Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL3593

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
321363 HAZA 05-2161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigenaar van gestolen reuzenrad vordert schadevergoeding van veronderstelde schuldheler

Eigenaar van gestolen reuzenrad vordert schadevergoeding van veronderstelde schuldheler,

die hem de kans op revindicatie heeft ontnomen door het rad in rap tempo te verzagen en af te voeren naar de smeltovens.

De rechtbank laat in het midden of sprake is van schuldheling en wijst de vordering

af wegens het ontbreken van causaal verband. De schade is in eerste instantie ontstaan door de

diefstal, die pas na dagen is ontdekt. Als de veronderstelde schuldheler het rad had geweigerd

zou het in die dagen vermoedelijk ook definitief zijn verdwenen, maar dan via een ander.

Eiser heeft onvoldoende gesteld voor de conclusie dat hem een reële kans op revindicatie is ontnomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 116

Uitspraak

vonnis

____________________________________________ _

RECHTBANK AMSTERDAM

Enkelvoudige civiele kamer

Vonnis van 11 november 2009

in de zaak met vonnis- / rolnummer 321363 / HA ZA 05-2161 van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. A. Knigge,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] METAAL B.V.,

gevestigd te ‘s-Graveland,

2. ** [B],

wonende te --,

3. *** [B],

wonende te --,

gedaagden,

advocaat mr. J.W.G. Oudijk.

Partijen worden hierna [A], [B] Metaal B.V., [B] sr. en [B] jr. genoemd.

Gezamenlijk worden gedaagden [B] Metaal genoemd.

Het verloop van de procedure

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 29 juni 2005 met bewijsstukken,

- de akte overlegging producties van 27 juli 2005 met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord van 21 september 2005 met bewijsstukken,

- het tussenvonnis van 5 oktober 2005,

- het proces-verbaal van de op 6 december 2005 gehouden comparitie van partijen met de daarin

vermelde stukken,

- de conclusie van repliek, tevens akte vermindering eis, van 1 april 2009 met bewijsstukken,

- de conclusie van dupliek van 24 juni 2009 met bewijsstukken,

- de akte uitlating producties van 22 juli 2009 met bewijsstukken,

- de antwoordakte uitlating producties van 19 augustus 2009 met bewijsstukken,

- de akte uitlaten producties van 16 september 2009.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast:

a. [A] exploiteert kermisattracties waaronder een reuzenrad. Op zondag 22 mei 2005 zijn een aan [A] toebehorende trekker en oplegger, met daarop een deel van het gedemonteerde reuzenrad, gestolen van een parkeerterrein te Apeldoorn. De trekker en de oplegger zijn later teruggevonden.

b. De gestolen onderdelen van het reuzenrad zijn op maandag 23 mei 2005 als oud ijzer aangeboden aan [B] Metaal B.V. in ’s-Graveland. [B] jr. heeft namens [B] Metaal B.V. zes cent per kilo betaald en heeft de onderdelen die dag en de volgende dag in bakken geladen en afgevoerd naar HKS Scrap Metals B.V. in Amsterdam, aan welk bedrijf hij de onderdelen voor acht cent per kilo ter vernietiging heeft doorverkocht. Voor zover de onderdelen niet in de zeven meter lange bakken pasten heeft [B] jr. ze met een snijbrander versneden. Bij HKS zijn de onderdelen in stukken geknipt, waarna ze naar Corus in IJmuiden zijn vervoerd waar ze zijn versmolten.

c. [A] heeft de diefstal in de ochtend van donderdag 26 mei ontdekt en heeft later die ochtend aangifte gedaan. Dezelfde avond is in uitzendingen van Hart van Nederland Actienieuws en TV Omroep Apeldoorn aandacht besteed aan de diefstal. Op maandag 30 mei 2005 heeft de politie [B] jr. op het terrein van [B] Metaal B.V. als verdachte gehoord.

d. Bij arrest van het hof Leeuwarden van 14 oktober 2008 is [B] jr. vrijgesproken van opzet- dan wel schuldheling met betrekking tot onder meer de onderdelen van het reuzenrad, met vernietiging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 juni 2007, waarbij hij wegens schuldheling was veroordeeld.

Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van het hof, waar naast verdachte twee getuigen omtrent de betreffende ladingen hebben verklaard, is niet gebleken dat de aangeboden partijen afzonderlijk of gezamenlijk qua omvang of aard uitzonderlijk waren voor het bedrijf waar verdachte werkte. Voorts is niet gebleken dat de gang van zaken bij de aankoop van de partijen afweek van hetgeen destijds in de metaalbranche en in het bedrijf waar verdachte werkte gebruikelijk was. Evenmin is gebleken dat de prijs die verdachte voor de partijen metaal heeft betaald en vervolgens, na doorverkoop, heeft ontvangen, afweek van wat in de branche gebruikelijk was. Ten aanzien van de partij die bestond uit onderdelen van een gestolen kermisattractie is niet gebleken dat verdachte de partij op het moment van aankoop of daarna heeft kunnen en moeten herkennen als onderdelen van een gestolen kermisattractie. Dit geldt temeer nu de diefstal van de kermisattractie pas een aantal dagen nadat verdachte onderdelen daarvan had aangekocht en verwerkt, is ontdekt en door aangever in de publiciteit gebracht. Gelet op het bovenstaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de betreffende partijen metaal door een misdrijf verkregen goederen betroffen”

Het geschil

2. [A] vordert na vermindering van de eis een verklaring voor recht dat [B] Metaal B.V., [B] sr. en [B] jr. onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en hun hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 308.973,24 met de wettelijke rente daarover vanaf 29 juni 2005, van buitengerechtelijke kosten en van de kosten van de procedure.

3. [A] stelt daartoe dat [B] Metaal onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, dan wel misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, door de onderdelen van het reuzenrad, waarvan zij wisten, althans redelijkerwijs moesten weten, dat die van diefstal afkomstig waren, zonder enig onderzoek te kopen, te versnijden en ter vernietiging door te verkopen aan HKS, waardoor [A] de mogelijkheid is ontnomen de gestolen onderdelen te revindiceren.

Daarbij heeft [B] Metaal in strijd gehandeld met artikel 2.5.4. van de APV voor de gemeente Wijdemeren, een voorschrift ter bestrijding van heling, waarin het de handelaar of een voor hem handelend persoon wordt verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Verder had [B] Metaal B.V. destijds geen zogenaamd VIHB-nummer en was dus niet geregistreerd als vervoerder, inzamelaar handelaar en bemiddelaar van afvalstoffen. Door de onderdelen van het reuzenrad, die als bedrijfsafval zijn aan te merken, beroepsmatig te kopen, te versnijden en door te verkopen handelde [B] Metaal in strijd met het bepaalde in artikel 10.45, eerste lid van de Wet milieubeheer. Ten slotte had moeten worden gevraagd naar een begeleidingsbrief, die ingevolge het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen bij de aangeboden onderdelen aanwezig had moeten zijn.

Als [B] Metaal zich aan deze wettelijke verplichtingen had gehouden dan waren de onderdelen van het reuzenrad niet vernietigd en had [A] kunnen revindiceren, waardoor zijn schade zou zijn beperkt. Die schade bestaat uit de kosten van vervanging van de verdwenen onderdelen en gederfde winst tot augustus 2005, toen [A] het reuzenrad weer is gaan exploiteren.

4. [B] Metaal heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover van belang zal worden ingegaan.

De beoordeling

5. [A] suggereert hier en daar dat de dieven te voren contact moeten hebben gehad met [B] Metaal en dat deze dus in het complot moet hebben gezeten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [B] Metaal is dit echter bij een veronderstelling gebleven, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan en voor een bewijsopdracht geen plaats is.

Feiten of omstandigheden die meebrengen dat [B] Metaal anderszins wist dat de aangeboden onderdelen van diefstal afkomstig waren zijn evenmin gesteld of gebleken.

6. [A] heeft een groot aantal feiten en omstandigheden gesteld die volgens hem meebrengen dat [B] Metaal te kwader trouw was, dat wil zeggen redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de aangeboden onderdelen van diefstal afkomstig waren. [B] Metaal heeft daartegenover, met verwijzing naar het arrest van het Hof Leeuwarden in de strafzaak tegen [B] jr., omstandig aangevoerd dat het om een gebruikelijke transactie ging die niet noopte tot nader onderzoek.

7. Of [B] Metaal inderdaad te kwader trouw was kan in het midden blijven, omdat, ook als daarvan bij wijze van veronderstelling wordt uitgegaan, de vordering niet toewijsbaar is vanwege het ontbreken van voldoende causaal verband tussen die onrechtmatige daad en de schade van [A].

Directe oorzaak van het verlies van de onderdelen en daarmee van de schade is de diefstal. De aan [B] Metaal verweten schuldheling kan slechts samen met de diefstal de schade hebben veroorzaakt. Van alternatieve causaliteit als bedoeld in artikel 6:99 BW is dan ook, anders dan [A] meent, geen sprake.

Wel is door dit optreden van [B] Metaal (en dat van HKS) de kans op herstel van het door de diefstal geleden verlies verloren gegaan. De vraag is vervolgens hoe groot die kans was. [A] stelt niet dat [B] jr. onrechtmatig handelde door niet de politie te bellen op het moment dat hem duidelijk moest zijn dat het om gestolen spullen ging. [B] Metaal had ermee kunnen volstaan de op die maandag aangeboden onderdelen te weigeren. De dieven hadden daarna nog de tijd gehad tot en met donderdag, toen de diefstal ’s avonds op televisie kwam, om zich zonder erg op te vallen van het reuzenrad te ontdoen en het via een andere weg te doen belanden bij een bedrijf als HKS Scrap Metals B.V., dat overigens niet als verdachte is aangemerkt en ook niet aansprakelijk is gesteld.

Het had op de weg van [A] gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat hem door de aan [B] Metaal verweten schuldheling een reële kans is ontnomen de gestolen onderdelen in bruikbare staat terug te krijgen. Nu hij dat heeft nagelaten kan zijn schade niet op de voet van artikel 6:98 BW als gevolg van schuldheling aan [B] Metaal worden toegerekend.

Voor het verweten misbruik van omstandigheden geldt hetzelfde.

8. Ook als [B] Metaal zich aan de drie dagen uit de APV Wijdemeren had gehouden waren de onderdelen op 30 mei, toen de politie bij [B] Metaal kwam, al deels versneden bij HKS beland. Of ze daar dan ook al waren verknipt en verder afgevoerd is volstrekt ongewis. Ook hier was het aan [A] geweest om voldoende te stellen voor de conclusie dat de onderdelen in dat geval nog in bruikbare staat waren teruggevonden. De enkele stelling dat voor HKS een vergelijkbare APV gold is daarvoor niet genoeg.

9. De milieubepalingen in strijd waarmee [B] Metaal zou hebben gehandeld, strekken niet tot bescherming tegen schade zoals [A] die heeft geleden. Overtreding daarvan kan dan ook niet leiden tot een verplichting tot schadevergoeding aan de zijde van [B] Metaal.

10. De slotsom is dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met verwijzing van [A], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten, die worden begroot op

€ 4.584,-- aan vastrecht en 3½ punt tarief VI aan salaris van de advocaat (€ 7.000,--).

Beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [A] in de kos¬ten aan de zijde van [B] Metaal gevallen en begroot op

€ 4.584,-- aan vastrecht en € 7.000,-- aan salaris van de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, lid van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.