Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK9754

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
AWB 09-1280 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke strafontslag ambtenaar DWI. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/1280 AW

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: R.C.D. van der Linde.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2008 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Amsterdam (ARA). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 10 september 2009.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is sinds 2004 werkzaam als re-integratieconsulent in dienst van Werkbedrijf de Herstelling binnen het team Herstelling uitvoering I (hierna: de Herstelling). De Herstelling is in 2006 opgegaan in de Dienst Werk en Inkomen (hierna ook: DWI).

2.2. Naar aanleiding van twijfels over de correctheid van de door eiser als gewerkte dagen opgegeven dagen rond kerst en oud- en nieuw, heeft verweerder een uitdraai gemaakt van gegevens opgeslagen in de zogenaamde “blackbox” uit de dienstauto die eiser ter beschikking was gesteld. Naar aanleiding van deze uitdraai heeft de Interne Accountants Dienst, onderdeel van het Bureau Integriteit DWI (hierna: Bureau Integriteit DWI), een integriteitsonderzoek verricht en de bevindingen neergelegd in de rapportage van 27 mei 2007. Aan het onvoorwaardelijk strafontslag (primair) heeft verweerder vier gedragingen ten grondslag gelegd, te weten dat eiser:

(a) niet de waarheid heeft gesproken over verlofdagen;

(b) bewust een grote hoeveelheid privé-ritten als zakelijke ritten heeft geregistreerd;

(c) zonder overleg met zijn leidinggevende de grens van 500 privékilometers heeft overschreden en:

(d) eenmaal privé heeft getankt op kosten van verweerder.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat genoemde gedragingen tezamen zeer ernstig plichtsverzuim opleveren, hetgeen voldoende reden is om de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Eisers bezwaren zijn dan ook ongegrond verklaard onder handhaving van het primaire besluit.

2.4. Ingevolge artikel 204 van het ARA dient de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op te volgen en in het algemeen alles te doen of na te laten dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.5. Ingevolge artikel 1001 van het ARA kunnen burgemeester en wethouders de ambtenaar straffen, indien hij in strijd met het bepaalde in artikel 204 handelt of nalaat te handelen en zich deswege schuldig maakt aan plichtsverzuim.

2.6. Ingevolge artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARA is ontslag één van de straffen die de ambtenaar opgelegd kan krijgen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel - voor zover van belang - kan het ontslag ingaan op de dag volgende op die, waarop de grond voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

2.7. Eiser heeft betwist dat hij de onder 2.2. genoemde gedragingen heeft gepleegd dan wel bewust heeft gepleegd. Eiser heeft gesteld dat hij door verweerder niet op de hoogte is gesteld van de eventuele consequenties van zijn handelen. De Herstelling heeft een status aparte. De gedragingen zijn niet als ernstig plichtsverzuim aan te merken. De opgelegde straf is gelet op de aard van de gedragingen, de omstandigheden en het functioneren van eiser onevenredig, aldus eiser.

2.8. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of genoemde gedragingen ernstig plichtsverzuim opleveren en vervolgens voor de vraag of de straf van onvoorwaardelijk strafontslag hieraan evenredig is.

a. Niet de waarheid spreken over verlofdagen

2.9. Eiser betwist dat hij bewust heeft getracht niet gewerkte uren als werktijd geregistreerd te krijgen. Bovendien betwist eiser dat hij op 4 januari 2008 aan [persoon 1], werkzaam op het secretariaat van de Herstelling (hierna: [persoon 1]), heeft verklaard dat hij op 27 en 31 december 2007 heeft gewerkt. Het was voor eiser niet duidelijk of de periode tussen kerst en oud en nieuw algemeen verlof was of niet. De verlofregeling was op dit punt onduidelijk en de foutieve verlofregistratie berustte op een misverstand, aldus eiser.

2.10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de rapportage van 27 mei 2007 naar voren komt dat eiser aan [persoon 1] heeft meegedeeld dat hij op 27 en 31 december 2007 heeft gewerkt. Eiser heeft verder aan Bureau Integriteit toegegeven op 27 en

31 december 2007 niet te hebben gewerkt. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de melding van [persoon 1], nu zij geen enkel belang had bij het vertellen van een onwaarheid, of aan de weergave van de mededeling van [persoon 1] in de rapportage. De verlofregeling tussen kerst en oud en nieuw was voor een ieder duidelijk, aldus verweerder.

2.11. De rechtbank leidt uit de verlofkaart over 2007, opgenomen als bijlage bij de rapportage van 27 mei 2007, af dat eiser geen verlof heeft gevraagd voor de periode van

25 december 2007 tot 1 januari 2008. Verder blijkt uit deze rapportage en het gespreksverslag van 10 april 2008 dat eiser heeft toegegeven dat hij op 27 december 2007 en 31 december 2007 niet heeft gewerkt. Daarnaast heeft hij toegegeven dat hij vrij had moeten vragen, maar dat dat niet is gebeurd.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bovenstaande dat eiser bewust heeft getracht 27 december 2007 en 31 december 2007 als gewerkte dagen te laten registreren, terwijl hij die dagen niet heeft gewerkt. Niet alleen heeft eiser zelf toegegeven dat hij

27 december 2007 en 31 december 2007 niet heeft gewerkt, maar ook dat hij voor deze dagen verlof had moeten vragen.

2.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn verklaring, dat de verlofregeling tussen kerst en oud en nieuw onduidelijk was en dat er daarom sprake is van een ‘misverstand’, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht het daarbij van belang dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat de verlofregeling ruim van tevoren kenbaar is gemaakt via intranet, zodat eiser redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de verlofdagen rond de kerstdagen en oud en nieuw.

b. Bewust een grote hoeveelheid privé-ritten als zakelijke ritten geregistreerd

2.14. Eiser heeft betwist dat hij bewust zijn privéritten als zakelijk heeft geregistreerd. Eiser heeft aangevoerd dat de Herstelling een status aparte heeft. Er heerste een cultuur waarbij er op een andere wijze dan werd verondersteld, gebruik werd gemaakt van bedrijfsmiddelen. Eiser was niet bekend met de regels en heeft geen schriftelijke uiteenzetting hierover van verweerder ontvangen. Er bestond dan ook onduidelijkheid over de regels met betrekking tot het gebruik van de dienstauto en aanverwante zaken. Eiser is niets uitgelegd en hij heeft nooit iets ondertekend, aldus eiser.

2.15. Verweerder heeft naar voren gebracht, dat uit de uitdraai van de “blackbox” (hierna: de rittenstaten) afdoende naar voren komt dat eiser bewust privé-ritten als zakelijke ritten heeft geregistreerd. De combinatie van het identificatienummer van eiser en de aanduiding van het voertuig op de rittenstaten bieden voldoende zekerheid om de gegevens op de rittenstaten als vaststaande feiten aan te nemen. Gelet op het feit dat de foutieve boekingen zeer veelvuldig voorkwamen, de relatieve eenvoud van de bediening van het “blackbox-systeem” en gelet op het patroon van de foutieve boekingen, is het onwaarschijnlijk dat er slechts sprake was van een slordigheid of nonchalance. De regels over het gebruik van de dienstauto zijn bekendgemaakt aan alle medewerkers. Er heerste geen cultuur waarbij het meer voorkwam dat er op een andere wijze dan verondersteld gebruik werd gemaakt van de bedrijfsmiddelen, aldus verweerder.

2.16. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verweerder met de rittenstaten voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bediening van de blackbox niet zo ingewikkeld was dat eiser per abuis veelvuldig privéritten als zakelijk heeft kunnen invoeren. Voorts biedt de combinatie van het identificatienummer van eiser en de aanduiding van het voertuig op de rittenstaten voldoende zekerheid dat het hier gaat om ritten van eiser. De rittenstaten vermelden immers steeds de naam van eiser en het kenteken van de aan hem ter beschikking gestelde auto. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn stelling dat uit de rittenstaten niet kan worden afgeleid dat hij de ritten heeft gemaakt, onvoldoende heeft onderbouwd.

2.17. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt verder uit de rittenstaten dat eiser veelvuldig op zaterdagen en zondagen privé ritten als zakelijke ritten heeft geregistreerd. Tevens blijkt uit de rittenstaten dat eiser ook veelvuldig ‘s avonds en ‘s nachts privé ritten als zakelijk heeft geregistreerd. Daarnaast komt uit de rapportage van 27 mei 2007 naar voren dat eiser op 21 september 2007, 19 oktober 2007, 16 november 2007, 30 november 2007,

14 december 2007 en 28 december 2007 een verlofdag had terwijl hij op die dagen gereden kilometers heeft geregistreerd als ‘zakelijk’. Eiser heeft dit niet ontkend. Bovendien heeft eiser op 10 april 2008 toegegeven dat hij op 3 december 2007 naar Duistland is gereden voor privé-doeleinden en de 574 kilometer als ‘zakelijk’ heeft geregistreerd. Daarnaast heeft eiser niet weersproken dat hij ziek is geweest in de periode van 11 februari tot 19 februari 2007, terwijl uit de rittenstaten blijkt dat hij in die periode 661 privé kilometers als zakelijke kilometers heeft geregistreerd. Daar staat tegenover dat uit de rittenstaten naar voren komt dat eiser nauwelijks zakelijke ritten als privé heeft geregistreerd.

2.18. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bovenstaande dat eiser bewust privé ritten als zakelijke ritten heeft geregistreerd. Gelet op de (onbetwiste) relatieve eenvoud van het gebruik van het “black-box systeem” en gelet op de veelvuldigheid van de foutief geregistreerde ritten, de tijdstippen waarop de ritten zijn geregistreerd - zowel tijdens ziekte, verlofdagen, weekenddagen als ’s avonds en ’s nachts - acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat de foutief geregistreerde ritten voortkomen uit gemakzucht of nonchalance dan wel op vergissingen van eiser berusten. Daarnaast leidt de rechtbank uit het patroon van de foutieve boekingen af dat het niet aannemelijk is dat eiser onbewust foutieve boekingen heeft geregistreerd. Immers, de boekingen zijn uitsluitend geschied ten voordele van eiser nu hij privé ritten als zakelijk heeft geregistreerd maar niet of nauwelijks andersom. Dat eiser toestemming heeft gekregen voor de rit naar Duitsland is niet gebleken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook al zou hij toestemming hebben gekregen, dat dan niet betekent dat hij die rit als zakelijk mocht registreren.

2.19. Naar het oordeel van de rechtbank wist eiser dan wel had het voor hem kenbaar behoren te zijn dat hij ernstig plichtsverzuim zou plegen indien hij privéritten als zakelijke ritten zou registreren. Immers, uit de “handleiding voor het gebruik van de bedrijfswagens” komt naar voren dat het de persoonlijke verantwoordelijkheid van de bestuurder is om privékilometers als zodanig te registreren. Tevens blijkt uit bladzijde 116 van het “HRM Handboek 2006” dat bedrijfsmiddelen niet voor privédoeleinden worden gebruikt tenzij dit expliciet door de werkgever is toegestaan. Tenslotte komt uit dit handboek naar voren dat indien eiser de in het handboek gestelde regels zou schenden, aan hem ontslag kan worden verleend. Gelet hierop kan de beroepsgrond van eiser, dat hij niet bekend was met de regels, niet slagen.

2.20. Verweerder heeft bij brief van 28 juli 2008 een uitdraai van rittenstaten overgelegd van medewerkers van de DWI die in een met eiser vergelijkbare situatie verkeerden. Blijkens deze rittenstaten hebben deze medewerkers incidenteel in het weekend gereden. Het totaal komt echter ver onder de 500 kilometer per jaar uit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee afdoende aangetoond dat van een ‘status aparte’ of een ‘cultuur’ waarbij het meer voorkwam dat er op een andere wijze dan verondersteld gebruik gemaakt werd van bedrijfsmiddelen geen sprake was. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn standpunt, dat er een specifieke cultuur heerste, onvoldoende heeft onderbouwd.

c. Zonder overleg met de leidinggevende de grens van 500 privékilometers overschreden

2.21. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit hetgeen onder r.o. 2.16 tot en met 2.20 is overwogen dat vaststaat dat eiser de grens van 500 privékilometers ruim heeft overschreden. Daarnaast is niet betwist door eiser dat hij geen toestemming had van zijn leidinggevende om de 500 kilometer grens te overschrijden. Tenslotte heeft eiser op 10 april 2008 verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat hij maximaal 500 kilometers privé mocht rijden.

d. Eénmaal privé tanken op kosten van verweerder

2.22. Niet betwist is dat eiser op 12 oktober 2007 een tank diesel voor zijn privé-auto heeft afgerekend met de tankpas van DWI. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn eigen auto voor of op 12 oktober 2007 voor de dienst heeft moeten gebruiken. Uit de rittenstaten blijkt niet dat de dienstauto voor of op 12 oktober 2007 voor een reparatie buiten gebruik zou zijn geweest. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser zichzelf heeft bevoordeeld.

II. Ernstig plichtsverzuim

2.23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de gedragingen van eiser als genoemd onder a. tot en met d. in onderlinge samenhang bezien ernstig plichtsverzuim opleveren. Van een functionaris, die de verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van een leaseauto en een tankpas, verlangt verweerder terecht volledige integriteit bij het omgaan daarmee. Door misbruik te maken van deze leaseauto en de bijbehorende tankpas is appellant ernstig tekortgeschoten in integer handelen. Dit geldt ook voor het bewust laten registreren van twee verlofdagen als gewerkte dagen. Een dergelijke frauduleuze handeling had eiser behoren na te laten. Eiser heeft niet gehandeld zoals van een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Op grond van zijn functie had eiser dit kunnen en moeten beseffen.

Gesteld noch gebleken is dat het plichtsverzuim hem niet is toe te rekenen. Verweerder was dan ook bevoegd om verzoeker een disciplinaire straf op te leggen.

III. Straf van onvoorwaardelijk strafontslag

2.24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op eisers functie, werkzaamheden en kennis, hoge eisen aan eisers integriteit mocht stellen. Eiser heeft niet aan die eisen voldaan. Hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd, zoals zijn uitstekende staat van dienst en de goede beoordelingen die hij in het verleden heeft gekregen, wegen niet op tegen de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Conclusie

2.25. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, voorzitter, en mrs. Y.A.A.G. de Vries en R.B. Kleiss, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. F. Nales en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B