Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL1425

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
CV 09-3345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft een vereveningsgerechtigde ex-echtgenoot, die geen rechtstreekse aanspraak jegens de pensioenuitvoerder heeft op het haar toekomende deel van het ouderdomspensioen van haar vereveningsplichtige ex, recht heeft op het bedrag dat terzake de wettelijk verschuldigde premie in gevolge de Zorgverzekeringswet op dat deel door de pensioenuitvoerder is ingehouden op het ouderdomspensioen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE HILVERSUM

Kenmerk: CV 09-3345

Datum: 2 december 2009

251

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER TE HILVERSUM

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

nader te noemen [eiseres]

gemachtigde: mr. A.A. Voets

t e g e n:

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen [gedaagde]

gemachtigde: [gemachtigde]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 6 juli 2009 inhoudende de vordering van [eiseres]

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met bewijsstukken.

Vervolgens is bij tussenvonnis van 23 september 2009 een comparitie van partijen gelast, die op 19 november 2009 is gehouden. Verschenen zijn toen partijen met hun gemachtigden. Iedere partij heeft toen nog één bewijsstuk ingediend.

Vonnis is nader bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

1.1. Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Hun huwelijk is ontbonden op 29 juni 1993 door inschrijving van een echtscheidingsvonnis d.d. 17 mei 1993 van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand van Groningen.

1.2. Ter verdeling van hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap hebben partijen op 26 juni 1996 een dadingsovereenkomst gesloten. Blijkens artikel 2 van deze overeenkomst heeft [gedaagde] zijn verplichting tot onderhoud van [eiseres] toen afgekocht. Conform deze overeenkomst heeft [persoon 1], actuarissen en consultants te Amsterdam bij brief d.d. 16 februari 1999 bepaald dat [gedaagde] met ingang van 1 juli 2007 van zijn ouderdomspensioen bij Stichting Shell Pensioenfonds jaarlijks fl. 31.059 aan [eiseres] dient uit te keren, dit bedrag te verhogen in dezelfde mate als dit ouderdomspensioen van [gedaagde] wordt verhoogd.

1.3. Sedert 1 juli 2007 betaalt [gedaagde] de helft van het ouderdomspensioen zoals hij dat van Shell Pensioenfonds ontvangt, aan [eiseres]. Op het aan hem uit te keren ouderdomspensioen houdt Shell Pensioenfonds de premie die ingevolge de Zorgverzekeringswet, hierna te noemen de Zvw, verschuldigd is, in.

1.4. Wegens de wettelijk verschuldigde premie Zvw zijn op het aan [eiseres] toekomende deel van het ouderdomspensioen dat [gedaagde] van Shell Pensioenfonds heeft ontvangen, ingehouden vanaf juli 2007 € 411,58, in 2008 € 823,16 en over de eerste zeven maanden van 2009 € 480,06, dus over die gehele periode van juli 2007 tot en met juli 2009 een bedrag van in totaal €1.783,28.

1.5. Op het loon van [eiseres] werd in de periode juli 2007 tot en met juli 2009 de maximaal door haar wettelijk verschuldigde premie Zvw ingehouden.

1.6. Shell Pensioenfonds is niet bereid rechtstreeks aan [eiseres] het haar toekomende deel van het ouderdomspensioen van [gedaagde] uit te keren.

Vordering

2. [eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal verklaren dat de door [gedaagde] sedert 1 juli 2007 gedane inhoudingen op het haar toekomende deel van zijn ouderdomspensioen van Shell Pensioenfonds onrechtmatig zijn;

b. [gedaagde] zal veroordelen om de ten onrechte sedert 1 juli 2009 op zijn ouderdomspensioen van Shell Pensioenfonds ingehouden bedragen aan haar uit te betalen, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der voldoening;

c. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten, vallende op deze procedure en die tot afgifte van een bevelschrift daartoe.

3. [eiseres] stelt dat [gedaagde] onderhoudsplichtig is jegens haar en uit dien hoofde aan haar sedert 1 juli 2007 vorenbedoeld deel van zijn ouderdomspensioen van Shell Pensioenfonds uitbetaalt.

