Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL1092

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
AWB 08-4050 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW. (On)bevoegd genomen besluit op bezwaar. De omstandigheid dat verweerder primaire besluiten afsluit met “Hoogachtend, Sociale Verzekeringsbank” leidt niet tot het oordeel dat om die reden het besluit op bezwaar, dat is genomen “namens de Sociale Verzekeringsbank”, onbevoegd is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4050 AOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te Thailand,

eiser,

gemachtigde: mr. M.P.W. Steuten,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Bos.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft verweerder eiser, met een terugwerkende kracht van één jaar, met ingang van november 2006 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend.

Bij besluit van 3 september 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 oktober 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 12 juni 2009, alwaar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Het onderzoek is vervolgens ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 28 augustus 2009 is het onderzoek heropend. Verweerder heeft

-desgevraagd- bij brief van 22 oktober 2009 zijn standpunt nader toegelicht. Eiser heeft bij brief van 10 november 2009 op deze brief gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

Standpunten van partijen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de toekenning van het ouderdomspensioen met ingang van november 2006 gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder gesteld dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Er is dan ook geen aanleiding om met ingang van een eerdere datum het ouderdomspensioen toe te kennen. Eiser ging er van uit dat in zijn ABP-pensioen ook het ouderdomspensioen was begrepen. Volgens verweerder lag het op de weg van eiser om bij onduidelijkheid nadere informatie in te winnen bij het ABP danwel bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb). De door eiser aangevoerde reden kan dan ook niet als een verschoonbare reden voor de te late indiening van de aanvraag worden aangemerkt. De terugwerkende kracht is dan ook terecht beperkt gebleven tot een jaar.

2.2. Eiser heeft zich in zijn beroepschrift op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit mogelijk onbevoegd is genomen. Voorts heeft eiser gesteld dat verweerder hem ten onrechte geen ouderdomspensioen met ingang van juli 2004 heeft toegekend. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn informatieplicht. Verweerder was er immers op grond van de in 2004 door de partner van eiser verstrekte gegevens bekend mee dat eiser met ingang van juli 2004 de 65-jarige leeftijd zou bereiken. Verweerder had eiser toen en niet eerst in 2007 op zijn aanspraken inzake de AOW dienen te wijzen. Door toedoen van verweerder is er dan ook pas in 2007 een aanvraag om een ouderdomspensioen gedaan. Bovendien was de beantwoording van de in 2004 door eisers partner gestelde vragen onjuist waardoor eiser geen aanleiding heeft gezien om actie te ondernemen. Deze fout kan niet zonder consequenties blijven, nu verweerder zelf het verschil tussen bijzondere gevallen zonder fout van de Svb en met fout van de Svb ook beleidsmatig erkend. In het laatste geval kan er ingevolge verweerders beleid aanleiding zijn tot volledig terugwerkende kracht (met een maximum van vijf jaar). Weliswaar is er geen sprake van een onjuist besluit, maar het ten onrechte niet nemen van een besluit kan daarmee worden gelijkgesteld. Voorts had verweerder ingevolge zijn beleid ambtshalve een ouderdomspensioen moeten toekennen aan eiser, nu er een uitkeringsrelatie was tussen verweerders en eisers partner danwel de aanvraag dienen te bevorderen. Verweerder heeft dan ook dan ook niet kunnen volstaan met een terugwerkende kracht van een jaar.

2.3. Naar aanleiding van eisers stelling dat er mogelijk sprake is van een bevoegdheidsgebrek heeft verweerder in het aanvullend verweerschrift gemotiveerd aangegeven dat er van een onbevoegd genomen besluit zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase geen sprake is. Voorts is verweerder gemotiveerd ingegaan op de beroepsgronden van eiser en heeft gesteld dat er geen aanleiding was om de AOW ambtshalve toe te kennen, dat er geen sprake is van een bijzonder geval, dat de informatievoorziening aan de partner van eiser in 2004 niet onvolledig is geweest en dat niet valt in te zien dat eiser anders wel tijdig een AOW-aanvraag zou hebben ingediend.

2.4. Ter zitting heeft eiser zijn standpunt dat er sprake is van een onbevoegd genomen besluit nader toegelicht. In verband hiermee is het onderzoek heropend en heeft verweerder gereageerd op het standpunt van eiser.

Wettelijk kader

2.5. Artikel 16, eerste lid, van de AOW bepaalt dat het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de maand, waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond. Verweerder kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.

2.6. In het kader van de deze laatste bepaling heeft verweerder een beleid ontwikkeld, hetgeen (ten tijde hier van belang) is neergelegd in het Besluit Beleidsregels SVB 2008. Volgens dit beleid is er sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen of indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen én deze onbekendheid verschoonbaar was.

2.7. Op grond van de jurisprudentie vult verweerder dit beleid als volgt nader in.

Er is geen sprake van een bijzonder geval indien:

- de betrokkene onvoldoende oplettend is geweest;

- de betrokkene onvoldoende activiteit heeft ontplooid;

- onbekendheid met de wettelijke bepalingen.

2.8. De rechtbank acht de beleidsmatige invulling van het begrip bijzonder geval niet rechtens onjuist.

Beoordeling

2.9. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen. Verweerder heeft bij brieven van 27 mei 2009 en 22 oktober 2009 uitvoerig op de grieven van eiser gereageerd. De rechtbank kan zich in de overwegingen van verweerder ten aanzien van de bevoegdheid van de medewerker, die het bestreden besluit namens verweerder heeft genomen, vinden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om reeds om die reden tot een onbevoegd genomen besluit te concluderen. In de brief van 10 november 2009 heeft eisers gemachtigde echter gesteld dat het eiser er vooral om gaat dat het primaire besluit is genomen door “de Sociale Verzekeringsbank” en dat het systeem van mandatering zoals vastgelegd in afdeling 10.1.1. van de Awb eraan in de weg staat dat een besluit op bezwaar wordt genomen door een functionaris, die lager in hiërarchie staat dan de nemer van het primaire besluit. Het bestreden besluit is immers genomen namens de Svb en de primaire beslissing door de Svb zelf en dat kan niet, aldus eiser. Ook op dit punt is verweerder uitvoerig ingegaan in zijn brief van 27 mei 2009. In dit verband heeft verweerder meegedeeld dat uit oogpunt van herkenbaarheid de Svb er voor heeft gekozen ook na de inwerkingtreding van de Wet SUWI brieven en primaire besluiten af te blijven sluiten met “Hoogachtend, de Sociale Verzekeringsbank”, maar dat te allen tijde wordt aangegeven door welke medewerker het primaire besluit is genomen. Verweerder heeft meegedeeld dat ook in de aanhef van dit primaire besluit is aangegeven welke medewerker het besluit heeft genomen en heeft voorts gemotiveerd dat de betreffende medewerker daartoe bevoegd was. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het primaire besluit niet is genomen door de -daartoe bevoegde- medewerker, die in de aanhef van dit besluit wordt vermeld. De omstandigheid dat verweerder de primaire besluiten afsluit met “Hoogachtend, Sociale Verzekeringsbank” leidt dan ook niet tot het oordeel dat om die reden het besluit op bezwaar onbevoegd is genomen.

2.10. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

2.11 Eiser heeft gesteld dat verweerder gehouden was de AOW ambtshalve toe te kennen. Van ambtshalve toekenning is sprake als een ouderdomspensioen wordt toegekend zonder dat er een aanvraag aan ten grondslag ligt. Verweerder is op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede lid van de AOW, bevoegd, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen. Van deze bevoegdheid wordt door de Svb slechts bij in het buitenland wonenden gebruik gemaakt. De Svb gaat over tot ambtshalve toekenning van het ouderdomspensioen in alle gevallen waarin zij reeds een uitkeringsrelatie heeft met de betrokkene of diens partner. Dit betekent dat ambtshalve ouderdomspensioen wordt toegekend aan: de jongere partner van de pensioengerechtigde, de Anw-gerechtigde en gerechtigden op een remigratie-uitkering, alsmede hun partners. Niet gebleken is dat eiser behoort tot één van deze categorieën. In het geval van eiser geldt dan ook de hoofdregel, neergelegd in artikel 14, eerste lid, van de AOW dat het AOW-pensioen op aanvraag wordt toegekend.

2.12. De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen in geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een bijzonder geval, zodat het ouderdomspensioen ingevolge de AOW niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend.

2.13. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het hiervoor onder 2.6. en 2.7. weergegeven beleid en er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot afwijking van het gevoerde beleid. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval niet gezegd kan worden dat er sprake is van een bijzonder geval. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

2.14. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er in het geval van eiser veeleer sprake lijkt te zijn van onvoldoende oplettendheid en onbekendheid met wettelijke bepalingen. Eiser heeft immers in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij (ten onrechte) heeft gedacht dat zijn ABP-pensioen zijn gehele pensioen was en dat daarin zijn AOW-pensioen was opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiser gelegen daarover nadere informatie in te winnen bij het ABP dan wel de Svb. In dit verband heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser uit de specificaties van het ABP had kunnen begrijpen dat daarin het AOW-pensioen niet was begrepen. Ook overigens heeft eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat hij niet op de hoogte kon zijn van zijn mogelijke recht op ouderdomspensioen.

2.15. Van een onvolledige en onjuiste informatievoorziening door verweerder is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten zijn aanvraag om een AOW te bevorderen. In dit verband merkt de rechtbank op dat ingevolge artikel 14, eerste lid, van de AOW een ouderdomspensioen eerst wordt toegekend op aanvraag van de pensioengerechtigde. Aan dit gegeven doet niet af het feit dat de Svb ten aanzien van bepaalde categorieën pensioengerechtigden, waaronder degenen die wonen in gemeenten die aangesloten zijn op het Gemeentelijk Basisadministratiesysteem (GBA-systeem), een aanvraag AOW bevordert door toezending van een AOW-aanvraagformulier. Eiser behoort niet tot één van de in het beleid genoemde categorieën en kan evenmin met personen in één van die categorieën worden gelijkgesteld, immers de Svb ontvangt vanuit het buitenland anders dan van gemeenten aangesloten op het GBA-systeem geen opgave van personen die binnen een half jaar de 65-jarige leeftijd zullen bereiken en ook ten aanzien van eiser is een dergelijke melding niet aan de Svb gedaan. De stelling van eiser dat verweerder uit de brief van 26 mei 2004 van zijn partner betreffende de vrijwillige AOW/Anw-verzekering had kunnen achterhalen dat eiser de 65-jarige leeftijd zou bereiken, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt is eiser zelf verantwoordelijk voor het indienen van een aanvraag en viel uit deze brief bovendien af te leiden dat eiser op de hoogte was van zijn pensioenaanspraken. Dat verweerder eisers partner in zijn brief van 5 november 2007 betreffende de vrijwillige AOW/Anw-verzekering er tevens op opmerkzaam heeft gemaakt dat zijn partner nog geen AOW-pensioen heeft aangevraagd, leidt in het licht van het vorenstaande niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat verweerder tekortgeschoten is door dit laatste niet eerder aan eiser te melden.

Zoals hiervoor reeds onder 2.13 is overwogen, lijkt het niet indienen van een aanvraag veeleer het gevolg van onoplettendheid. Gelet hierop valt niet in te zien dat -nog daargelaten dat van een fout van de Svb niet is gebleken- een andere beantwoording door verweerder van de brief van 26 mei 2004 tot een aanvraag om een ouderdomspensioen zou hebben geleid.

2.16. Verweerder heeft derhalve terecht aan eiser eerst met ingang van november 2006 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend.

2.17. De bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling van verweerder of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2009.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

SB O

DOC: B