Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL4042

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
AWB 07-4647 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek aan LVLN om inzage in documenten betreffende de totstandkoming van de brief van 30 oktober 2002 (inzake het zogenoemde “Groenenbergterrein”). LVLN heeft zonder nadere motivering bepaalde documenten niet verstrekt. De betreffende documenten zijn ook niet aan de rechtbank gestuurd. Verweerder dient hierover opnieuw te beslissen.

Eiseres heeft het bestaan van emails c.q. gespreksverslagen niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/4647 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

de besloten vennootschap Reed Elsevier Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

en:

het bestuur van Luchtverkeersleiding Nederland,

gemachtigde: mr. M.C. Muus.

1. Procesverloop

De rechtbank heeft op 29 november 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen een besluit van 6 november 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 14 oktober 2009.

Eiseres is – met kennisgeving – niet verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

Feiten en standpunten

2.1 Bij brief van 12 april 2007 heeft eiseres krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om inzage in documenten betreffende de totstandkoming van de brief van

30 oktober 2002 (inzake het zogenoemde “Groenenbergterrein”) van de Luchtverkeersleiding Nederland (LNVL) aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, plus alles wat daarmee samenhangt.

2.2. Bij brief van 16 april 2007 heeft verweerder aan eiseres gegevens toegezonden. Bij brief van 20 april 2007 heeft eiseres aan verweerder bericht dat deze documenten niet voldoen aan het verzoek van 12 april 2007, omdat deze zien op de nasleep van de brief van 30 oktober 2002 en niet op de totstandkoming daarvan. Bij brief van 7 mei 2007 heeft verweerder aan eiseres opnieuw nadere gegevens toegestuurd.

2.3. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 29 mei 2007 aan verweerder verzocht om een besluit te nemen op het verzoek van 12 april 2007. Bij brief van 6 juni 2007 heeft verweerder aan eiseres verzocht om aan te geven of de brief van 29 mei 2007 moet worden opgevat als een bezwaarschrift. Bij brief van 4 juli 2007 heeft eiseres gesteld dat verweerder nog altijd geen besluit heeft genomen. Verweerder heeft daarna bij brief van 9 juli 2007 medegedeeld dat de brief van 4 juli 2007 wordt opgevat als een bezwaarschrift en de ontvangst daarvan bevestigd.

2.4. Bij brief van 21 augustus 2007 heeft verweerder vervolgens gegevens toegezonden aan eiseres betreffende het “Groenenbergterrein”. Eiseres heeft bij brief van 27 augustus 2007 naar voren gebracht dat een groot aantal gegevens ontbreekt, zodat niet tegemoet is gekomen aan het bezwaar. Eiseres heeft bij deze brief eveneens een inventarislijst meegezonden van de documenten die volgens haar ontbreken.

2.5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van eiseres in de brief van 27 augustus 2007 en de toelichting daarop tijdens de hoorzitting in bezwaar verder strekt dan het Wob-verzoek van 12 april 2007, zodat dit verzoek moet worden aangemerkt als een nieuw Wob-verzoek. Er zal op korte termijn een besluit worden genomen op dit nieuwe Wob-verzoek. Aan het verzoek van 12 april 2007 om inzage in documenten die betrekking hebben op de totstandkoming van de brief van 30 oktober 2002 is voldaan, zodat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard, aldus verweerder.

2.6. Eiseres bestrijdt in beroep dat zij bij brief van 27 augustus 2007 en tijdens de hoorzitting van 17 oktober 2007 een nieuw Wob-verzoek heeft gedaan. Eiseres heeft ook nog gesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan het Wob-verzoek van 12 april 2007, omdat verweerder niet alle relevante documenten heeft overgelegd, zoals bijvoorbeeld een interne email van [persoon 1] aan [persoon 2] van 29 oktober 2002 en een weerslag van een overleg tussen [persoon 2] en medewerkers [medewerker 1] en [medewerker 2], aldus eiseres.

2.7. Bij besluit van 21 december 2007 heeft verweerder alsnog een groot aantal documenten openbaar gemaakt. Verweerder heeft - voor zover hier van belang - overwogen dat op een aantal stukken een of meer uitzonderingsgronden genoemd in de Wob dan wel artikel 28 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zijn.

2.8. Bij het verweerschrift van 12 maart 2008 heeft verweerder - voor zover hier van belang - naar voren gebracht dat eiseres geen (proces)belang meer heeft nu alle gevraagde documenten zijn verstrekt. Het besluit van 21 december 2007 maakt geen deel uit van het beroep, omdat het een reactie is op een nieuw verzoek.

2.9. Bij aanvullend beroepschrift van 29 april 2008, ingekomen bij de rechtbank op 6 mei 2008, heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder met het besluit van 21 december 2007 niet tegemoet is gekomen aan het beroep.

Beoordeling van het beroep

2.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres (proces)belang bij deze procedure omdat eiseres betwist dat alle documenten openbaar zijn gemaakt en het tegenovergestelde niet vaststaat.

2.11. De rechtbank stelt vast dat het Wob-verzoek van 12 april 2007 is ingediend door

“[verzoeker], Weekblad Elsevier’. Ook de brieven van “Elsevier” van na die datum zijn ondertekend door “[verzoeker], Elsevier”. Het beroep van 27 november 2007 is ingediend door “[verzoeker], redacteur Binnenland”. De rechtbank stelt met verweerder vast, dat “Weekblad Elsevier” of “Elsevier” niet als rechtspersoon is geregistreerd in het register van de Kamer van Koophandel (KvK). Gelet evenwel op het feit dat de rechtspersoon “Reed Elsevier Nederland B.V.” is opgenomen in het register van KvK en het feit dat het weekblad Elsevier wordt uitgegeven door “Reed Elsevier Nederland B.V.”, is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] heeft bedoeld beroep in te stellen namens “Reed Elsevier Nederland B.V.”

De rechtbank stelt bovendien vast dat [persoon 3] van Reed Business B.V. (onderdeel van “Reed Elsevier Nederland B.V.” en uitgever van het weekblad Elsevier) bij machtiging van 12 december 2007 [verzoeker] heeft gemachtigd om namens Reed Business B.V. beroep in te stellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] bevoegd was om beroep aan te tekenen namens “Reed Elsevier Nederland B.V.”. Dat vervolgens [persoon 4] heeft medegedeeld dat niet langer [verzoeker] als contactpersoon zal optreden maar dat hij als contactpersoon zal optreden, doet aan de bevoegdheid van [verzoeker] om namens “Reed Elsevier Nederland B.V.” op te treden niet af.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een nieuw Wob-verzoek van eiseres gedaan bij brief van 27 augustus 2007 of tijdens de hoorzitting in bezwaar. Immers, blijkens het Wob-verzoek van 12 april 2007 heeft eiseres verzocht om “…documenten…plus alles wat daarmee samenhangt”. De rechtbank leidt hieruit af dat het verzoek niet is beperkt tot documenten die zien op de brief van 30 oktober 2002 maar dat het verzoek van eiseres ruim dient te worden opgevat. Daarnaast kan naar het oordeel van de rechtbank uit de brief van 27 augustus 2007 niet worden afgeleid dat eiseres een nieuw Wob-verzoek heeft ingediend. Immers, eiseres heeft in deze brief aan verweerder medegedeeld dat: “het bezwaar van 4 juli j.l. niet als afgedaan (kan) worden beschouwd…Uit de toegezonden stukken en de correspondentie in andere procedures blijkt dat een groot aantal documenten ontbreekt...”. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres uitsluitend heeft beoogd om haar Wob-verzoek van 12 april 2007 nader te specificeren en dat zij niet heeft beoogd een nieuw Wob-verzoek in te dienen. Tenslotte blijkt uit het verslag van de hoorzitting van 17 oktober 2007 evenmin dat eiseres een nieuw Wob-verzoek heeft gedaan. Eiseres heeft uitsluitend medegedeeld dat zij heeft verzocht om “alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming van de brief van 30 oktober 2002 plus alles wat daarmee samenhangt.” De rechtbank vat deze mededeling op als een herhaling van het verzoek van 12 april 2007 en ziet hierin geen nieuw Wob-verzoek.

2.13. Bij besluit van 21 december 2007 heeft verweerder alsnog een groot aantal documenten openbaar gemaakt. Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen nieuw Wob-verzoek is gedaan, betekent dat dat het besluit van 21 december 2007 opgevat dient te worden als een aanvulling op het bestreden besluit van 6 november 2007.

Naar het oordeel van de rechtbank komt dit besluit niet volledig tegemoet aan het beroep. Eiseres heeft immers in het aanvullend beroepschrift gesteld dat niet alle documenten openbaar zijn gemaakt. Gelet hierop wordt het beroep van eiseres op de voet van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 21 december 2007.

2.14. Eiseres heeft in het aanvullend beroepschrift gesteld dat verweerder in het besluit van 21 december 2007 de uitzonderingsgronden van de Wob dan wel artikel 28 Rv onvoldoende heeft onderbouwd. Het verweer ten aanzien van de email van [persoon 1] aan [persoon 2] en het gespreksverslag van een overleg tussen [persoon 2] en [medewerker 1] en [medewerker 2] is ongeloofwaardig. Uit de formulering van de pleitnotitie van LNVL blijkt dat er nog andere relevante stukken moeten bestaan. LVNL heeft deze vaststelling onweersproken gelaten, aldus eiseres.

2.15. Verweerder heeft naar voren gebracht dat zij niet bekend is met email-correspondentie tussen [persoon 1] en [persoon 2] en evenmin met het gespreksverslag van een overleg tussen [persoon 2], [medewerker 1] en [medewerker 2]. Alle stukken die betrekking konden hebben op het “Groenenbergterrein” zijn verzameld. Het is heel goed mogelijk dat in de loop der jaren stukken niet zijn bewaard, met name wanneer het emailcorrespondentie betreft. Het is niet uitgesloten dat er eerdere emailcorrespondentie is geweest of dat er een overleg heeft plaatsgevonden en dat er aantekeningen zijn gemaakt. Verweerder beschikt echter niet over dergelijke emailcorrespondentie, aldus verweerder.

2.16. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder andere bij uitspraak van 13 augustus 2008, gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BJ8916, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

2.17. De mededeling van verweerder dat uit onderzoek is gebleken dat zij niet beschikt over email-correspondentie tussen [persoon 1] en [persoon 2] en het gespreksverslag van een overleg tussen [persoon 2], [medewerker 1] en [medewerker 2] komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Dat er desondanks reden zou zijn om te veronderstellen dat deze documenten onder LVLN berusten, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat de documenten bij LVNL bestuur aanwezig zijn, is daarvoor, gelet op het door verweerder verrichte onderzoek, onvoldoende.

2.18. Ter zitting heeft verweerder nader uitleg gegeven aan het besluit van 21 december 2007. Verweerder heeft aangegeven dat een aantal documenten die wel onder het verzoek van eiseres vallen niet verstrekt zijn op grond van één van de weigeringsgronden van artikel 10 van de Wob. De betreffende documenten zijn overigens ook niet aan de rechtbank gezonden. De rechtbank is met eiseres van oordeel, dat verweerder de weigering om deze documenten te verstrekken per document van een uitzonderingsgrond en een motivering had dienen te voorzien. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het besluit van 21 december 2007 naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de motiveringsverplichting als bedoeld in artikel 7:12, van de Awb, tot stand gekomen.

2.19. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank wijst er voorts op dat een eventuele toetsing van de motivering van dat besluit door de rechtbank alleen kan plaatsvinden als de betreffende documenten aan de rechtbank worden gezonden, eventueel met een verzoek om artikel 8.29 van de Awb toe te passen.

2.20. Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder de door eiseres betaalde griffierechten aan hem te vergoeden. Verder zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. De rechtbank begroot deze kosten op € 483,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van nadere gronden).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit op bezwaar van 6 november 2007 en het besluit van 21 december 2007;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres van deze procedure tot een bedrag van € 483,- (zegge: vierhonderd drie en tachtig euro) te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 285,- (zegge: twee honderd vijf en tachtig euro) aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, en mrs. L.C. Bachrach en

M.L. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. F. Nales en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gevestigd te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B