4. Omdat zijzelf voor de premie zorgverzekering een aanslag van de belastingdienst ontvangt, dient [gedaagde] aan haar de helft van het volledige bedrag van zijn ouderdomspensioen van Shell Pensioenfonds zonder inhoudingen te betalen. Volgens informatie van de Belastingdienst wordt bij haar op haar huidige loon reeds de maximale inkomensafhankelijke bijdrage ingehouden. De inhouding die gedaan wordt op het ouderdomspensioen van [gedaagde], komt voor haar neer op een te lage alimentatie. De door [gedaagde] betaalde pensioengelden kan hij als alimentatie in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen, waarmee bij hem een correctie op de zorgverzekeringsbijdrage wordt verwerkt.

Verweer

5. [gedaagde] verweert zich tegen deze vordering. Hij voert aan dat niet hij de wettelijk verschuldigde premie Zvw inhoudt op het pensioen dat hij van de Shell Pensioenfonds ontvangt, maar de Shell Pensioenfonds die dat op grond van een wettelijk voorschrift doet.

6. [gedaagde] wijst erop dat over de onderhavige problematiek op 5 december 2008 in de Tweede Kamer vragen aan de Minister gesteld zijn en de Minister toen in zijn antwoord gesteld heeft dat het mogelijke nadeel voor de ontvangende ex-echtgenoot nu eenmaal uit de betreffende wettelijke regeling voortvloeit. Onder toezending van het kamerstuk heeft hij herhaaldelijk aan [eiseres] verzocht met hem deze kwestie in onderling overleg te regelen. Hierop heeft zij niet gereageerd.

7. In haar stellingname dat zij financieel nadeel ondervindt van het feit dat de premie Zvw op het haar toekomende deel van het ouderdomspensioen van Shell Pensioenfonds wordt ingehouden, maakt [eiseres] haar huidige hoge inkomen tot maatstaf bij de bepaling in rechte of [gedaagde] haar de ingehouden premie wel of niet zou moeten vergoeden. Hierin gaat zij aan de bepalingen van de dadingsovereenkomst van partijen en aan de wet voorbij. Zou deze redenering gevolg worden, dan zou als haar inkomen lager zou worden en zij van de inhouding geen nadeel meer ondervinden, hij niet langer gehouden zijn de ingehouden premie Zwv aan haar te vergoeden.

8. [gedaagde] merkt ook nog op dat [eiseres] van hem eist dat wat hij niet van Shell Pensioenfonds ontvangt, uit eigen middelen moet bijleggen. Ten slotte constateert hij dat [eiseres] alimentatie en verrekening pensioenrechten door elkaar haalt.

Beoordeling

9. In geval van echtscheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot krachtens artikel 1:155 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in laatstgenoemde wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten. Partijen hebben de toepasselijkheid van laatstgenoemde wet niet uitgesloten.

10. Op grond van artikel 2 lid 2 van de Wet Pensioenverevening ontstaat ingevolge het recht op verevening jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen, mits binnen twee jaar na het tijdstip van de scheiding van die scheiding en van het tijdstip van scheiding door een van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan door middel van een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld formulier. Een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan sluit een recht op uitbetaling jegens de tot verevening verplichte echtgenoot uit. Geen van partijen heeft betreffende mededeling aan Shell Pensioenfonds gedaan, zodat [eiseres] geen recht op uitbetaling van het haar toekomende deel van het ouderdomspensioen van [gedaagde] bij de Shell Pensioenfonds jegens dat pensioenfonds heeft.

11. Op grond van artikel 2 van de Zvw is degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het risico van – kort gezegd – ziektekosten, als omschreven in artikel 10 Zvw. Op partijen rust die verplichting.

12. Krachtens de zorgverzekering zijn verzekeringsnemers op grond van artikel 16 Zvw premie verschuldigd welke ingevolge artikel 41 Zvw bestaat uit een inkomensafhankelijke bijdrage. Die verplichting rust dus ook op partijen.

13. Deze inkomensafhankelijke bijdrage over een jaar wordt ingevolge artikel 42 Zvw geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar. In artikel 43 Zvw is bepaald waaruit dat bijdrage-inkomen bestaat en wel – kort gezegd – uit inkomsten uit arbeid en onderneming en uit periodieke uitkeringen en verstrekkingen, zulks tot een bepaald door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld maximum. De inkomensafhankelijke bijdrage bestaat ingevolge artikel 45 Zvw uit een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld percentage van het bijdrage-inkomen .

14. In artikel 48 Zvw is bepaald dat de rijksbelastingdienst de inkomensafhankelijke bijdrage heft en wel krachtens artikel 49 Zvw voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit belastbaar loon als bedoeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting van de Wet op de loonbelasting 1964 en als nader gespecificeerd is in artikel 43 lid 1 Zvw, bij wijze van inhouding bij de uitkerende instanties en voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit andere bestanddelen bij wege van aanslag bij de premieplichtige verzekeringsnemer.

15. Indien door een uitkerende instantie een te hoge inkomensafhankelijke bijdrage is ingehouden dient op grond van artikel 50 Zvw de Inspecteur der Belastingen bij voor bezwaar vatbare beschikking het bedrag van de teveel betaalde bijdrage vast te stellen en daarvan teruggave te verlenen. Indien het bijdrage-inkomen waarover inkomenafhankelijke bijdrage is ingehouden,van verschillende inhoudsplichtigen is ontvangen, wordt het bedrag van de teveel ingehouden bijdrage naar evenredigheid toegerekend aan de door deze inhoudsplichtigen ingehouden bijdragen.

16. Bij de bepaling in 1999 van het deel van het ouderdomspensioen bij Shell Pensioenfonds van [gedaagde] dat op grond van de Wet verevening pensioenrechten aan [eiseres] toekomt, heeft [persoon 1] geen rekening gehouden – en kon zij ook geen rekening houden – met de op 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet.

De Zorgverzekeringswet heeft geen voorziening getroffen voor het geval als het onderhavige dat de pensioengerechtigde of zijn of haar vereveningsgerechtigde ex-partner aan de pensioenuitvoerder geen verzoek tot verevening heeft gedaan. In een dergelijk geval heeft de vereveningsgerechtigde ex-partner daardoor geen eigen aanspraak op het haar of hem toekomende deel van het ouderdomspensioen jegens de pensioenuitvoerder en wordt bij de pensioenuitvoerder op het gehele ouderdomspensioen een inkomensafhankelijke bijdrage ingehouden, waarvan door de Inspecteur der Belastingen teruggave wordt verleend op basis van het bijdrage-inkomen van de vereveningsplichtige pensioengerechtigde.

17. Als nu, zoals waarvan in het geval van partijen in de periode juli 2007 tot en met juli 2009 sprake geweest is, bij de vereveningsgerechtigde ex-partner op diens loon de door hem of haar maximaal verschuldigde bijdrage Zvw wordt ingehouden, loopt de vereveningsgerechtigde ex-partner teruggave van ter zake van op het haar of hem toekomende deel van het ouderdomspensioen ingehouden bijdrage Zvw mis, terwijl het haar of hem toekomende deel van het ouderdomspensioen wel meetelt voor de bepaling van diens bijdrage-inkomen.

18. Aan de vereveningsplichtige pensioengerechtigde wordt in een dergelijk geval meer ingehouden bijdrage Zvw teruggegeven dan wanneer alleen inhouding had plaats gevonden op het aan hem of haar zelf toekomende deel van diens ouderdomspensioen. Hierbij moet wel bedacht worden dat de maximumbijdrage Zvw van de pensioengerechtigde mede bepaald is op basis van het gehele ouderdomspensioen en dus niet op basis van het hem of haar toekomende deel van dat pensioen.

19. Niet uit hoofde van een onderhoudsverplichting die [gedaagde] bij de dadingsovereenkomst d.d. 26 juni 1996 afkocht, maar krachtens artikel 1:155 BW had en heeft [eiseres] overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten, zoals dat op grond van de dadingsovereenkomst geconcretiseerd is, aanspraak op de helft van het ouderdomspensioen van [gedaagde] bij Shell Pensioenfonds.

