objectief afgewogen oordeel kan geven. De moeder uit bovendien slechts een verdenking en geen beschuldiging. Uitgangspunt van de uitzending is het weergeven van de visie van de familie. [A] is in de gelegenheid gesteld zijn visie op de zaak te geven en heeft dit ook gedaan. Wat betreft de anonieme getuige voert de Tros aan dat de kijker zelf voldoende in staat is te beoordelen of de uitlatingen van [B] ten opzichte van de anonieme getuige zijn gedaan onder invloed van de psychose. Te meer nu ook de echtgenoot in de uitzending verklaart over agressief gedrag van [B]. De uitzending is niet suggestief. De opnames van [A] zijn niet gemaakt met een verborgen camera. Slechts in het begin toen [A] geen toestemming gaf voor de opnames, is gefilmd vanaf de overkant van de straat. De uitzending geeft bovendien alleen de mening van de familie weer. Zou er al sprake zijn van eenzijdige beeldvorming, dan is dat het gevolg van het feit dat [A] niet heeft willen meewerken aan de uitzending.

4.10. Met de Tros is de rechtbank van oordeel dat het op zich voldoende duidelijk is dat het in de uitzending gaat om een vermoeden geuit door de moeder van de vermiste [B] en dat de kijker haar niet als een objectieve bron zal beschouwen. Bovendien is [A] in de gelegenheid gesteld een weerwoord te geven, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt. Uit de vraag “Did you kill [B]” kan op zichzelf niet worden afgeleid dat de Tros dezelfde mening is toegedaan als de moeder van [B]. Echter, indien de uitzending in zijn geheel wordt beschouwd, concludeert de rechtbank dat de Tros zich geenszins neutraal heeft opgesteld en dat zij het standpunt van de familie van [B] in grote mate onderschrijft. Dit volgt alleen al uit hetgeen hiervoor is opgemerkt onder 4.3, 4.5 en 4.7. Het gaat hier om ernstige beschuldigingen die niet worden gesteund door de feiten. Nu de Tros deze beschuldigingen in de uitzending tot de hare heeft gemaakt, ontstaat de indruk dat ook andere door de familie en anonieme getuige geuite beschuldigingen worden onderschreven door de Tros. Die indruk wordt vervolgens versterkt doordat de Tros in de uitzending de uitlatingen van derden op geen enkele manier nuanceert. Ook de wijze waarop [A] in beeld wordt gebracht, met een camera verstopt achter een geparkeerde auto aan de overkant van de straat, draagt er aan bij dat de door de familie geuite beschuldigingen door de Tros worden onderschreven.

4.11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Tros in de uitzending, anders dan zij aanvoert, onvoldoende afstand heeft genomen van de uitlatingen van de familie van [B]. Op zich is het in een uitzending als Tros Vermist gebruikelijk familieleden van vermiste personen aan het woord te laten. Indien die personen beschuldigingen aan het adres van een derde uiten is het uitzenden van die beschuldigingen niet onder alle omstandigheden onrechtmatig. Dat zal onder meer afhangen van de mate waarin de beschuldigingen worden ondersteund door de feiten en de wijze waarop de derde in staat wordt gesteld het geschetste beeld te ontkrachten. Ontbreekt de feitelijke basis voor de beschuldigingen grotendeels, dan zal dit aspect voor de kijker duidelijk moeten zijn. Daarin is de Tros in het onderhavige geval te kort geschoten. Te meer nu zij een aantal van die - niet door (voldoende) feiten ondersteunde - beschuldigen tot de hare maakt. Alles overwegend komt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat de in 4.1 geschetste belangenafweging ten gunste van [A] dient uit te vallen en dat de uitzending jegens hem onrechtmatig is.

4.12. De vordering zoals onder 3.1.2 gevorderd zal worden afgewezen. De Tros heeft verklaard niet voornemens te zijn de uitzending (inmiddels meer dan twee jaar geleden) nogmaals uit te zenden. De Tros heeft voorts onbetwist verklaard dat de uitzending niet via “uitzending Gemist” of op de website van Tros Vermist kan worden terug gezien. Op dit moment heeft [A] dan ook geen belang bij het verbod zoals door hem gevorderd. Daar komt bij dat een dergelijk verbod voor de toekomst een te grote beperking van de uitingsvrijheid van de Tros ten gevolge zou hebben.

4.13. Door de uitzending is een onaanvaardbare inbreuk op de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer van [A] gemaakt, waardoor hij schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag van EUR 10.000,- aan immateriële schadevergoeding in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Daarbij is in het bijzonder van belang de ernst van de geuite beschuldigingen en het feit dat, anders dan de Tros aanvoert [A] duidelijk herkenbaar in beeld wordt gebracht. Dat [A] niet onmiddellijk na de uitzending een procedure tegen de Tros is aangevangen verandert niets aan de omvang van de inbreuk die de uitzending op de eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer van [A] heeft gemaakt. Het feit dat slechts de voornaam van [A] wordt gebruikt en dat [A] klaarblijkelijk ook andere voornamen gebruikt, maakt niet dat [A] in de uitzending niet duidelijk herkenbaar zou zijn.

4.14. Tros zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- betaald vast recht 110,00

- in debet gesteld vast recht 330,00

- salaris advocaat 579,00 (1,0 punt × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.104,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Tros om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 25 november 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Tros in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 1.104,98, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2009.?