Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BL0290

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
441077 - KG ZA 09-2269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Statutair directeur vordert opheffing schorsing. Vordering in kort geding afgewezen vanwege gebrek aan spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0059
Prg. 2010, 62

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 441077 / KG ZA 09-2269 NB/MV

Kort geding vonnis van 30 oktober 2009 en van 12 november 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 22 oktober 2009,

advocaat mr. M.G.M. Muffels te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMTRADA HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. Oster te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Amtrada worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 30 oktober 2009 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Amtrada heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Ter zitting heeft [eiser] zijn eis vermeerderd, hetgeen de voorzieningenrechter niet heeft toegestaan. De vermeerdering van eis is in strijd met de goede procesorde niet tenminste 24 uur voorafgaand aan de terechtzitting aangekondigd, zodat Amtrada – die ook bezwaar heeft gemaakt tegen het toelaten van de vermeerdering van eis – zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden.

Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Ter zitting waren aanwezig [eiser] met mr. B. Westerhout, advocaat te Amsterdam en [lid Raad van Commissarissen], lid van de Raad van Commissarissen van Amtrada met mr. Oster.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met de spoedeisendheid van de vordering zoals opgenomen onder 1 van het petitum van de dagvaarding heeft de voorzieningenrechter op 30 oktober 2009 op dit punt mondeling vonnis gewezen. Deze vordering is afgewezen. Het onderstaande omvat mede de schriftelijke uitwerking van dit mondelinge vonnis. Ter zitting is partijen medegedeeld dat de voorzieningenrechter over de overige onderdelen van het petitum van de dagvaarding op 12 november 2009 vonnis zal wijzen.

2. De feiten

2.1. Sinds 1 september 1995 is [eiser]in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) Amtrada. [eiser ]is financial director en statutair directeur. [H] (hierna [H]) is eveneens statutair directeur van Amtrada en in dienst als managing director.

2.2. Op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) van Amtrada van 27 augustus 2009 is besloten [R] (hierna [R]) eveneens te benoemen als statutair directeur van Amtrada. Hieraan voorafgaand (bij brief van 25 augustus 2009) heeft [eiser], mede namens [H], de aandeelhouders geadviseerd tegen deze benoeming te stemmen.

2.3. Bij brief van 25 september 2009 gericht aan de grootaandeelhouders van Amtrada hebben [eiser] en [H] – onder meer – aangedrongen op onmiddellijk ontslag van [R].

2.4. Op 13 oktober 2009 is aan [eiser]een brief overhandigd, ondertekend door de Raad van Commissarissen […], waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Zoals met u besproken roept de Raad van Commissarissen van Amtrada Holding B.V. u hierbij op om aanwezig te zijn op de buitengewone vergadering van aandeelhouders (…) welke donderdag 5 november a.s. om 15.00 uur (…) zal worden gehouden.

Als bijlage bij deze brief treft u een uitnodiging (…) aan, waarin als agendapunten het voorstel van de Raad van Commissarissen tot ontslag van u als statutair directeur staat vermeld.

(…)

U zult uiteraard in de gelegenheid worden gesteld om tijdens de bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders uw visie op dit agendapunt weer te geven. U wordt daarnaast tezamen met de andere bestuurders in de gelegenheid gesteld om uw raadgevende stem uit te brengen.

(…)

Tot slot bevestig ik u dat u met onmiddellijke ingang bent vrijgesteld van werkzaamheden.

(…)

2.5. De raadsman van [eiser]heeft [lid Raad van Commissarissen] bij e-mail van 14 oktober 2009 – kort gezegd – verzocht te berichten of het “vrijgesteld van werkzaamheden” moet worden opgevat als een schorsing of als een bijzonder verlof met behoud van salaris.

2.6. Op 15 en 16 oktober 2009 is [eiser]ten kantore van Amtrada aanwezig geweest.

2.7. Bij e-mail van 16 oktober 2009 (om 9.45 uur) is [eiser]door de Raad van Commissarissen uitgenodigd om aanwezig te zijn bij een vergadering diezelfde dag om 15.00 uur. In de e-mail is opgenomen dat de Raad van Commissarissen voornemens is [eiser]te schorsen. [eiser ]is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op dit voornemen, eventueel vergezeld door zijn advocaat. [eiser] en zijn advocaat zijn aanwezig geweest bij de vergadering.

2.8. Bij brief van 19 oktober 2009 heeft de Raad van Commissarissen [eiser] bevestigd dat hij op 16 oktober 2009 met onmiddellijke ingang is geschorst, met behoud van salaris, voor de periode tot de buitengewone vergadering van aandeelhouders van 5 november 2009. In de brief worden een viertal redenen opgesomd die aan de schorsing ten grondslag liggen. Verder is in de brief opgenomen dat dezelfde redenen mede ten grondslag liggen aan het voorstel van de Raad van Commissarissen om [eiser]als statutair directeur en werknemer van Amtrada te ontslaan. De vier genoemde redenen kunnen als volgt worden samengevat:

(1) een moeizame samenwerking tussen de directie en Raad van Commissarissen die onlangs door toedoen van de directie is geëscaleerd;

(2) de brief van 25 september 2009 (zie 2.3) is om meerdere redenen onacceptabel en bevestigt dat er thans een onwerkbare situatie is ontstaan;

(3) het aandringen op ontslag van [R] geeft blijk van het zich niet willen conformeren aan besluiten van de AVA;

(4) de toonzetting van de brief van 25 september 2009 is onacceptabel en geeft blijk van wantrouwen jegens de Raad van Commissarissen, de aandeelhouders en [R].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – kort gezegd – het volgende:

(1) Amtrada op straffe van een dwangsom te veroordelen om [eiser]op de kortst mogelijke termijn in de gelegenheid te stellen zijn functie op de gebruikelijke wijze uit te voeren, met inachtneming van al zijn taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden;

(2) Amtrada op straffe van een dwangsom te veroordelen om aan alle betrokkenen bij de onderneming van Amtrada schriftelijk kenbaar te maken (i) dat Amtrada ten onrechte kenbaar heeft gemaakt dat [eiser]niet meer op het werk zou verschijnen; (ii) dat [eiser]nog immer werkzaam is als financial director; (iii) dat Amtrada [eiser]zonder enige beperking zal toelaten tot zijn functie;

(3) met veroordeling van Amtrada in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser]heeft hiertoe – samengevat weergegeven – gesteld dat hij een uitstekende staat van dienst heeft. Onder zijn leiding en die van [H] zijn steeds positieve resultaten behaald. Na de benoeming van [R] voelden zij zich direct op een zijspoor gezet. [R] was niet bereid om op normale wijze met [eiser]en [H] samen te werken. Met de nodige verbazing heeft [eiser]kennis genomen van de brief van 13 oktober 2009 (zie 2.4). [eiser] kon zich niet vinden in de “vrijstelling van werkzaamheden” en is 15 en 16 oktober 2009 op zijn werk verschenen. Toen [eiser] op 16 oktober 2009 werd geschorst, was hij in het geheel niet op de hoogte van de redenen die hieraan ten grondslag lagen. Bij Amtrada is sprake van onzorgvuldig werkgeverschap en van willekeur. Amtrada handelt hierdoor in strijd met de artikelen 7:611 BW (‘goed werkgeverschap’) en 2:8 en 2:15 BW (‘redelijkheid en billijkheid’). De redenen die in de brief van 19 oktober 2009 (zie 2.8) zijn opgenomen kunnen de schorsing niet dragen. Een beoogd ontslag is geen reden voor schorsing. Een schorsing is alleen geoorloofd in geval van een acuut onhoudbare situatie. Hiervan is geen sprake. De aanwezigheid van [eiser] op 15 en 16 oktober 2009 heeft niet tot enige onrust geleid. De brief van 25 september 2009 kan geen reden vormen voor een schorsing omdat die brief aanvankelijk, op 13 oktober 2009, heeft geleid tot een vrijstelling van werkzaamheden. Niet valt in te zien waarom diezelfde brief plotsklaps een reden voor schorsing kan vormen. Tussen 13 en 16 oktober 2009 zijn geen nieuwe redenen ontstaan om [eiser] te schorsen. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij wedertewerkstelling; dit vloeit voort uit de aard van zijn vordering. Omdat hij op diffamerende wijze aan de kant is geschoven, heeft hij eveneens een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering tot rectificatie.

3.3. Amtrada heeft tegen de vorderingen verweer gevoerd. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De gevorderde wedertewerkstelling (onderdeel 1 van het petitum)

4.1. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen in het vonnis dat op 30 oktober 2009 mondeling is gewezen. De voorzieningenrechter heeft hierover het volgende geoordeeld. Amtrada heeft aangevoerd dat de schorsing in duur is beperkt tot 5 november 2009. Op die dag vindt de buitengewone vergadering van aandeelhouders plaats waarop het ontslag van [eiser] is geagendeerd. Mocht die vergadering niet overgaan tot het besluit [eiser] te ontslaan, dan zal de schorsing worden opgeheven en zal [eiser] zijn werkzaamheden wederom op de gebruikelijke wijze kunnen verrichten, aldus Amtrada. Dit betekent dat de vordering tot wedertewerkstelling slechts ziet op drie werkdagen, te weten 2, 3 en 4 november 2009. Het belang van [eiser]om voor drie dagen weer aan het werk te kunnen, weegt niet op tegen het belang dat Amtrada heeft bij het handhaven van de schorsing. Reeds om deze reden is de vordering afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in zijn mondelinge vonnis kenbaar gemaakt dat de nadere motivering voor het afwijzen van de vordering op 12 november 2009 zal volgen. Het onderstaande vormt die nadere motivering.

4.2. [eiser]heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zijn belang er niet alleen in is gelegen om voor drie dagen weer aan het werk te kunnen, maar dat een voor hem positieve beslissing van de voorzieningenrechter hem zal steunen tijdens de buitengewone vergadering van aandeelhouders op 5 november 2009. [eiser] gaat hiermee voorbij aan artikel 2:257 BW waarin – kort gezegd – is bepaald dat een Raad van Commissarissen te allen tijde bevoegd is een bestuurder te schorsen. Voorshands is niet gebleken dat het besluit van de Raad van Commissarissen lichtvaardig is genomen. Evenmin is gebleken dat het besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW omdat het strijdig zou zijn met de redelijkheid en billijkheid als bepaald in artikel 2:8 BW. In dit kader is van belang dat [eiser] op 16 oktober 2009 in het bijzijn van zijn advocaat zijn zienswijze heeft kunnen geven op het voornemen hem te schorsen. Amtrada heeft verder voldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om voorshands te kunnen oordelen dat sprake was van een acuut onhoudbare situatie. Amtrada heeft allereerst gewezen op een brief van [eiser] van 30 juni 2008 (productie 2 van Amtrada) aan de Raad van Commissarissen waarin is opgenomen dat bij hem “ongenoegens” aanwezig waren over het handelen van de aandeelhouders. Mede gezien de kritische uitlatingen van [eiser], heeft het idee postgevat een derde bestuurder te benoemen, aldus Amtrada. Twee dagen voordat deze benoeming zou plaatsvinden, heeft [eiser]de aandeelhouders schriftelijk geadviseerd tegen deze benoeming te stemmen, hetgeen “hoogst opmerkelijk” mag worden genoemd, aldus Amtrada. Na de benoeming van [R] hebben [eiser]en [H] (bij e-mail van 31 augustus 2009) aan twee leden van de Raad van Commissarissen te kennen gegeven dat geen geldig benoemingsbesluit was genomen, op grond van een volgens Amtrada “onbenullige en formalistische” redenering. Vervolgens hebben [eiser]en [H] de grootaandeelhouders bij brief van 25 september 2009 bericht dat de relatie tussen de directie en de Raad van Commissarissen verstoord is, dat de samenwerking met [R] onmogelijk is, dat het contract met [R] moet worden opgezegd en dat de relatie tussen de directie en bepaalde aandeelhouders de continuïteit van de onderneming ondermijnt. Op grond hiervan kan worden geoordeeld dat er sprake is van een ernstige vertrouwenscrisis binnen Amtrada, die een schorsing van [eiser] rechtvaardigt. In het kader van dit kort geding kan weliswaar niet worden vastgesteld of het handelen van [eiser] de oorzaak is van deze crisis, maar dat er sprake was van een onhoudbare situatie waarin op korte termijn moest worden ingegrepen, staat wel vast.

4.3. Verder is van belang dat de brief van [eiser]en [H] van 25 september 2009 niet is gericht aan de Raad van Commissarissen maar aan de grootaandeelhouders. Niet onaannemelijk is derhalve dat de Raad van Commissarissen niet meteen (volgens Amtrada pas op 8 oktober 2009) kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van deze brief. Na kennisneming van de brief is [eiser] aanvankelijk (op 13 oktober 2009) vrijgesteld van werkzaamheden. Toen hij vervolgens toch op het werk verscheen heeft hij de Raad van Commissarissen voor een voldongen feit geplaatst, waardoor schorsing onvermijdelijk werd. In die zin hebben zich kort voor 16 oktober 2009 nog feiten voorgedaan die de schorsing kunnen rechtvaardigen.

De gevorderde rectificatie (onderdeel 2 van het petitum)

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de gevorderde rectificatie evenmin toewijsbaar is. Amtrada heeft niet ten onrechte kenbaar gemaakt dat [eiser]niet meer op het werk zal verschijnen. Amtrada is – gezien hetgeen hiervoor is overwogen – niet gehouden kenbaar te maken dat [eiser]nog als financial director werkzaam is en dat hij zonder enige beperking zal worden toegelaten tot zijn werkzaamheden.

Proceskosten (onderdeel 3 van het petitum)

4.5. [eiser]zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Amtrada worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser]in de proceskosten, aan de zijde van Amtrada tot op heden begroot op EUR 1.078,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2009 en op 12 november 2009.?