Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK9750

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
AWB 09-164 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Waarnemingen ter plaatse. De algemene werkwijze is niet onzorgvuldig. Schending van de inlichtingenplicht. De aanvraag is terecht afgewezen. Eiser heeft geen openheid van zaken gegeven over de omvang van zijn werkzaamheden en verdiensten. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/164 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.R. Wever,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Bensoussan.

1. Procesverloop

Bij primair besluit van 16 september 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2009.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het recht op

bijstand niet is vast te stellen omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit onderzoeken is gebleken dat eiser drie keer werkend is aangetroffen, terwijl hij deze werkzaamheden niet aan verweerder heeft opgegeven.

2.2. In artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat iedere

Nederlander die hier ten lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

2.3. In artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het

college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.4. Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) is schending van de inlichtingenplicht in samenhang bezien met voornoemd artikel 11, eerste lid, van de WWB, een rechtsgrond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

2.5. In geschil is de vraag of verweerder de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen

op de grond dat het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht niet is vast te stellen.

2.6. Blijkens de stukken heeft eiser op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde

tijd van 1 augustus 2008 tot 1 november 2008 gewerkt bij Febo [adres] te [woonplaats]. Eiser heeft op het formulier “registratie werkzaamheden” van 3 september 2008 opgegeven dat hij onder meer op de volgende dagen heeft gewerkt:

- Op 25 augustus 2008 van 11.00 uur tot 13.00 uur

- Op 26 augustus 2008 van 15.00 uur tot 17.30 uur

- Op 30 augustus 2008 van 15.00 uur tot 17.30 uur

- Op 1 september 2008 van 11.00 uur tot 13.00 uur

- Op 3 september 2008 2 uren

- Op 4 september 2008 van 13.00 uur tot 15.00 uur

- Op 6 september 2008 van 18.00 uur tot 21.00 uur

- Op 10 september 2008 van 11.00 uur tot 14.00 uur

- Op 11 september 2008 tot 15.00 uur tot 18.00 uur

2.7. Een handhavingspecialist van DWI heeft waarnemingen verricht nabij genoemde Febo-vestiging. De handhavingsmedewerker heeft vanuit een plek tegenover en nabij de vestiging waargenomen dat eiser, die hij herkende van de gesprekken op kantoor, op de hierna genoemde data en uren in een groene blouse en donkerrode short in bedoelde Febo-vestiging aan het werk was. Op 29 augustus 2008 van 16.10 uur tot 16.15 uur en op 1 september om 15.50 heeft hij waargenomen dat eiser klanten aan het bedienen was. Op 8 september 2008 van 16.04 uur tot 16.08 uur heeft hij waargenomen dat eiser in de Febo-vestiging schoonmaakwerkzaamheden verrichtte. Van deze dagen en tijdstippen heeft eiser geen melding gemaakt op het formulier ‘registratie werkzaamheden’. Deze waarnemingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 16 september 2008.

2.8. Eiser heeft in beroep gesteld dat de waarnemingen van de handhavingspecialist

onbetrouwbaar zijn en om die reden terzijde moeten worden geschoven. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de waarnemingen door de handhavingspecialist vanaf de openbare weg hebben plaatsgevonden en dat het de algemene werkwijze is om zich zó op te stellen dat een handhavingspecialist zelf goed zicht heeft op het onderwerp van onderzoek zonder dat hij zelf voor anderen goed zichtbaar is. Deze werkwijze acht de rechtbank niet onzorgvuldig, terwijl de rechtbank geen reden heeft om aan te nemen dat de betreffende handhavingsmedewerker geen goed zicht had op hetgeen zich binnen de Febo-vestiging afspeelde. Deze heeft voorts toegelicht dat hij de persoon van eiser herkende van de gesprekken op kantoor. Gelet hierop hoefde de handhavingspecialist, anders dan eiser stelt, dan ook niet te vermelden aan welke uiterlijke kenmerken hij eiser heeft herkend dan wel te verifiëren of het daadwerkelijk eiser was.

2.9. De handhavingspecialist heeft waargenomen dat eiser op 29 augustus 2008 van

16.10 uur tot 16.15 uur, op 1 september 2008 om 15.50 uur en op 8 september 2008 van 16.04 uur tot 16.08 uur in de Febo aan het werk was. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB mag in beginsel van de juistheid van de waarnemingen van een handhavingspecialist worden uitgegaan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid ervan te twijfelen. Hierbij is van belang dat de enkele betwisting van eiser dat hij niet in de zaak aanwezig was op de waargenomen data en tijden, onvoldoende is voor een weerlegging van hetgeen de handhavingspecialist feitelijk heeft waargenomen. Eisers verklaring dat hij altijd een lange donkere broek droeg en niet, zoals in het rapport is opgenomen, een rode short, maakt dit niet anders. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde toegelicht dat een en ander op een kennelijke verschrijving berust en dat met “short” is bedoeld “schort”. De rechtbank acht dit niet onaannemelijk. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het rapport van bevindingen ten grondslag mocht leggen aan het bestreden besluit.

2.10. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat DWI zijn werkgever nader had moeten horen omtrent de tijdstippen waarop eiser heeft gewerkt nu de werkgever het door eiser ingevulde formulier ‘registratie werkzaamheden’ voor akkoord heeft ondertekend. De rechtbank acht dit echter niet doorslaggevend. Immers, een nadere toelichting van de zijde van de werkgever kan niet afdoen aan hetgeen de handhavingsmedewerker feitelijk heeft waargenomen.

2.11. Nu eiser feitelijk op andere dagen en tijden heeft gewerkt dan hij op het formulier “registratie werkzaamheden” heeft vermeld, is de rechtbank van oordeel dat hij hiermee de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Nu eiser geen openheid van zaken heeft gegeven over de omvang van zijn werkzaamheden en verdiensten, is het recht op bijstand niet vast te stellen. Verweerder heeft de aanvraag om bijstand daarom terecht op deze grond afgewezen.

2.12. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

2.13. Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Panday, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

9 december 2009.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB

.

.