Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL0639

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
422186 / 09.0807
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8921, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen van Staat jegens Hells Angels? Aanspraak op vergoeding van schade geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden politie en justitie?

Dat sprake is van een grootscheepse, van overheidswege opgezette onrechtmatige lastercampagne tegen de Hell’s Angels en de Stichting is niet concreet onderbouwd. Het gaat om ernstige aantijgingen door de Stichting, maar welke (fungerend) officier van justitie op welke wijze opsporingsambtenaren heeft aangezet tot falsificaties en met betrekking tot welke processen-verbaal, is in het geheel niet toegelicht. Ook het verwijt dat de rechter-commissaris ernstig tekort is geschoten in haar controlerende taak is niet concreet gemaakt. De Stichting heeft niet meer dan enkele voorbeelden genoemd van processen-verbaal waarvan volgens haar de inhoud niet juist is. Dat is door de Staat betwist, maar afgezien daarvan, die processen-verbaal hebben betrekking op individuele Hell’s Angels en niet op de Stichting. Dat het strafrechtelijk onderzoek (aanvankelijk) verborgen is gehouden, zoals de Stichting ook aanvoert, is eigen aan dergelijk strafrechtelijk onderzoek. Daar is niets bedrieglijks aan.

De rechtbank besliste in de zaak tegen de individuele Hell’s Angels tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, omdat in die procedure sprake was van inbreuken op regelgeving met betrekking tot het afluisteren van telefoongesprekken met advocaten. Dat betekent echter niet dat uit de stukken van de strafzaak zonder meer blijkt van de onschuld van de Stichting. Er blijkt slechts uit dat in het Acroniem-onderzoek op onrechtmatige wijze geheimhouders zijn afgeluisterd, maar de onschuld van de Stichting staat daarmee niet vast. Indien een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, in de zin van artikel 27 Sv, is gerezen, zoals in dit geval tegen de Stichting, behoort het tot het normale maatschappelijke risico van een verdachte dat feiten en omstandigheden die tot dat vermoeden hebben geleid in een strafrechtelijke procedure worden onderzocht en leiden tot het optreden van politie en justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, enkelvoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 422186 / HA ZA 09.0807

Vonnis van 16 december 2009

in de zaak van

de stichting

STICHTING HELL'S ANGELS AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.F.M. Struycken,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

domicilie hebbend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W. Heemskerk.

Partijen zullen hierna de Stichting en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 februari 2009, met één bewijsstuk;

- de akte bewijsaanbod van de Stichting;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het vonnis van deze rechtbank van 8 juli 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van 29 oktober 2009, met de daarin

genoemde stukken.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 In juni 2003 is door de Nationale recherche onder leiding van de officier van justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de projectnaam Acroniem. Dit onderzoek richtte zich blijkens een nadien opgemaakt proces-verbaal van relaas van 31 juli 2006 met name op de vermoedelijke criminele activiteiten van de diverse Chapters (afdelingen) van de Hell’s Angels in Nederland en de individuele Hell’s Angels. Diverse Hell’s Angels zouden zich volgens dit proces-verbaal in georganiseerd verband mogelijk schuldig hebben gemaakt c.q. maken aan diverse (ernstige) misdrijven zoals de handel in of het bezit van wapens, bedreiging, afpersing, discriminatie, moord en doodslag en handel in verdovende middelen.

2.2 Vanaf september 2005 zijn op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris op grond van artikel 126 l lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) telefoons afgeluisterd en andere bijzondere opsporingsbevoegdheden gebruikt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, tegen onder meer de Stichting als verdachte (parketnummer 13/129306-03).

2.3 Op 17 oktober 2005 heeft er in het kader van dat strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking plaatsgevonden in het clubhuis van de Stichting aan de H.J.E. Wenckebachweg 13 te Amsterdam (hierna: terrein Wenckebachweg). De doorzoeking had ook betrekking op enkele bestuursleden van de Stichting alsmede op zogenoemde “members” van de Stichting die blijkens de vordering tot doorzoeking (ook) adres hielden op het terreinWenckebachweg. Om toegang te verkrijgen tot het terrein Wenckebachweg heeft de politie gebruik gemaakt van een bulldozer, waarbij onder meer het toegangshek is vernield.

2.4 Van de doorzoeking is proces-verbaal opgemaakt. Er zijn naast administratie onder meer twee kluizen in beslag genomen, alsmede computers, schilderijen en een ander kunstwerk. De computers zijn samen met andere in beslag genomen zaken eind 2005 weer teruggeven aan (vertegenwoordigers van) de Stichting. De kluizen zijn op 13 maart 2006 teruggeven. De kluizen zijn door de Nationale Recherche opengebroken.

2.5 Het openbaar ministerie heeft op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een verzoek tot verboden verklaring van onder meer de Stichting ingediend bij deze rechtbank, op grond van - kort gezegd - strijd met de openbare orde. Bij beschikking van 11 april 2007 is dit verzoek afgewezen door de rechtbank; nadien is dit door het gerechtshof te Amsterdam bekrachtigd.

2.6 Door het openbaar ministerie te Amsterdam zijn 22 members (Hell’s Angels) strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnissen van 20 december 2007 heeft de rechtbank Amsterdam het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de strafvervolging. Deze vonnissen zijn onherroepelijk.

2.7 De (straf)zaak tegen de Stichting is bij beslissing van 13 oktober 2008 door het openbaar ministerie geseponeerd, met de mededeling: “OM niet ontvankelijk”.

3. De vordering en de grondslag

3.1 De Stichting vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat de Staat valselijk en opzettelijk en in strijd met het onschuldbeginsel, misbruik makend van haar bevoegdheden en gebruikmakend van een valselijk opgemaakt dossier een beeld heeft gevormd bij het bestuur, de rechterlijke macht en anderen dat de Stichting haar bestuursleden en de overige leden van de met haar verbonden motorclub Hell’s Angels behoren tot de georganiseerde misdaad en haar op deze wijze uit te sluiten van deelname aan het gewone economische en sociale verkeer;

b. te bevelen binnen 2 weken na betekening van het te wijzen vonnis alle besluiten, die op basis van het Acroniemdossier zijn genomen ongedaan te maken een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere overtreding en voor elke dag dat de Staat, binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis, in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

c. met veroordeling van de Staat tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat;

d. de Staat te veroordelen tot vergoeding van de schade die door de Staat is veroorzaakt bij het betreden van het terrein Wenckebachweg, aan zaken die eigendom zijn van de Stichting, tot een bedrag van € 17.624,20, althans een bedrag nader op te maken bij staat, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal menen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2005 tot aan de algehele voldoening;

e. de staat te veroordelen tot betaling aan de Stichting van € 833,-- in verband met buitengerechtelijke kosten;

f. met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2 De Stichting legt naast de vaststaande feiten - kort gezegd - aan haar vordering ten grondslag dat de Staat jegens haar onrechtmatig en disproportioneel is opgetreden, vooral met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek. Het Acroniemonderzoek wordt ten onrechte steeds betrokken bij allerlei zaken die de Stichting raken, zoals bij Bibob onderzoeken, pasjeskwesties, vergunningen en verzekeringen.

3.3 Het openbaar ministerie is het Acroniemonderzoek zonder wettelijke grondslag gestart met slechts het doel de Hell’s Angels als leden van een criminele organisatie aan te merken, aldus de Stichting. De Stichting was op het moment van de inval en de inbeslagneming geen verdachte, in de zin van het Wetboek van Strafvordering en zij kon ook niet als zodanig worden aangemerkt. De Stichting dient derhalve beschouwd te worden als een willekeurige derde. Bij de doorzoeking op 17 oktober 2005 zijn opzettelijk, disproportioneel en onrechtmatig vernielingen toegebracht, aldus de Stichting.