20. Uit het vorenstaande blijkt dat [gedaagde] door aan [eiseres] de helft uit te betalen van het ouderdomspensioen, zoals dat aan hem over de periode juli 2007 tot en met juli 2009 door Shell Pensioenfonds is uitgekeerd, dus minus de inhouding bijdrage Zvw, ten gevolge van het wettelijk systeem van de Zorgverzekeringswet in combinatie met dat van de Wet pensioenverevening over voormelde periode financieel voordeel heeft genoten ten koste van [eiseres]. Omdat de grootte van het nadeel van [eiseres] en dat van het voordeel van [gedaagde] afhankelijk waren van de overige inkomensbronnen van ieder van hen en bovendien de maximaal door [gedaagde] verschuldigde bijdrage Zvw bepaald werd op basis van onder andere zijn gehele ouderdomspensioen van Shell Pensioenfonds en niet de hem toekomende helft daarvan, kan niet zonder meer gesteld worden dat het nadeel van [eiseres] gelijk is aan de helft van de bedragen die door Shell Pensioenfonds aan premie Zvw over voormelde periode zijn ingehouden.

21. De vraag is nu, of op [gedaagde] als vereveningsplichtige de plicht rustte en nog rust de schade die [eiseres] hierdoor geleden heeft, aan haar te vergoeden. [eiseres] is van oordeel dat dat wel het geval is, omdat [gedaagde] volgens haar onrechtmatig gehandeld heeft door aan zijn vereveningsverplichting niet ten volle te voldoen. Ook zou het standpunt ingenomen kunnen worden door [eiseres] dat [gedaagde] ten koste van haar ongerechtvaardigd verrijkt is en het redelijk is dat hij de door haar daardoor geleden schade aan haar vergoedt. De vraag is dan of dat het geval is.

22. Beide vragen moeten in de gegeven omstandigheden ontkennend beantwoord worden en wel om de volgende redenen.

23. Naar aanleiding van vragen van leden van de Tweede Kamer over de onderhavige problematiek heeft op 6 december 2007 de minister van sociale zaken en werkgelegenheid opgemerkt dat het verschil in heffing voortvloeit uit het systeem van de wettelijke regeling en mede wordt veroorzaakt door de keuze van partijen om niet of niet binnen de gestelde termijn van twee jaar na de scheiding het uitvoeringsorgaan te verzoeken om het ouderdomspensioen.

24. Dat dit wettelijke systeem met name jegens de vereveningsgerechtigden die, zoals [eiseres], gescheiden zijn op een tijdstip gelegen twee jaar vóór de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet, echter onbillijk kan werken, moge duidelijk zijn. Dat voor ongedaanmaking van deze onbillijkheid ten gevolge van dit wettelijke systeem van jaar tot jaar aan de hand van diverse gegevens van beide partijen bepaald dient te worden of de vereveningsgerechtigde nadeel heeft en zo ja hoe groot dat nadeel is en vervolgens in hoeverre de vereveningsplichtige gehouden is dat nadeel aan de vereveningsgerechtigde te vergoeden, maakt het wettelijk systeem des te meer onbillijk.

25. Dit zo zijnde had [eiseres] niet mogen verwachten dat [gedaagde] zonder dat zij uitvoerig informatie over haar eigen financiële situatie had verschaft en zonder door haar in de gelegenheid gesteld te zijn informatie over zijn financiële situatie aan haar te verschaffen, haar aanspraak op de helft van de ingehouden bijdrage Zvw had gehonoreerd. Nu die informatie ook nu nog ontbreekt, mag [eiseres] dat ook nu nog niet verwachten. Dit klemt te meer nu [gedaagde] in de afgelopen jaren bij herhaling zijn bereidheid tot minnelijk overleg heeft uitgesproken.

26. Conclusie: voor zover [gedaagde] in de voormelde periode jegens [eiseres] in strijd gehandeld heeft met de uit hoofde van de Wet pensioenverevening op hem rustende vereveningsverplichting, is dat thans niet te wijten aan zijn schuld; voor zover [gedaagde] in voormelde periode ten koste van [eiseres] verrijkt is, is het in de gegeven omstandigheden nu niet redelijk dat hij de schade van [eiseres] tot het bedrag van zijn verrijking vergoedt.

27. Het verweer van [gedaagde] gaat dus op. De vordering van [eiseres] moet daarom afgewezen worden.

28. Gelet op het feit dat beide partijen ex-echtelieden zijn, wordt bepaald dat iedere partij haar eigen proceskosten moet dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;

II. bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten moet dragen.

Aldus gewezen door mr. F.M.P.M. Strengers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter