Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL1600

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
AWB 08-3762 WET
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN7013, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking wapenverlof bestuurslid van de “Hells Angels”. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen op grond waarvan de Minister van Justitie tot de conclusie kon komen dat het voorhanden hebben van een wapen eiser niet langer kon worden toevertrouwd. Het wapenverlof kon daarom worden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3762 WET

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.F.M. Struycken,

en:

de Minister van Justitie, gevestigd te ’s-Gravenhage,

gemachtigde: mr. C.P. Drewes.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2006 heeft de korpschef van de regio Amsterdam-Amstelland (hierna: de korpschef) het verlof van eiser voor het voorhanden hebben van (vuur)wapen(s) ingetrokken. Eiser heeft hiertegen op 18 juli 2006 administratief beroep ingesteld.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij deze rechtbank gericht tegen het niet tijdig beslissen op het administratief beroep.

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft verweerder alsnog beslist op het administratief beroep (hierna: het bestreden besluit). Eiser heeft tegen deze beslissing beroep bij de rechtbank ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en gesloten ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 24 juni 2009. De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:68, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het vooronderzoek heropend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en gesloten op de zitting van de meervoudige kamer van 14 oktober 2009. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

I. Feiten en standpunten

2.1. Eiser is bestuurslid van de Stichting Hells Angels, “chapter Amsterdam” (hierna: de Stichting). Aan eiser is voor de periode van 2 juni 1997 tot en met 1 juni 2006 verlof verleend voor het voorhanden hebben van (vuur)wapen(s), te weten een revolver van het merk Smith & Wesson en een pistool van het merk CZ alsmede de bijbehorende munitie. Verweerder heeft dat verlof ingetrokken.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking van het verlof gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat het procesverbaal van 31 januari 2006 voldoende concrete aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat aan eiser het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Dit proces-verbaal van verdenking is opgesteld ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek naar de Stichting onder de naam “Acroniem” (hierna: het Acroniemonderzoek).

Dat de rechtbank het Openbaar Ministerie (OM) bij het vonnis van 20 december 2007 niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging doet hieraan niets af, nu de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de feiten. Aan eiser kan de wapenvondst op 8 februari 2001 mede worden toegerekend. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2007, gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BA2761, aldus verweerder.

2.3. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat de gegevens uit het Acroniemonderzoek niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de intrekking van het wapenverlof, omdat zij op een wijze zijn verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat deze bewijzen niet toelaatbaar zijn. Eiser heeft de strafbare feiten genoemd in dit onderzoek niet gepleegd. Eiser heeft geen enkele persoonlijke bemoeienis met de aangetroffen wapens. De doorzoeking op het terrein van de Stichting Hells Angels op 8 februari 2001 mag niet ten grondslag worden gelegd aan de intrekking, nu op 16 mei 2001 nog een wijziging van het wapenverlof heeft plaatsgevonden.

Eiser heeft verder een aantal processen-verbaal rondom geweldsincidenten bij discotheek “De Ster” in de periode van 1 januari 2004 tot 6 februari 2005 overgelegd, waaruit blijkt dat deze feiten eiser niet kunnen worden toegerekend. Tenslotte heeft eiser met een beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerd dat nu de korpschef de intrekking van het wapenverlof van een medebestuurslid van de Stichting ([naam 1]) ongedaan heeft gemaakt, ook aanleiding bestaat om de intrekking van zijn wapenverlof ongedaan te maken, aldus eiser. Eiser heeft ter nadere onderbouwing een besluit van 17 maart 2009 van de Minister van Justitie overgelegd, waarbij het beroep van [naam 1] niet-ontvankelijk is verklaard, omdat aan hem bij een afzonderlijk besluit alsnog een wapenvergunning is verleend.

II. Bespreking van het beroep

a. Ten aanzien van het niet tijdig beslissen op bezwaar

2.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het administratieve beroep van eiser. Nu met het nemen van het bestreden besluit het (proces)belang tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar is komen te ontvallen, zal de rechtbank het beroep van eiser, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het administratieve beroep, niet-ontvankelijk verklaren.

2.5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 1 punt (voor het indienen van het beroepschrift) x

€ 322,00 x factor 0,25 (gewicht van de zaak: zeer licht) = € 80,50.

Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit.

b. De tijdigheid van het administratief beroep

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat het besluit van 22 mei 2006 op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt. Immers, eiser heeft onbetwist gesteld dat hij eerst op 1 juli 2006, na telefonisch contact met de korpschef, een afschrift van het besluit van 22 mei 2006 heeft ontvangen. Verder is gebleken dat het besluit van 22 mei 2006 niet per aangetekende post is verzonden en dat verweerder niet in staat is geweest om op basis van de verzendadministratie te bewijzen wanneer het besluit is verzonden. Gelet hierop dient het ervoor te worden gehouden dat de termijn voor het instellen van het administratief beroep eerst op 1 juli 2006 is aangevangen. Nu het administratieve beroep door verweerder is ontvangen op 18 juli 2006, heeft eiser het administratieve beroep tijdig bij verweerder ingediend, zodat verweerder het administratief beroep naar het oordeel van de rechtbank terecht ontvankelijk heeft verklaard.

c. Wettelijk kader

2.7. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) kunnen de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door de minister worden gewijzigd of ingetrokken:

a. …

b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

c. t/m. f. … .

2.8. Verweerder heeft beleid omtrent de toepassing van artikel 7, van de Wwm, neergelegd in de “Circulaire wapens en munitie 2005” (hierna: de Circulaire). In het “bijzonder deel” (B) van de Circulaire worden een aantal concrete criteria gegeven voor de beantwoording van de vraag of er aanwijzingen bestaan dat aan de houder van het verlof het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Deze aanwijzingen kunnen blijken uit veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken alsmede andere over de betrokkene bekende feiten, zoals bijvoorbeeld een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, een sepot of de psychische gesteldheid van de betrokkene.

d. Nadere overwegingen

2.9. De rechtbank stelt voorop dat uit jurisprudentie van de AbRvS (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRvS van 25 oktober 2006, gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AZ0808) blijkt dat de in artikel 7, tweede lid, van de Wwm geboden bevoegdheid een maatregel is ter bescherming van de veiligheid van de samenleving en niet een tegen eiser gerichte strafrechtelijke sanctie. Tegen de achtergrond van dat grote maatschappelijke veiligheidsbelang is reeds in het bestaan van geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het verlof voldoende reden gelegen om een verlof in te trekken, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.

2.10. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen steun voor het standpunt van eiser dat de gegevens uit het Acroniemonderzoek niet aan de intrekking van het wapenverlof ten grondslag hadden mogen worden gelegd omdat deze rechtbank bij vonnis van 20 december 2007 het OM niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging. Met deze uitspraak is niet zonder meer vast komen te staan dat al het bewijs in het Acroniemonderzoek op onrechtmatige wijze is vergaard. Het oordeel van de strafrechter tast weliswaar de gehele telastelegging aan omdat de tapverslagen de gehele telastelegging betreffen, maar het oordeel van de strafrechter tast niet de betrouwbaarheid van ander in het dossier aanwezig feitenmateriaal aan. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de AbRvS van 26 november 2008 (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BG5316).

2.11. De rechtbank is van oordeel dat de handhaving van de intrekking van het wapenverlof bij het bestreden besluit steunt op een onvoldoende motivering. Verweerder heeft de intrekking gemotiveerd door te verwijzen naar het proces-verbaal van verdenking van 31 januari 2006 en te stellen dat daaruit voldoende concrete aanwijzingen blijken voor het vermoeden dat aan eiser het onder zich hebben van wapens niet langer kan worden toevertrouwd. Wat die concrete aanwijzingen zijn en op grond waarvan die bestaan, wordt niet nader aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen zijn stelling te concretiseren en de verdenkingen jegens eiser te voorzien van een objectief toetsbare onderbouwing.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 7:12, van de Awb. In de hiernavolgende overwegingen zal de rechtbank bezien of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.12. Verweerder heeft eerst in het verweerschrift weergegeven welke (concrete) aanwijzingen jegens eiser bestaan op grond waarvan aan eiser het onder zich hebben van wapens niet langer kan worden toevertrouwd (hierna: de aanwijzingen). Het gaat daarbij om de volgende aanwijzingen:

1. Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2007 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BA2761) blijkt dat:

(a) op en rond het clubhuis van de Stichting wapens en munitie zijn aangetroffen die daar niet aanwezig mochten zijn, terwijl eiser een bestuursfunctie binnen deze Stichting vervult;

(b) bij een doorzoeking van het clubhuis van de Stichting een hoeveelheid van 1,82 kilo hasjiesj is aangetroffen, terwijl eiser een bestuursfunctie binnen deze Stichting vervult;

(c) de bij de Stichting aangesloten Hells Angels zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling van twee televisiepresentatoren die de Stichting ten onrechte in een kwaad daglicht zouden hebben gesteld, terwijl eiser een bestuursfunctie binnen deze Stichting vervult en

(d) bij doorzoeking van de woningen van bij de Stichting aangesloten Hells Angels wapens zijn aangetroffen waarvoor zij geen wapenverlof hadden.

2. Uit het proces-verbaal van bevindingen “geweld bij de discotheek De Ster”, opgemaakt door de Nationale Recherche op 23 februari 2005 en het mutatierapport van de regiopolitie Noord-Brabant van 1 januari 2004, kenmerk 4-100184 blijkt dat tijdens verschillende incidenten, geregistreerd in het BPS systeem van de regiopolitie Brabant Noord, bij de Stichting aangesloten Hells Angels, onder wie ook eiser, in clubkleding van de Stichting en handelend als beveiliger/portier van een discotheek bezoekers hebben mishandeld.

3. Uit het verslag van de hoorzitting van 27 maart 2006 blijkt dat beruchte criminelen zoals [naam 2] en [naam 3] het clubhuis van de Stichting hebben bezocht.

4. Uit het proces-verbaal van 31 januari 2006 is gebleken dat bij een doorzoeking van de woning van eiser op 17 oktober 2005 een spuitbus met een weerloosmakende dan wel traanverwekkende stof is aangetroffen waarvoor eiser niet over een wapenverlof beschikte.

5. Eiser heeft in strijd met de geldende voorschriften verzuimd om de korpschef tijdig op de hoogte te stellen van zijn nieuwe woonadres.

6. De AbRvS heeft in zijn uitspraak van 8 augustus 2007 overwogen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging.

2.13. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de aanwijzingen genoemd onder 4. en 5. niet langer ten grondslag worden gelegd aan de intrekking. Gelet hierop ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder op grond van de aanwijzingen 1. tot en met 3. en 6. redelijkerwijs tot het oordeel heeft kunnen komen dat eiser het onder zich hebben van wapens niet langer kan worden toevertrouwd.

2.14. Ten aanzien van de aanwijzing genoemd onder 1. oordeelt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2007 (LJN: BA2761) zijn de onder 1a tot en met 1d genoemde gebeurtenissen als vaststaande feiten weergegeven. Eiser heeft deze feiten niet betwist. Hij betwist slechts dat de feiten hem kunnen worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder op grond van deze aanwijzing redelijkerwijs concluderen dat eiser zich beweegt in kringen waarin criminele feiten worden gepleegd zodat er twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van het maken van een uitzondering op het wapenverbod. Gelet op de vaste rechtspraak genoemd onder 2.9 is geringe twijfel voldoende om tot deze conclusie te komen. Of deze feiten eiser in strafrechtelijke zin of anderszins kunnen worden toegerekend – wat daar verder van zij - maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

2.15. Ten aanzien van de aanwijzing genoemd onder 2. oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 1 januari 2004 (met nr. 04-100184)

blijkt het volgende. Eiser was beveiliger in de discotheek “De Ster” en heeft een jongen achtervolgd en hem een schop in zijn kruis en een vuistslag tegen zijn borst gegeven. Op

6 februari 2005 is een bezoeker van De Ster die zich niet wilde laten fouilleren door een medebeveiliger van eiser, een Hells Angel, buiten tegen de grond gewerkt en diverse malen geslagen. Een Hells Angel die voldeed aan het signalement van eiser, is getuige geweest van deze mishandeling en heeft vervolgens aan de desbetreffende politieagenten verklaard dat hij niet wist wat er zich heeft afgespeeld. Ook uit deze aanwijzingen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat eiser zich beweegt in kringen waar strafbare feiten worden gepleegd. Verweerder heeft op grond hiervan redelijkerwijs kunnen oordelen dat er twijfel bestaat over de vraag of eiser nog langer een wapen kan worden toevertrouwd. Of deze feiten eiser in strafrechtelijke zin kunnen worden toegerekend, dat hij over deze feiten niet is gehoord en dat hij er niet voor is vervolgd, maakt niet dat verweerder er geen betekenis aan mocht toekennen in de zin van artikel 7, tweede lid, Wwm.

2.16. Ten aanzien van de aanwijzing genoemd onder 6. overweegt de rechtbank als volgt. In r.o. 2.7 van de uitspraak van 8 augustus 2007, 200700544/1, heeft de AbRvS als volgt overwogen:

“De Afdeling kan zich verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter dat de korpschef op grond van de inhoud van het proces-verbaal – waarin opgenomen een letterlijke weergave van telefoontaps – zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant zich in dreigende taal jegens [partij] heeft geuit en dat dit bezwaarlijk anders dan als een bedreiging kan worden gekenschetst.. .”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit rechterlijk oordeel als aanwijzing heeft kunnen opvatten om redelijkerwijs tot de conclusie te komen dat eiser een wapen niet langer kan worden toevertrouwd.

2.17. Gelet op deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de aanwijzingen 1., 2. en 6. afdoende objectieve aanknopingspunten bieden voor de conclusie van verweerder dat er geringe twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering op het wapenverbod.

De rechtbank wijst er daarbij nogmaals op dat het niet gaat om de vraag of bovengenoemde feiten toe te rekenen zijn aan eiser, maar - zoals blijkt uit bovengenoemde uitspraak van de AbRvS van 25 oktober 2006, LJN: AZ0808 - om de vraag of er geringe, objectief toetsbare, twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering op het wapenverbod.

2.18. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat omdat na de doorzoeking op

8 februari 2001 eisers wapenverlof nog een keer gewijzigd is deze doorzoeking niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de intrekking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld, dat bij het onderzoek naar de vraag of er aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd, alle relevante feiten moeten worden betrokken.

2.19. Naar het oordeel van de rechtbank kan aanwijzing 3. niet ten grondslag worden gelegd aan de intrekking van de wapenvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende aangetoond dat “beruchte criminelen” - wat daar verder van zij - het clubhuis van de Stichting hebben bezocht. Het proces-verbaal van de hoorzitting is hiertoe onvoldoende.

2.20. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat het administratieve beroep van [naam 1] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De korpschef is teruggekomen op het verleende wapenverlof aan [naam 1] en heeft dat wapenverlof niet verlengd.

III. Conclusie

2.21. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

2.22. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, begroot op € 966,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit op administratief beroep van 15 oktober 2008;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 15 oktober 2008 geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres van deze procedure tot een bedrag van € 1046,50,- (zegge: duizend zes en veertig euro vijftig) te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 145,- (zegge: honderd vijf en veertig euro) aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, en mrs. L.C. Bachrach en

W. M. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. F. Nales en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gevestigd te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B