3.4 De Stichting stelt in dat verband dat het optreden van het openbaar ministerie onderdeel is van een grootscheepse, van overheidswege opgezette onrechtmatige lastercampagne tegen de Hell’s Angels, met het oogmerk de Stichting en de members buiten de samenleving te plaatsen. Het onderzoek is zorgvuldig en bedrieglijk verborgen gehouden, aldus de Stichting. De (fungerend) officier van justitie heeft de opsporingsambtenaren aangezet tot falsificatie van het strafdossier en ook de rechter-commissaris is ernstig tekort geschoten in haar controlerende taak. Door het openbaar ministerie zijn op basis van valse verdachtmakingen systematische en structureel onrechtmatige opsporingsbevoegdheden aangewend om de Hell’s Angels veroordeeld te krijgen. Verder is de berichtgeving aan de pers door het openbaar ministerie sterk aangezet, smadelijk en strijdig met de in acht te nemen zorgvuldigheid, aldus de Stichting. De Stichting stelt dat valse verdachtmakingen zijn geuit en een valse voorstelling van zaken is gegeven met betrekking tot:

a. het strafrechtelijk onderzoek Acroniem;

b. de civielrechtelijk procedure tot verboden verklaring van de Stichtingen, die verbonden zijn met de motorclub;

c. de civielrechtelijke procedure, aangespannen door de Gemeente tot ontruiming van terrein rond het clubhuis aan de Wenckebachweg;

d. de bestuursrechtelijke procedures in het kader van vergunningverleningen o.a. Yab Yum en andere Bibob zaken;

e. negatieve beeldvorming door persberichten vanwege de overheid / ambtelijke rapporten (onderzoek Wallen); wijze van aanhouding, persberichten;

f. integriteitonderzoek en ontslag/overplaatsing van medewerkers van de Gemeente die tot eind 2004 contacten onderhielden met de Hell’s Angels (I. van Brenk);

g. intrekken wapenvergunningen van o.a. Uneputty en Callenfels in juli 2006;

h. het intrekken/ het niet verstrekken van bewakingspasjes, waardoor Hell’s Angels van inkomen zijn beroofd;

i. schorsing van leden van de Hell’s Angels uit de militaire dienst.

3.5 Met betrekking tot de schade stelt de Stichting dat het toegangshek onherstelbaar is vernield, met een schade van € 7.180,-- exclusief BTW. De stichting wijst op een overgelegde offerte. Verder zijn er meerdere in beslag genomen computers met onherstelbare schade aan de harde schijf teruggegeven, waarvan twee computers van de Stichting waren. De Stichting wijst op de volgende schadeposten:

- schade aan de poort, camera’s en lampen € 3.050,--

- manuren € 2.000,--

- vervangen stroomhok € 465,--

- schade aan de kluizen € 365,--

- schade aan computers € 500,--

- schade aan kunstwerk € 2.100,--

- schade aan toegangshek € 7.180,--

4. Het verweer

4.1 De Staat betwist de vorderingen en voert aan dat geen der stellingen van de Stichting is onderbouwd. Het gaat om blote beweringen, aldus de Staat, zodat de Stichting niet heeft voldaan aan haar stelplicht. De verwijten hebben ook voor het overgrote deel betrekking op individuele Hell’s Angels die in deze procedure echter geen partij zijn. Bovendien is de Stichting in dit geval geen belangenbehartiger van de Hell’s Angels in de zin van artikel 3:305a BW. Dat blijkt ook niet uit de statuten van de Stichting. De verwijten hebben veelal ook betrekking op handelen van de gemeente Amsterdam en van de politieregio Amsterdam-Amstelland, voor welk optreden de Staat niet verantwoordelijk is.

4.2 Ter nadere toelichting voert de Staat aan dat de Stichting vanaf september 2005 wel degelijk als verdachte is aangemerkt van verschillende strafbare feiten. De Staat kan dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen en eventueel daaruit voortgevloeide schade. De Staat wijst daarbij op bestaande jurisprudentie, waaruit blijkt, aldus de Staat, dat van aansprakelijkheid slechts sprake zou kunnen zijn indien:

- het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten;

- achteraf uit een strafvorderlijk onderzoek - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking op grond waarvan het dwangmiddel is toegepast, ten onrechte heeft bestaan.

Daar is in dit geval geen sprake van, aldus de Staat. De doorzoeking vond plaats onder leiding van de rechter-commissaris en de gevolgde werkwijze was rechtmatig. In dit geval is de zaak tegen de Stichting geëindigd met sepot en daarmee kan niet worden gezegd dat de verdenking tegen de Stichting ten onrechte heeft bestaan. Verzoeken van de individuele Hell’s Angels om vergoeding van schade is op grond van artikel 89 en 591a Sv afgewezen, aldus de Staat.

4.3 De Staat betwist dat zij de pers heeft ingeschakeld bij de doorzoeking van 17 oktober 2005 of bij andere gelegenheden. De Staat voert aan dat de persuitingen betrekking hadden op de individuele Hell’s Angels - die in deze procedure geen partij zijn - en niet op de Stichting.

4.4 De Staat erkent dat schade is toegebracht aan het hek en twee kluizen, maar voor die schade is de Staat niet aansprakelijk omdat sprake is van rechtmatig optreden. De Stichting heeft de omvang van de schade ook niet aangetoond, aldus de Staat. De Staat betwist dat bij de actie schade is toegebracht aan de camera’s, de lampen, het stroomhok, twee computers en een schilderij. De gevorderde schade is ook niet onderbouwd en het gevorderde bedrag van

€ 17.624,20 is niet te herleiden tot de verschillende posten. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden betwist omdat die niet zijn onderbouwd. De Staat betwist ook verwijzing naar de schadestaat procedure omdat de mogelijkheid van andere schade, dan die concreet is gevorderd, niet aannemelijk is gemaakt.

4.5 De Staat concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad en met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

5. Beoordeling

5.1 De vorderingen onder 3.1 a. b. en c. zijn kennelijk (vooral) gebaseerd op de gang van zaken met betrekking tot het zogenoemde Acroniemonderzoek. Anders dan de Stichting stelt is zij binnen dit onderzoek door het openbaar ministerie al vanaf (in ieder geval) september 2005 als verdachte aangemerkt. Dit blijkt onder meer uit door de Staat bij gelegenheid van de comparitie overgelegde stukken met betrekking tot de toepassing van dwangmiddelen. Uit die stukken blijkt van de onder 2.2. genoemde dwangmiddelen, waarvoor de rechter-commissaris machtiging heeft verleend. Blijkens de machtiging van de rechter-commissaris is de beslissing gebaseerd op een proces-verbaal van de KLPD Unit Randstad Noord en is het gebruik van dwangmiddelen voorts getoetst aan artikel 126m Sv. Met deze rechterlijke toets moet het ervoor worden gehouden dat de Stichting binnen het Acroniemonderzoek terecht als verdachte is aangemerkt. Voor een zelfstandige beoordeling door de burgerlijk rechter op dit punt is dan geen plaats meer.

5.2 Dat het Acroniemonderzoek zonder wettelijke grondslag is aangevangen is niet gebleken. Zoals onder 2.1. is vastgesteld is blijkens een overgelegd proces-verbaal van relaas van 31 juli 2006 in juni 2003 het strafrechtelijk onderzoek gestart, naar aanleiding van destijds bestaande verdenkingen. Die verdenking is, zoals hiervoor is overwogen, jegens de Stichting getoetst door de rechter-commissaris. Op welke wijze het Acroniemonderzoek jegens anderen dan de Stichting is aangevangen - zoals bijvoorbeeld jegens de individuele Hell’s Angels - kan in het midden blijven omdat die geen partij zijn in deze procedure. Gesteld noch gebleken is dat de Stichting in deze optreedt namens anderen in de zin van artikel 3:305a BW (de zogenoemde collectieve actie); de Stichting stelt juist dat zij niet kan worden vereenzelvigd met de individuele Hell’s Angels (akte vermeerdering van eis onderdeel 1). Daar komt bij dat de strafrechtelijke gang van zaken met betrekking tot de individuele Hell’s Angels, blijkens de onder 2.6 genoemde procedure is getoetst door de strafrechter, zodat ook op dit punt geen taak is weggelegd voor de burgerlijk rechter.

5.3 Dat sprake is van een grootscheepse, van overheidswege opgezette onrechtmatige lastercampagne tegen de Hell’s Angels en de Stichting is niet concreet onderbouwd. Het gaat om ernstige aantijgingen door de Stichting, maar welke (fungerend) officier van justitie op welke wijze opsporingsambtenaren heeft aangezet tot falsificaties en met betrekking tot welke processen-verbaal, is in het geheel niet toegelicht. Ook het verwijt dat de rechter-commissaris ernstig tekort is geschoten in haar controlerende taak is niet concreet gemaakt. De Stichting heeft niet meer dan enkele voorbeelden genoemd van processen-verbaal waarvan volgens haar de inhoud niet juist is. Dat is door de Staat betwist, maar afgezien daarvan, die processen-verbaal hebben betrekking op individuele Hell’s Angels en niet op de Stichting. Dat het strafrechtelijk onderzoek (aanvankelijk) verborgen is gehouden, zoals de Stichting ook aanvoert, is eigen aan dergelijk strafrechtelijk onderzoek. Daar is niets bedrieglijks aan.

5.4 De Stichting gaat er bij de onder 3.4 onder a. tot en met i. genoemde gebeurtenissen kennelijk vanuit dat de Staat daar (steeds) bij betrokken is geweest en ook verantwoordelijk voor is. De civielrechtelijke procedure tot ontruiming van het terrein Wenckebachweg is door de gemeente Amsterdam ingesteld en niet door de Staat. Voor de bestuursrechtelijke procedures in de Bibob zaken geldt eveneens dat de gemeente partij is en niet de Staat. De onder 3.4 genoemde gebeurtenissen hebben veelal ook betrekking op individuele Hell’s Angels, zoals met betrekking tot vergunningen, ontslag en schorsing. Wat het belang van de Stichting daarbij is, is niet uitgelegd. De Stichting heeft, behoudens het strafrechtelijk optreden van het openbaar ministerie, niet uiteengezet wat de rol van de Staat is geweest bij de verschillende gebeurtenissen en waarom dat onrechtmatig zou zijn. De Stichting gaat ook eraan voorbij dat met betrekking tot elk van die gebeurtenissen een eigen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat, waarbinnen eventuele tekortkomingen, onrechtmatigheden en stellingen kunnen worden getoetst. Blijkens de stukken en stellingen van partijen is daar ook gebruik van gemaakt.

5.5 De Staat heeft bij gelegenheid van de comparitie toegelicht op welke wijze de pers betrokken is geraakt bij de doorzoeking op 17 oktober 2005. De doorzoeking was destijds uitgelekt, aldus de Staat, en ter voorkoming van voortijdige publicaties is toen aan de pers verzocht die berichtgeving uit te stellen. Deze toelichting is niet weersproken door de Stichting. Verder was de actie op 17 oktober 2005 zo grootschalig, zoals de Staat nog heeft aangevoerd, dat die niet onopgemerkt kon blijven. Deze gang van zaken is niet onrechtmatig te noemen. De Stichting heeft verder nog gewezen op meerdere publicaties, waaronder die van [A], die inhoudelijk onjuist zouden zijn. De Staat heeft echter de onjuistheid van die publicaties op onderdelen betwist en ook haar betrokkenheid bij de totstandkoming ervan. De Stichting heeft niet gesteld en ook is niet gebleken op welke wijze en met betrekking tot welke publicatie de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. De betreffende publicaties kunnen ook het resultaat zijn van zelfstandig journalistiek werk. Daarnaast hebben de publicatie niet zozeer betrekking op de Stichting maar op de handelwijze van individuele Hell’s Angels.

5.6 De Stichting heeft ook niet uiteengezet welke besluiten, die op basis van het Acroniemonderzoek zouden zijn genomen, ongedaan gemaakt zouden moeten worden. Ook is niet duidelijk welke instantie of autoriteit die besluiten heeft genomen, of het (juridisch) nog wel mogelijk is die besluiten terug te draaien en welke rol de Staat daarin heeft gehad of zou moeten hebben. Gelet op al het voorgaande zullen de vorderingen onder 3.1 a. en b. worden afgewezen.

5.7 Blijft over de vordering tot schadevergoeding. Het gaat om beoordeling van aanspraken tot vergoeding van schade, die door de Stichting is geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie. Daarbij gaat het niet om de in het Wetboek van Strafvordering geregelde gevallen waarin de gewezen verdachte een vergoeding kan worden toegekend, maar om de mogelijkheden tot schadevergoeding op de grondslag van onrechtmatige daad. In dat verband bestaan voor de gewezen verdachte, kort samengevat, twee mogelijkheden tot schadevergoeding (zie HR 13 oktober 2006, LJN AV6956, Begaclaim/Staat):

a. in het geval dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor strafrechtelijk optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, waaronder het thans door de Stichting kennelijk gestelde geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv. heeft ontbroken;

b. in het geval dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.

5.8 Bij de onder 5.7 onder a. genoemde situatie gaat het om de verdenking naar het tijdstip waarop het strafrechtelijk optreden heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor is overwogen had de Stichting - anders dan zij stelt - bij het strafvorderlijk optreden van politie en justitie wel degelijk te gelden als verdachte. Dat het destijds bestaande redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit niet heeft geleid tot (verdere) strafvervolging doet daaraan niet af. Het gaat immers om de verdenking naar het moment van optreden. Andere feiten en/of omstandigheden die zouden leiden tot de situatie zoals genoemd onder 5.7 onder a. zijn gesteld noch gebleken.

5.9 Blijft over de situatie van 5.7 onder b. In dit geval heeft de officier van justitie besloten tot niet verdere vervolging van de Stichting uit overwegingen van opportuniteit. Blijkens de onder de 2.7 genoemde mededeling stelde het openbaar ministerie zich op het standpunt dat zij in haar strafvervolging niet ontvankelijk zou zijn. Naar uit de stukken blijkt hield dat verband met de onder 2.6 genoemde beslissing van de rechtbank. De rechtbank besliste in de zaak tegen de individuele Hell’s Angels tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, omdat in die procedure sprake was van inbreuken op regelgeving met betrekking tot het afluisteren van telefoongesprekken met advocaten. Dat betekent echter niet dat uit de stukken van de strafzaak zonder meer blijkt van de onschuld van de Stichting. Er blijkt slechts uit dat in het Acroniem-onderzoek op onrechtmatige wijze geheimhouders zijn afgeluisterd, maar de onschuld van de Stichting staat daarmee niet vast. Indien een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, in de zin van artikel 27 Sv, is gerezen, zoals in dit geval tegen de Stichting, behoort het tot het normale maatschappelijke risico van een verdachte dat feiten en omstandigheden die tot dat vermoeden hebben geleid in een strafrechtelijke procedure worden onderzocht en leiden tot het optreden van politie en justitie.

5.10 Het gesloten stelsel van de wet verzet zich ertegen dat de burgerlijke rechter in een daartoe niet geëigende procedure - anders dan hiervoor is uiteengezet - (verder) oordeelt over de rechtmatigheid van toegepaste strafvorderlijke dwangmiddelen en eventuele daaruit voortvloeiende schade. Dat brengt mee dat de Staat, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.7 tot en met 5.9 is overwogen, niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade. Wat betreft de vordering onder 3.1 d. is die schade overigens ook niet voldoende concreet onderbouwd. Er is alleen een offerte overgelegd die betrekking heeft op het toegangshek. Het gevorderde bedrag van € 17.624,20 is ook niet gespecificeerd en de verschillende posten sluiten niet aan op dit bedrag. Ook de overige vorderingen zullen daarom ook worden afgewezen.

5.11 De rechtbank komt niet toe aan verder bewijs omdat de Stichting niet voldoende concreet heeft gesteld en ook niet voldoende concreet bewijs heeft aangeboden. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Stichting worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten worden tot op heden aan de zijde van de Staat begroot als volgt:

- vast recht € 313,--

- salaris advocaat (conclusie van antwoord,

comparitie, 2 punten tarief II à € 452,--) € 904,--

totaal € 1.217,--

5.12 De Staat heeft met betrekking tot de kostenveroordeling uitvoerbaarheid bij voorraad en rente gevorderd. Uitvoerbaarheid bij voorraad zal worden toegewezen. Wettelijke rente over die kosten is eerst verschuldigd indien de Stichting in verzuim raakt die te voldoen. De rente zal worden toegewezen bij niet betaling vanaf twee weken na betekening van het vonnis.

BESLISSING

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.217,--, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet betaling vanaf twee weken na betekenis van het vonnis tot aan de voldoening;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.A. Wildenburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.?