Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL2852

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
13.497503-2009 RK nummer: 09/4666
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering. Art. 12 OLW n.v.t.: o.p. in eerste aanleg aanwezig; dat o.p. niet op de hoogte was van het verloop van de door hemzelf ingestelde beroepsprocedures komt voor zijn rekening en risico, omdat hij het land heeft verlaten en kennelijk geen nadere informatie over de procedures heeft ingewonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497503-2009

RK nummer: 09/4666

Datum uitspraak: 13 november 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 augustus 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 6 maart 2009 (en per fax ontvangen op 19 augustus 2009) door het Tribunal judicial te Castelo Branco (Portugal). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedatum] 1967,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Havenstraat” te Amsterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is in eerste instantie behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2009. Daarbij zijn de officier van justitie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. E. Van Doorn, advocaat te Amsterdam, aanwezig geweest. De opgeëiste persoon heeft bij schrijven van 25 september 2009 afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek op verzoek van de officier van justitie geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen omtrent de pleegperiode en de aan het EAB ten grondslag liggende vonnissen. De rechtbank heeft op de zitting de termijn, genoemd in artikel 22, eerste lid, van de OLW op deze zitting met dertig dagen verlengd aangezien de rechtbank er niet in zou slagen binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Het onderzoek is met toestemming van de officier van justitie en de verdediging voortgezet op de openbare zitting van 6 november 2009. Daarbij zijn de officier van justitie en mr. S. Hopman, advocaat en kantoorgenote van mr. E. van Doorn, te Amsterdam, als raadsvrouw van de opgeëiste persoon gehoord. De opgeëiste persoon heeft bij schrijven van 30 oktober 2009 wederom afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt – zo volgt mede uit nadere informatie die de Portugese autoriteiten op 16 oktober 2009 hebben verstrekt – een uitspraak van het Tribunal da Relacao (Court of Appeal) van 30 mei 2007 ten grondslag. Deze uitspraak is definitief geworden op 14 januari 2008.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden. Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dit is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd omdat de feiten niet genoegzaam zijn omschreven. Ook op grond van de aanvullende informatie van de Portugese autoriteiten is nog steeds onduidelijk wat de opgeëiste precies wordt verweten en is ook de tijdsomschrijving nog steeds vaag.

De rechtbank overweegt dat artikel 2, tweede lid, van de OLW, de gegevens vermeldt die een EAB in elk geval dient te bevatten, te weten, voor zover hier van belang:

- de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit;

- een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, onder meer, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten, niet uitgebreid, maar wel voldoende is omschreven in het EAB en de aanvullende informatie. Uit deze informatie blijkt dat de opgeëiste persoon zich in 2001, 2003 en 2005 in verschillende met naam genoemde plaatsen schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van heroïne en cocaïne aan diverse personen. De tijdsaanduiding is niet exact aangegeven, maar duidelijk is dat de opgeëiste persoon in meerdere lange tijdsperiodes in genoemde harddrugs heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande, wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank constateert dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon niet de Nederlandse, maar de Portugese nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Het verweer van de raadsvrouw dat de feiten niet in redelijkheid als lijstfeiten zijn aangekruist, omdat de feiten ongenoegzaam zijn omschreven, wordt gelet op hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen, verworpen..

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat sprake is van een lijstfeit. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

- illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in de brief van 1 oktober 2009 van het Tribunal Judicial te Castelo Branco vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6. Artikel 12 van de OLW

De raadsvrouw heeft voorts een beroep gedaan op artikel 12 van de OLW nu de opgeëiste persoon wel aanwezig is geweest bij de behandeling in eerste aanleg, maar niet aanwezig is geweest bij de behandelingen in hoger beroep. Het vonnis waarvan de executie wordt verzocht is immers een verstekvonnis. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon in persoon in kennis is gesteld van de zittingsdatum in hoger beroep. Nu de garantie als bedoeld in artikel 12 niet is gegeven, dient de overlevering te worden geweigerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een verstekvonnis als bedoeld in artikel 12 van de OLW nu de opgeëiste persoon bij de behandeling van de zaak op de zitting in eerste aanleg in persoon aanwezig is geweest en zelf hoger beroep heeft ingesteld.

De rechtbank overweegt als volgt. De ratio van artikel 12 van de OLW is dat de opgeëiste persoon op enig moment in de procedure in de gelegenheid moet zijn geweest zijn verdediging te voeren. Uit het EAB in de aanvullende informatie van 2 en 7 oktober 2009 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zittingen op 17 oktober 2006, 7 november 2006 en 15 november 2006. Op de laatste zitting is het vonnis voorgelezen. Voorts blijkt uit de informatie dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld bij het Court of Appeal en vervolgens bij het Supreme Court, waarbij het vonnis telkens in stand is gelaten. Het vonnis van 30 mei 2007 is op 14 januari 2008 onherroepelijk geworden. Voor zover de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het verloop van de door hem geëntameerde procedures in hoger beroep, komt dit voor zijn eigen rekening en risico, omdat hij het land heeft verlaten en kennelijk geen nadere informatie over de – door hem gestarte – procedure in hoger beroep heeft ingewonnen.

Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12 van de OLW en vormt de in dit artikel bedoelde garantie geen voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de overlevering. De rechtbank verwerpt het verweer.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, 12 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon], aan het Tribunal judicial te Castelo Branco (Portugal) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. C.W. Bianchi en C.W. Inden rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[C]