Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL1106

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
AWB 09-314 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO. Hulpbehoevendheid. Verweerder brief van 20 mei 2005 ten onrechte niet aangemerkt als aanvraag voor een verhoging van zijn WAO-uitkering op grond van artikel 22 van de WAO. Zelf voorzien: toekenning verhoging per 20 mei 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/314 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats] in Frankrijk,

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 21 augustus 2008 eisers aanvraag van 24 juli 2008 om zijn uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) te verhogen, afgewezen.

Bij besluit van 3 december 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 21 augustus 2008 ingetrokken. Verweerder heeft eisers WAO-uitkering met ingang van 24 juli 2007 verhoogd naar 85% (hierna: het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2009.

Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Feiten en omstandigheden

2.1.1. Eiser ontvangt sinds 15 november 1996 een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1.2.. Eiser heeft verweerder op 24 juli 2008 telefonisch verzocht om zijn WAO-uitkering te verhogen in verband met hulpbehoevendheid.

2.1.3. Bij primair besluit van 21 augustus 2008 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, omdat er bij eiser geen sprake zou zijn van hulpbehoevendheid.

2.1.4. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat bij eiser, blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 27 november 2008, sprake is van hulpbehoevendheid voor essentiële dagelijkse levensverrichtingen vanaf de datum einde wachttijd. Verweerder heeft eisers WAO-uitkering, onder toepassing van artikel 35, tweede lid, van de WAO, met ingang van 24 juli 2007 verhoogd naar 85%.

2.1.5. Eiser heeft in beroep – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verhoging van zijn WAO-uitkering eerder zou moeten ingaan dan 24 juli 2007, omdat hij reeds veel eerder in een staat van hulpbehoevendheid verkeerde en ook reeds enkele malen in het verleden aan het UWV had verzocht hem in verband hiermee meer geld te geven. Eiser heeft benadrukt dat zijn echtgenote hem fulltime verzorgt en dat zij financieel afhankelijk van hem is.

2.1.6. Ingevolge artikel 22 van de WAO, voor zover hier van belang, wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108 maal zijn dagloon of zijn vervolgdagloon verhoogd.

2.2. Overwegingen van de rechtbank

2.2.1. De rechtbank stelt vast dat blijkens de rapportage van bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar (hierna: de bezwaarverzekeringsarts) van 27 november 2008 eiser voor een aantal essentiële dagelijkse levensverrichtingen, wassen en aankleden, aangewezen is op hulp van zijn echtgenote. Geregeld heeft eiser hulp nodig bij het eten. De huisarts spreekt van permanente hulp van zijn vrouw. Gelet op het vrijwel stabiele beeld en de ernstige beperkingen is naar mening van de bezwaarverzekeringsarts vanaf de datum einde wachttijd sprake van hulpbehoevendheid in het kader van de persoonlijke verzorging. Er is geen sprake van een situatie waarbij eiser voortdurende oppassing nodig heeft.

2.2.2. Op grond van voornoemd oordeel van de bezwaarverzekeringsarts heeft verweerder bij het bestreden besluit alsnog aan eiser een verhoging van zijn uitkering op grond van artikel 22 van de WAO toegekend.

Thans nog in geschil is de ingangsdatum van de toegekende verhoging.

2.2.3. De rechtbank stelt vast dat eiser op 20 mei 2005 aan verweerder een brief heeft gestuurd, waarin onder meer de volgende passages voorkomen:

“My enquiry concerns a ‘dependants’ allowance. (…) We were not informed of this Partner Allowance after my accident. It was only recently because of my wife’s health problems, that we contacted the UK Social Security to find out that we might be entitled to and they informed us that we should be receiving a dependants allowance payment from yourselves. (…) We feel that I am entitled to receive the Partner/Dependants allowance as my wife has had to take care of me Full time and she does not have any separate income paid to her. If you agree it should be paid, then I believe it should be backdated to 1997, when my employer stopped paying my salary and the then GAK took over the payment of benefits.”

2.2.4. Verweerder heeft op 25 mei 2005 door middel van een e-mail op eisers brief gereageerd. In deze e-mail heeft verweerder onder meer aangegeven:

“The only extra allowance we know is ‘Toeslagenwet’, which in your case is not applicable because your income is already above the minimum level. So you do not fall under the requirements for this allowance. (…) We are only paying you disability allowance, because you have worked for a number of years in the Netherlands, but we do not have any obligations towards your wife.”

2.2.5. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom verweerder eisers brief van 20 mei 2005 niet heeft aangemerkt als aanvraag voor een verhoging van zijn uitkering op grond van artikel 22 van de WAO. Daargelaten de (Engelse) bewoordingen van deze brief, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank een duidelijk verzoek om een besluit te nemen over een eventuele aanvullende uitkering, in verband met een (al dan niet gedeeltelijk) onvermogen om zelfstandig te kunnen functioneren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder thans niet kan volstaan met toekenning van het gevraagde met ingang van een datum gelegen één jaar voor de aanvraag van 24 juli 2008. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

2.2.6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zelf in de zaak te voorzien en overweegt hiertoe het volgende.

2.2.7. Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de WAO, voor zover hier van belang, kan een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen hiervan af wijken.

Ingevolge artikel 42, tweede lid, van de WAO is het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft.

2.2.8. In acht genomen het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over het bestaan van hulpbehoevendheid bij eiser per einde wachttijd en voorts gezien eisers aanvraag van 20 mei 2005, is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser op grond van artikel 35, tweede lid, van de WAO een verhoging van zijn uitkering op grond van artikel 22 van de WAO toekomt, met ingang van 20 mei 2004 (één jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend). Van eerdere aanvragen, zoals door eiser gesteld, is niet gebleken uit het dossier.

2.2.9. Eiser heeft in zijn brief van 6 augustus 2008 aangegeven dat hij recent op de hoogte is geraakt van de mogelijkheid een verhoging van zijn uitkering aan te vragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep levert onbekendheid met het bestaan van een regeling als hier aan de orde, echter geen bijzonder geval op in de zin van artikel 35, tweede lid, van de WAO. Dit zou anders zijn wanneer een belanghebbende, dan wel zijn vertegenwoordiger buiten staat was of in de onmogelijkheid verkeerde een aanvraag in te dienen. De rechtbank is van laatstgenoemde omstandigheden niet gebleken.

2.2.10. De rechtbank zal met toepassing van hetgeen is bepaald in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eisers WAO-uitkering met ingang van 20 mei 2004 wordt verhoogd op grond van en als bedoeld in artikel 22 van de WAO.

2.2.11. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat eiser met ingang van 20 mei 2004 recht heeft op verhoging van zijn WAO-uitkering naar 85%;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 (zegge: negen en dertig euro) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. V. Heijman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2009.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB