Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL4085

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
AWB 08-2874 BESLU en AWB 08-2803 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing gebouwencomplex en binnentuin op gemeentelijke monumentenlijst. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het ontwerp van de binnentuin kan worden toegeschreven aan tuinarchitecte Mien Ruys, zodat de gehele binnentuin monumentwaardig te achten is. De rechtbank ziet vervolgens geen grond om tot een andere conclusie te komen dan dat met het bestreden besluit het recht op erfafsluiting voor eisers geheel wordt ontnomen dan wel tot nagenoeg nul wordt gereduceerd. Dit levert strijd op met artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 08/2874 BESLU en AWB 08/2803 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eisers sub 1],

allen wonende te [woonplaats],

eisers sub 1,

gemachtigde mr. S.H. van den Ende,

Energieweg Huizen II B.V. en CS Beheer en Beleggingen B.V.,

gevestigd te Huizen,

eiseressen sub 2,

gemachtigde mr. A. Kamphuis,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden mr. G. Koop en mr. L.M. Mulder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2007 het complex “De Muzenhof”, inclusief de daarbij behorende binnentuin, gelegen aan de Stadionweg 102-168, de Cliostraat 3-73, de Beethovenstraat 84-96 en het Minervaplein 9-17, te Amsterdam Oud-Zuid (hierna: het complex) op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Dit besluit is op 10 juli 2007 aldus gewijzigd dat alsnog wordt verwezen naar het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: CWM) van 14 juni 2007.

Eisers sub 1 zijn allen eigenaar en bewoner van een appartement in het complex. Eiseressen sub 2 zijn eigenaressen van een aantal appartementen in het complex, die door hen aan derden worden verhuurd.

Bij besluit van 5 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de daartegen door eisers sub 1 en eiseressen sub 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Eisers sub 1 en eiseressen sub 2 (hierna ook gezamenlijk aangeduid als eisers) hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep van eisers sub 1 is bij de rechtbank bekend onder registratienummer AWB 08/2874 BESLU. Het beroep van eiseressen sub 2 staat geregistreerd onder nummer AWB 08/2803 BESLU.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting van 29 september 2009 gevoegd behandeld. Van de zijde van eisers sub 1 zijn verschenen [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], bijgestaan door hun voornoemde gemachtigde. Namens eiseressen sub 2 is verschenen [persoon 4], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigden.

2. Overwegingen

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerders besluit het complex, inclusief de binnentuin, op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen, in rechte kan standhouden.

Juridisch kader

Op grond van artikel 4a, eerste lid, van de Monumentenverordening Amsterdam Oud-Zuid 1999 (hierna: de Monumentenverordening) kan het dagelijks bestuur al of niet op aanvraag van belanghebbenden besluiten onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst plaatsen.

Op 22 september 1998 is de Handleiding voor de selectie van gebouwen en ensembles voor de gemeentelijke monumentenlijst (hierna: de Handleiding) vastgesteld. In de Handleiding is een waarderingssysteem opgenomen dat wordt gehanteerd bij het selecteren van objecten voor de gemeentelijke monumentenlijst. De selectiecriteria zijn de architectonische waarde, stedenbouwkundige waarde, cultuurhistorische waarde, gaafheid/ herkenbaarheid en zeldzaamheid.

Ten aanzien van de gebouwen

Voorop staat dat, gegeven de beoordelingsruimte die verweerder toekomt bij het beantwoorden van de vraag of het complex als monument in de zin van de Monumentenverordening moet worden aangemerkt, het aanwijzingsbesluit terughoudend moet worden getoetst en dat het, gelet op dit uitgangspunt, aan eisers is aannemelijk te maken dat de aan dit besluit ten grondslag gelegde beschrijving en advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich daarop niet zonder nader onderzoek mocht baseren.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar de adviezen van het bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam (hierna: bMA) van 4 april 2007 en van de CWM van 14 juni 2007. Beide instanties hebben positief geadviseerd ten aanzien van de aanwijzing van het gebouwencomplex, inclusief de binnentuin, tot gemeentelijk monument. Zowel het bMA als de CWM heeft geconcludeerd dat het gebouwencomplex, inclusief de binnentuin, gelet op zowel de stedenbouwkundige, architectuurhistorische als landschapshistorische waarden en vanwege gaafheid en zeldzaamheid bescherming als gemeentelijk monument rechtvaardigt. De selectie van het complex is voorts getoetst aan de Handleiding.

De rechtbank overweegt dat door eisers (waar het betreft de gebouwen) enkel beroepsgronden zijn gericht tegen de aanwijzing van de buitengevels.

De rechtbank ziet in hetgeen door eisers is aangevoerd dan ook geen grond om de aanwijzing van de binnengevels als monumentwaardig voor onrechtmatig te houden.

Voor wat betreft de buitengevels acht de rechtbank de adviezen van het bMA en de CWM voldoende gemotiveerd, innerlijk consistent en niet kennelijk onjuist. Nu eisers geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd, mocht verweerder deze adviezen dan ook volgen.

Dit leidt tot het oordeel dat verweerder, voor wat betreft de gebouwen, heeft kunnen besluiten tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst.

Ten aanzien van de binnentuin

De monumentwaardigheid van de binnentuin wordt volgens verweerder met name veroorzaakt door het feit dat het ontwerp ervan kan worden toegeschreven aan tuinarchitecte Mien Ruys.

Dit wordt door eisers weersproken.

De rechtbank acht evenwel voldoende aannemelijk dat het ontwerp inderdaad van Mien Ruys afkomstig is. Daartoe stelt de rechtbank voorop dat uit de gedingstukken blijkt van concrete steun voor deze claim. Deze is niet alleen afkomstig van als deskundig aan te merken zijde, maar blijkt ook uit een concreet feitelijk gegeven als de (in het advies van de bezwarencommissie van 23 februari 2008 genoemde) in de archieven aanwezige uitnodiging uit 1941 van de Bond van tuinarchitecten voor een excursie naar, onder meer, de Muzenhof, waarbij werd gesproken over een tuinontwerp van Mien Ruys. Het bestaan noch de inhoud van deze uitnodiging is door eisers betwist. Met name de datering van deze uitnodiging vormt een sterke indicatie voor de juistheid van de aanname dat sprake is van een tuinontwerp van Mien Ruys.

Voorts wijst de rechtbank erop dat er geen concrete aanwijzingen voor andere ontwerpers dan Mien Ruys naar voren zijn gebracht. Dergelijke ontwerpers zijn ook niet genoemd.

De omstandigheid dat het complex eerst in de jaren vijftig van de vorige eeuw is voltooid, vormt geen grond voor een andere conclusie, waar de huidige omvang van de binnentuin (onbestreden) reeds in de jaren dertig is bepaald.

Dit leidt tot het oordeel dat, anders dan eisers stellen, voldoende aannemelijk is dat de gehele tuin naar een ontwerp van Mien Ruys is aangelegd en dus niet slechts een deel.

De rechtbank tekent daarbij nog aan dat de bouwtekeningen die een andere inrichting van de binnentuin tonen, geen aanleiding geven om te twijfelen aan de aanname dat de tuin is ontworpen door Mien Ruys, reeds omdat niet is gebleken dat die tekeningen destijds ook feitelijk zijn gerealiseerd.

Ten aanzien van de binnentuin is door het bMA en de CWM verder nog gewezen op enkele concrete monumentale elementen, waaronder de vijver. Hoewel niet in geschil is dat deze elementen niet (alle) goed onderhouden zijn, acht de rechtbank de aanwezigheid ervan, in samenhang bezien met de monumentwaardigheid gelegen in de ontwerpster van de tuin, voldoende aanleiding om de binnentuin als monumentaal aan te merken.

Nu voorts op het ten aanzien van de monumentwaardigheid van de binnentuin door eisers overgelegde deskundig tegenadvies, van ir. J.M. Derckx, een uitgebreide reactie is gekomen van het bMA, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank de adviezen van het bMA en de CWM volgen.

Hoewel de rechtbank aldus voldoende aanleiding ziet voor het oordeel dat de binnentuin monumentaal te achten is, kan het bestreden besluit toch geen stand houden, op grond van het volgende.

Eisers hebben betoogd dat de werking van artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat de eigenaar van een erf bevoegd is dit af te sluiten, niet door lagere regelgeving opzij mag worden gezet dan wel onmogelijk mag worden gemaakt.

Verweerder heeft deze stelling niet betwist, maar betoogd dat eisers geen eigenaar van een erf zijn, maar van een appartementsrecht en dat zij een (toekomstig) gebruiksrecht ten aanzien van een gedeelte van de binnentuin hebben. Genoemd artikel is volgens verweerder dus niet van toepassing. Bovendien, zo stelt verweerder, verbiedt dit artikel slechts dat aan eigenaars de bevoegdheid tot afsluiting geheel wordt ontnomen, maar staat het aan beperking van deze bevoegdheid niet in de weg. De aanwijzing van de binnentuin als gemeentelijk monument leidt dus niet tot de situatie dat afsluiting van het privé-gedeelte van een tuin volledig onmogelijk wordt gemaakt, maar zorgt er slechts voor dat deze mogelijkheid wordt gekoppeld aan een vergunningenstelsel.

Eisers hebben onder verwijzing naar jurisprudentie op grond van artikel 5:48 van het BW betwist dat slechts aan eigenaars een beroep op artikel 5:48 van het BW toekomt. De Hoge Raad heeft al in 1984 uitgemaakt dat het recht op erfafsluiting ook aan anderen dan de eigenaar toekomt.

Eisers hebben verder gesteld dat niet duidelijk is in hoeverre nog gebruik kan worden gemaakt van de tuin, nu door verweerder wordt gesproken van een “kijktuin”, die bovendien “ontoegankelijk” is. In het advies van de bezwarencommissie is dan ook overwogen dat het woord “ontoegankelijk” in de motivering van het aanwijzingsbesluit niet op zijn plaats is en dient te worden geschrapt. Bij het bestreden besluit is evenwel weliswaar het advies van de bezwarencommissie integraal overgenomen, maar is niet expliciet bepaald dat deze term uit het aanwijzingsbesluit wordt geschrapt.

Met eisers is de rechtbank van oordeel dat niet slechts aan eigenaren een beroep op artikel 5:48 van het BW toekomt. De rechtbank verwijst daartoe allereerst naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1992 (NJ 1992/280) waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat het burenrecht zich (weliswaar) in beginsel richt tot de eigenaars van naburige erven, maar dat de aard en inhoud van de rechten en verplichtingen welke toekomen aan, dan wel rusten op, een niet-eigenaar die op grond van een bepaalde rechtsverhouding met de eigenaar bevoegd is tot gebruik van het erf, in samenhang met de aard en strekking van een burenrechtelijke bepaling met zich meebrengen dat bepalingen van het burenrecht van overeenkomstige toepassing zijn op de gebruiker/niet eigenaar.

Daarvan uitgaande, gevoegd bij het door eisers ook ingeroepen arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 1984 (NJ 1985/229), waarin wordt overwogen dat sprake is van een betrokkene in het kader van het hem als huurder en erfpachter (en dus niet als eigenaar) in beginsel toekomende recht om zijn erf af te sluiten, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat aan eisers in casu geen beroep op artikel 5:48 van het BW toekomt.

De rechtbank ziet vervolgens geen grond om tot een andere conclusie te komen dan dat met het bestreden besluit het recht op erfafsluiting voor eisers geheel wordt ontnomen dan wel tot nagenoeg nul wordt gereduceerd.

Daartoe stelt de rechtbank voorop dat dat recht door verweerder op geen enkele wijze expliciet is verankerd of omgrensd.

Dit is eens te meer een probleem, waar het bestreden besluit (gelezen in samenhang met het besluit in primo) grond biedt voor de aanname dat erfafsluitingen in het geheel niet zijn voorzien of bedoeld. Sprake is immers van een “ontoegankelijke binnenhof” waarin de hoedanigheid van “kijktuin” centraal staat. Weliswaar heeft de bezwarencommissie geadviseerd de term “ontoegankelijk” te schrappen, maar dit advies is niet expliciet overgenomen in het bestreden besluit, terwijl de bezwaren wel ongegrond zijn verklaard. Bovendien resteert dan nog de term “kijktuin”, waarmee het aanbrengen van eigen erfafsluitingen moeilijk of geheel niet te verenigen lijkt te zijn.

Veeleer ligt de conclusie voor de hand dat elke erfafsluiting de monumentale waarden van de binnentuin als geheel zal aantasten. Een dergelijke aanname vindt ook steun in de door eisers overgelegde brief van 10 juni 2009, naar aanleiding van een door verweerder verrichte voortoets van een bouwplan voor een erfafscheiding in de binnentuin. De CWM heeft blijkens deze brief negatief advies uitgebracht, onder de volgende overwegingen: “De binnentuin van de Muzenhof is ontworpen door Mien Ruys als een ‘Kijktuin’, binnen haar oeuvre de enige in zijn soort en derhalve uniek […] De opdeling van de tuin betekent een forse aantasting van het concept dat aan het complex als geheel ten grondslag ligt. Met name de ruimtewerking van de tuin gaat bij het opdelen van de tuin in privé tuinen verloren. Het maken van erfafscheidingen in deze gemeenschappelijke kijktuin is dan ook een onacceptabele aantasting van de monumentale waarde van de beschermde tuin van de Muzenhof.”

Dat in het kader van de monumentenvergunningverlening een afweging kan plaatsvinden waarin de uit artikel 5:48 van het BW voortvloeiende rechten een voldoende plaats kan toekomen, lijkt in dit licht weinig meer dan een theoretische mogelijkheid.

Conclusie

Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, zodat sprake is van strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 5:48 van het BW. De rechtbank sluit evenwel niet uit dat het mogelijk is, wellicht na overleg met de direct betrokkenen, het complex inclusief de binnentuin aan te wijzen als gemeentelijk monument, zonder dat sprake is van strijdigheid met deze bepalingen. Voor een definitieve beslechting van het geschil met betrekking tot de binnentuin bestaat thans dan geen ruimte.

Dit leidt ertoe dat het bestreden besluit zal worden vernietigd en dat verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers.

De rechtbank ziet wel grond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten voorzover dat betrekking heeft op de aanwijzing van de gebouwen als monument.

Nu de beroepen van eisers gegrond worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder de kosten aan rechtsbijstand zal vergoeden, die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn voor eisers sub 1 respectievelijk eiseressen sub 2 begroot op € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,00).

Tevens dient verweerder aan eisers het gestorte griffierecht te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eisers sub 1 en eiseressen sub 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand voorzover dat

betrekking heeft op de aanwijzing van de gebouwen als monument;

- bepaalt dat verweerder voor het overige een nieuw besluit neemt op de bezwaren van eisers met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding van eisers sub 1, begroot op € 644,00 (zeshonderd en vierenveertig euro);

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding van eiseressen sub 2, begroot op € 644,00 (zeshonderd en vierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan eisers sub 1 het gestorte griffierecht ad € 145,00 (honderd en vijfenveertig euro) vergoedt;

- bepaalt dat verweerder aan eiseressen sub 2 het gestorte griffierecht ad € 288,00 (tweehonderd en achtentachtig euro) vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.E. Dutrieux, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B