Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK9190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
13.497.275-2009 RK nummer: 09/3280
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Lopende strafvervolging? De rechtbank onderzoekt zelfstandig of sprake is van een lopende strafvervolging a.b.i. in art. 9 lid 1 onder a OLW en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de OvJ. Uitsluitend ter uitvoering van een rechtshulpverzoek verrichte handelingen leveren geen daden van strafvervolging op. Onrechtmatige opsporing in Nederland? Het is aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat over de (on)rechtmatigheid en (on)toelaatbaarheid van het bewijs te beslissen; er is geen sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Schending Nederlandse soevereiniteit? Alleen staten kunnen zich op zo’n schending beroepen en - in beginsel - niet de o.p.."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.275-2009

RK nummer: 09/3280

Datum uitspraak: 11 september 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juni 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

23 april 2009 door de officier van justitie van de Staatsanwaltschaft Hamburg (Bondsrepubliek Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1961,

wonende op het adres [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, gehoord. Bij tussenuitspraak van 24 juli 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst.

Op de zitting van 28 augustus 2009 heeft de rechtbank, met instemming van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond. Op deze zitting zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel, uitgevaardigd door het Amtsgericht Hamburg, van

17 april 2009 met dossiernummer 164 Gs 563/07, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Feit 2 is toegelicht bij faxbericht van 9 juli 2009. Van onderdeel e) en van het faxbericht zijn door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 10 juli 2009 verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft twee feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Daarnaast heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in rubriek e) onder II een feit aangeduid waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid wel geldt. Onder II is evenwel alleen de tekst van de toepasselijke Duitse wetsbepaling opgenomen, te weten § 30 Strafgesetzbuch (Versuch der Beteiligung; poging tot betrokkenheid).

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten gekwalificeerd als “ongeoorloofde handel met verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid in twee gevallen, daarvan in één geval in eendaadse samenloop met het afspreken van ongeoorloofde import van verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid”. In het licht van die kwalificatie en van de vermelding dat het EAB op twee feiten betrekking heeft, verstaat de rechtbank het EAB zo dat feit 2 naar Duits recht in twee strafbepalingen valt, waarvan de ene een zogenaamd lijstfeit oplevert en de andere niet. Nu rubriek e) onder II alleen een andere kwalificatie betreft van het als lijstfeit aangeduide feit 2, is geen sprake van een afzonderlijk feit waarvan de rechtbank de dubbele gekwalificeerde strafbaarheid moet vaststellen.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Justizbehörde van de Freie und Hansestadt Hamburg heeft bij schrijven van 24 juni 2009 de volgende garantie gegeven:

Betrifft: Auslieferung des Niederländischen Staatsangehörigen [opgeëiste persoon] (de rechtbank leest: [opgeëiste persoon], geboren am [geboortedatum]

Zu Punkt 2 des vorbezeichneten Schreibens wird hiermit ausdrücklich zugesichert,

dass

- der oben genannte im Falle der Verhängung einer rechtskräftigen Freiheitsstrafe oder

sonstigen Sanktion auf seinen Wunsch zur Vollstreckung derselben in die

Niederlande zurück überstellt wird;

- das Umwandlungsverfahren gemäß Artikel 11 des Übereinkommens über die

Überstellung verurteilter Personen vom 21.03.1983 zur Anwendung kommen kann.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4.1 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de

Opiumwet gegeven verbod

2. medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet

voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Weigeringgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Uit de stukken blijkt dat een deel van de feiten waarvoor de uitvaardigende justitiële autoriteit de opgeëiste persoon wil vervolgen in Nederland is gepleegd. In een dergelijk geval verbiedt artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering.

Op grond van artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie echter gevorderd dat wordt afgezien van bedoelde weigeringgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het gaat niet om feiten die in Nederland niet strafbaar zijn en/of niet vervolgd plegen te

worden;

- de vervolging is in Duitsland aangevangen en er is sprake van mededaders die reeds zijn aangehouden;

- de bewijsmiddelen zijn in Duitsland voorhanden;

- de rechtsorde in Duitsland is rechtstreeks aangetast, nu de verdovende middelen bestemd waren voor de Duitse markt;

Het voorgaande brengt mee dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de voorkeur geniet boven eventuele vervolging in Nederland, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft op de zitting van 10 juli 2009 aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van feit 1 niet in redelijkheid deze vordering heeft kunnen doen. Dit feit heeft geheel op Nederlands grondgebied plaatsgevonden, zodat niet valt in te zien welk belang Duitsland zou hebben bij een vervolging voor dit feit. Niet blijkt dat medeverdachten in Duitsland verblijven of dat het bewijsmateriaal zich in Duitsland bevindt. Van een aantasting van de Duitse rechtsorde is geen sprake nu de cocaïne het Duitse grondgebied niet heeft bereikt, terwijl ook niet blijkt dat Duitsland de bestemming van de cocaïne was. Over blijft dus alleen de omstandigheid dat in Duitsland een opsporingsonderzoek gaande is. Op de zitting van 28 augustus 2009 heeft hij daaraan toegevoegd dat uit de brief van de officier van justitie van 21 augustus 2009 blijkt dat het opsporingsonderzoek zich volledig in Nederland heeft afgespeeld. De officier van justitie baseert haar vordering onder meer op de omstandigheid dat het bewijs zich in Duitsland bevindt. Dat bewijs bevindt zich daar, omdat Nederland het – als het ware – heeft geproduceerd en vervolgens geëxporteerd. Zonder Nederlandse medewerking zou Duitsland de opgeëiste persoon niet kunnen berechten. Ook ten aanzien van feit 2, een feit dat overduidelijk mede op Nederlands grondgebied is begaan, brengt een goede rechtsbedeling mee dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd. Van aantasting van de Duitse rechtsorde is geen sprake, nu het transport het Duitse grondgebied nooit heeft bereikt en niet blijkt dat de heroïne bestemd was voor de Duitse markt. Bovendien zijn de in Duitsland betrokken personen aangestuurd door politie en justitie in Duitsland, zodat ook in die zin niet gesproken kan worden van een aantasting van de Duitse rechtorde. Ten slotte bestaat de mogelijkheid dat de betrokkenen door toedoen van de Duitse justitie uitgelokt zijn tot het plegen van dit feit en bestaat de mogelijkheid dat de Nederlandse en Duitse politie- en justitiediensten hebben samengewerkt in het kader van het opsporingsonderzoek, hetgeen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2006, NJ 2007, 488 van belang is voor de beoordeling van de vordering.

De officier van justitie heeft daartegen ingebracht dat de regie en de start van het onderzoek geheel in Duitsland liggen en dat Nederland enkel een bijdrage heeft geleverd op grond van de Duitse rechtshulpverzoeken. Dat levert geen verplichting op om het onderzoek dan wel de vervolging over te nemen. Er is geen sprake geweest van een Joint-Investigation-team of van samenwerking anders dan ter uitvoering van de verzoeken. Een deel van de feiten heeft raakvlakken met Duitsland zodat in redelijkheid een vordering op grond van artikel 13, tweede lid, OLW kan worden gedaan. Het is niet juist dat Nederland al het bewijsmateriaal tegen de opgeëiste persoon heeft verschaft. Ook zijn in Duitsland medeverdachten aangehouden en bovendien zijn andere medeverdachten door andere lidstaten aan Duitsland overgeleverd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie, gelet op de door haar aangevoerde argumenten, in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen.

Aan op verdragen gebaseerde rechtshulpverzoeken - waarvan in de onderhavige zaak gezien de verzochte handelingen zaak sprake moet zijn geweest - moet Nederland zoveel mogelijk gevolg geven. Bij afwezigheid van gronden tot weigering is Nederland dus gehouden de verzochte rechtshulp te verlenen. Dat Nederland medewerking heeft verleend aan de bewijsgaring doet daarom niet af aan de omstandigheid dat het aldus vergaarde bewijsmateriaal zich inmiddels in Duitsland bevindt. Anders dan de raadsman meent, staat bovendien geenszins vast dat het ingevolge de inwilliging van de Duitse rechtshulpverzoeken aan de Duitse autoriteiten verschafte bewijsmateriaal het enige voor de opgeëiste persoon belastende bewijs oplevert. De rechtbank wijst in er in dit verband op dat de Verdeckte Ermittler, de Vertrauensperson en enige medeverdachten zich ook in Duitsland bevinden.

Aan de vordering van de officier van justitie ligt kennelijk - mede - de gedachte ten grondslag dat het vanuit het oogpunt van de goede rechtsbedeling niet aangewezen is, de vervolging van feit 1 in Nederland te laten plaatsvinden en de vervolging voor feit 2 in Duitsland. In aanmerking genomen dat het gaat om soortgelijke strafbare feiten die deels in hetzelfde tijdvak zouden zijn begaan door - vrijwel - dezelfde groep van betrokkenen, acht de rechtbank de rechtbank dit uitgangspunt niet onredelijk. De omstandigheden dat feit 1 – ondanks de vermelding van de pleegplaats Hamburg -, afgaande op de omschrijving geheel op Nederlands grondgebied is begaan en dat van een Duitse bestemming van de cocaïne niet is gebleken, leiden dan ook niet tot het oordeel dat de vordering onredelijk is.

Anders dan de raadsman meent, heeft de officier van justitie zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat feit 2 de Duitse rechtsorde heeft aangetast, nu sprake is van een voorgenomen invoer in Hamburg van 600 kilogram van een heroïnemengsel, ter voorbereiding waarvan de betrokkenen bovendien handelingen op Duits grondgebied zouden hebben verricht. De omstandigheid dat niet vaststaat of deze verdovende middelen

– uitsluitend – voor de Duitse markt bestemd waren, doet daaraan dan ook niet af.

De rechtbank ziet daarom af van toepassing van de weigeringgrond van artikel 13 van de OLW.

7. Verweren

7.1 Dubbele strafbaarheid

De raadsman heeft op de zitting van 10 juli 2009 betoogd dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voor wat betreft feit 2 in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het aankruisen van het lijstfeit "illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen". Uit de omschrijving blijkt van planning en organisatie, maar niet van daadwerkelijk vervoer, zodat hooguit sprake kan zijn van voorbereiding van een transport. Onder de in het Kaderbesluit in artikel 2, tweede lid, opgenomen lijst valt alleen handelen dat als het voltooide delict kan worden beschouwd, niet de voorbereiding daarvan. Van voorbereidingshandelingen kan immers niet worden gezegd dat zij "feiten zijn die op zodanig ernstige wijze de openbare orde verstoren dat weglating van de toetsing van dubbele strafbaarheid gerechtvaardigd is", zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Advocaten voor de Wereld heeft overwogen (HvJEG 3 mei 2007, zaak C-303/05, NJ 2007, 619).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat poging en voorbereidingshandelingen onder nummer 5 van Bijlage 1 bij de OLW vallen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bepalend voor de beantwoording van de vraag of voor een feit het vereiste van dubbele strafbaarheid al dan niet geldt, is het recht van de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank komt in dezen alleen een marginale toets toe.

In aanmerking genomen dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij tezamen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor de voorgenomen invoer van 600 kilogram heroïnemengsel, die naar de rechtbank aanneemt - uiteindelijk - bestemd zou zijn voor verdere verspreiding, gezien de hierboven weergegeven kwalificatie naar Duits recht en voorts gezien de in het EAB genoemde strafbepalingen van de Duitse Wet over verdovende middelen, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit feit 2 in redelijkheid kunnen aanmerken als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Daaraan kan de door de raadsman uit het arrest Advocaten voor de Wereld aangehaalde passage niet afdoen, reeds omdat aan die passage onmiddellijk voorafgaat de niet door de raadsman aangehaalde zinsnede "wegens de daarop gestelde straf met een maximum van ten minste drie jaar" en in dit geval op feit 2 een dergelijke straf is gesteld.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

7.2 Genoegzaamheid der stukken

De raadsman heeft op de zitting van 10 juli 2009 betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd ter zake van feit 2, nu dit feit onvoldoende concreet is omschreven. De aanvullende informatie die de Duitse autoriteiten in hun schrijven van 24 juni 2009 hebben verschaft lost dit probleem niet op. Niet wordt aangegeven waar de opgeëiste persoon zijn handelingen zou hebben verricht. Er wordt een aantal telefoongesprekken genoemd zonder dat vermeld wordt met welk nummer de opgeëiste persoon de gesprekken gevoerd zou hebben en waar de opgeëiste persoon zich op die momenten zou hebben bevonden. Van een aantal ontmoetingen wordt evenmin de plaats genoemd. Nu de opgeëiste persoon in Nederland als buschauffeur werkt, is zeer waarschijnlijk dat de pleegplaats van deze feiten in Nederland ligt, hetgeen van belang is voor de door de rechtbank ingevolge artikel 13 OLW te nemen beslissing. Het is dus voor de rechtbank niet mogelijk te onderzoeken of aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omschrijving van feit 2 naar tijd, plaats en betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het licht van de doeleinden die de omschrijving van de feiten beoogt te dienen, is feit 2 naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende omschreven. De omstandigheden dat de omschrijving ten aanzien van door de opgeëiste persoon gevoerde telefoongesprekken niet de nummers vermeldt waarmee hij die gesprekken heeft gevoerd en de plaats waar hij zich op die momenten bevond, en ten aanzien van sommige ontmoetingen geen plaats vermeldt, doet daaraan niet af. Zoals uit overwegingen 4.1, 5, 6 en 7.1 blijkt, heeft de rechtbank aan de hand van de omschrijving kunnen onderzoeken of dat feit in redelijkheid kan worden aangemerkt als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, of het feit naar Nederlands recht strafbaar is en of al dan niet moet worden afgezien van de weigeringgrond van artikel 13 OLW. Bovendien waarborgt de omschrijving van feit 2 naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate de naleving van de specialiteit.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

7.3 Weigeringgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De raadsman heeft op de zitting van 10 juli 2009 betoogd dat uit het dossier valt op te maken dat de telefoon van de opgeëiste persoon in Nederland is getapt en dat er op de dag van zijn aanhouding een doorzoeking in zijn woning heeft plaatsgevonden, waarbij goederen in beslag genomen zijn. In Nederland kunnen deze dwangmiddelen alleen met toestemming van de rechter-commissaris worden uitgeoefend, waaruit de raadsman concludeert dat een strafvervolging in Nederland is aangevangen. Nu deze vervolging niet door de Minister van Justitie is beëindigd, loopt de strafvervolging nog steeds en dient de overlevering ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW te worden geweigerd. Op de zitting van 28 augustus 2009 heeft de raadsman daaraan toegevoegd dat de brief van de officier van justitie van 21 augustus 2009 de door de rechtbank in de tussenuitspraak van 24 augustus 2009 gestelde vragen niet afdoende beantwoordt. De rechtbank heeft in die tussenuitspraak immers verzocht om een duidelijk overzicht van hetgeen de Duitse autoriteiten hebben verzocht en van al hetgeen in deze zaak aan opsporing heeft plaatsgevonden. De officier van justitie had heel eenvoudig aan de opdracht van de rechtbank kunnen voldoen door de rechtshulpverzoeken over te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle in Nederland verrichte opsporingshandelingen en ingezette dwangmiddelen uitsluitend voortvloeien uit de rechtshulpverzoeken van de Duitse autoriteiten. Op Nederlands initiatief zijn geen opsporingshandelingen verricht of dwangmiddelen ingezet. De doorzoeking die heeft plaatsgevonden in de woning van de opgeëiste persoon levert dan ook geen daad van strafvervolging in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW op. Nu de officier van justitie zonder enig voorbehoud heeft gesteld dat al hetgeen in Nederland is verricht uitsluitend zijn grondslag in de Duitse rechtshulpverzoeken vindt, is overlegging van die verzoeken niet nodig.

Gevraagd of de beantwoording van de vraag of in Nederland een strafvervolging gaande is in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW een feitelijke, een juridische of feitelijk juridische kwestie betreft, heeft de officier geantwoord dat het gaat om een juridische kwestie, al zullen de feiten ook wel een rol spelen. Een en ander staat ter beoordeling van de officier van justitie. Indien de officier van justitie van oordeel is dat tegen de opgeëiste persoon in Nederland geen strafvervolging gaande is, dan moet de rechtbank daarvan uitgaan. Dit standpunt is ook neergelegd in de brief van haar ambtgenoot van 21 augustus 2009.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verweer het onderzoek bij interlocutoire uitspraak van 24 juli 2009 heropend en de officier van justitie nadere vragen gesteld. De officier van justitie heeft haar onvrede over deze beslissing kenbaar gemaakt in een brief van 21 augustus 2009. In essentie komt haar standpunt er op neer, dat wanneer een officier van justitie ter zitting verklaart dat er geen strafvervolging in Nederland is, de rechtbank op basis van deze mededeling kan concluderen dat in Nederland geen sprake van strafvervolging is. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de officier van justitie daarmee dat strafvervolging niet enkel afhankelijk is van de wens of de wil van het openbaar ministerie, maar dat in het overleveringsrecht ook feitelijke handelingen tot de juridische conclusie kunnen dwingen dat sprake is van Nederlandse strafvervolging. De vraag of sprake is van strafvervolging, beantwoordt de rechtbank in al haar uitspraken zelfstandig en mede op basis van de door de verdediging en de officier van justitie aangedragen feiten. Naar die feiten – die de officier van justitie ter zitting van 10 juli 2009 niet in voldoende mate paraat had – heeft de rechtbank in haar interlocutoire uitspraak van 24 juli 2009 gevraagd. Zij zal thans de vraag beantwoorden of op basis van die feiten geconcludeerd moet worden dat sprake is van strafvervolging in Nederland.

In een bijlage bij haar brief van 21 augustus 2009 heeft de officier van justitie de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord. De rechtbank stelt vast dat in de periode van januari 2008 tot de aanhouding van de opgeëiste personen op basis van diverse rechtshulpverzoeken telefoon- en emailgesprekken zijn afgeluisterd, gebruik is gemaakt van een Verdeckte Ermittler en een Vertrauensperson, woningen en voertuigen zijn doorzocht, inlichtingen zijn opgevraagd en dat door de Duitse autoriteiten is gevraagd om de overdracht van hetgeen in beslag is genomen.

De officier van justitie heeft in meergenoemde bijlage duidelijk omschreven wat in Nederland aan opsporing heeft plaatsgevonden en daarbij nog een enkele onjuistheid gecorrigeerd in de mededelingen gedaan ter zitting van 10 juli 2009. De rechtbank stelt aan de hand van deze bijlage vast dat alle opsporingshandelingen zijn verricht op verzoek van de Duitse autoriteiten. De rechtbank acht het in deze procedure niet noodzakelijk dat de onderliggende Duitse rechtshulpverzoeken worden overgelegd; de beantwoording van haar vragen acht de rechtbank afdoende en er is geen aanleiding te veronderstellen dat de gedetailleerde inventarisatie van de officier van justitie onjuist is. Anders dan de verdediging heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat in Nederland tegen de opgeëiste personen een strafvervolging gaande is. Het beroep op de weigeringgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW wordt daarom verworpen.

7.4 Weigeringgrond als bedoeld in artikel 11 OLW

De raadsman heeft op de zitting van 10 juli 2009 betoogd dat sprake is van een dreigende schending van het Verdrag inzake de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zodat ingevolge artikel 11 OLW de overlevering moet worden geweigerd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in Nederland in strijd met de wettelijke regelingen dan wel zonder wettelijke grondslag gebruik is gemaakt van een undercoveragent en een - al dan niet criminele - burgerinfiltrant, waarbij onduidelijk is of Nederland hiervan wist en er toestemming voor had verleend. Het op die manier onrechtmatig verkregen bewijs zal gebruikt worden in Duitsland en aldus zal artikel 6 EVRM geschonden worden, tegen welke schending in Duitsland geen effective remedy bestaat. Op de zitting van 28 augustus 2009 heeft de raadsman daaraan toegevoegd dat ook al zou de officier van justitie bij het landelijk parket hebben ingestemd met de inzet van een – al dan niet criminele – buitenlandse burgerinfiltrant, die inzet strijd met artikel 8 EVRM oplevert, omdat daarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag ontbreekt. Bovendien bestaat geen zicht op hetgeen de Duitse undercoveragent en de Duitse burgerinfiltrant in Nederland hebben gedaan, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie bij het landelijk parket toestemming heeft gegeven voor de inzet van een Duitse Verdeckte Ermittler en een Duitse Vertrauensperson. Hun inzet heeft plaatsgevonden onder supervisie van het Openbaar Ministerie. Van niet door het Openbaar Ministerie gedekt optreden door de Verdeckte Ermittler en de Vertrauensperson is niet gebleken. Er is geen sprake van de inzet van een criminele burgerinfiltrant; ook in Duitsland is zulks bij wet verboden. Er is daarenboven geen sprake van de inzet van een infiltrant, maar van pseudokoop. Ten slotte is het niet aan de overleveringsrechter te oordelen over de rechtmatigheid van de bewijsgaring, ook niet indien de Nederlandse autoriteiten in het kader van rechtshulpverzoeken medewerking hebben verleend aan die bewijsgaring.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor zover het verweer berust op de stelling dat een Duitse undercoveragent en een – al dan niet criminele – Duitse burgerinfiltrant zijn ingezet buiten wetenschap en zonder toestemming van de bevoegde Nederlandse autoriteiten, mist het feitelijke grondslag. De brief van 21 augustus 2009 houdt immers in dat de inzet van een Verdeckte Ermittler en een Vertrauensperson met medeweten en instemming van de officier van justitie van het landelijk parket heeft plaatsgevonden.

Voor zover het verweer berust op de stellingen dat, ondanks dat medeweten en die instemming, de inzet van een buitenlandse burgerinfiltrant zonder meer in strijd is met artikel 8 EVRM, nu een uitdrukkelijke wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt en dat bovendien niet kan worden uitgesloten dat de undercoveragent en de burgerinfiltrant onrechtmatig hebben gehandeld, omdat niet duidelijk is welke handelingen zij hebben verricht, geldt het volgende. De overleveringsrechter spreekt zich niet uit over de vraag of een opgeëiste persoon al dan niet kan worden veroordeeld voor het feit of de feiten waarvoor de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering wenst. Dat is aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat. Zo ook is het aan de rechter in de uitvaardigende lidstaat een beslissing te nemen over de (on)rechtmatigheid van het bewijs en de toelaatbaarheid daarvan. De rechtbank heeft er vertrouwen in, dat de Duitse rechter die beslissing zal nemen in overeenstemming met de fundamentele rechten die het EVRM biedt. De verdediging heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan in weerwil van dit vertrouwen gevreesd moet worden dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot flagrante schending van meergenoemde fundamentele rechten.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

7.5 Schending van de Nederlandse soevereiniteit

De raadsman heeft op de zitting van 10 juli 2009 betoogd dat de Nederlandse soevereiniteit is geschonden door de inzet van een – al dan niet criminele – Duitse burgerinfiltrant en van een Duitse undercoveragent. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de inzet van een burgerinfiltrant niet is toegestaan in Nederland. Van de inzet van de undercoveragent is niet bekend of dit legaal is verlopen. Dat betekent dat de Nederlandse soevereiniteit is geschonden.

Het is de raadsman bekend dat de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat een opgeëiste persoon zich niet direct op het soevereiniteitsbeginsel mag beroepen; dat mogen alleen staten. Naar de mening van de raadsman is dit oordeel intussen onjuist gebleken, omdat een schending van de soevereiniteit ook een opgeëiste persoon kan raken. Dit blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal vóór het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2009, LJN BH8607. Een opgeëiste persoon kan dan ook een beroep doen op schending van de soevereiniteit. In dat verband heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN BA4017, alwaar een rechtstreeks beroep op de schending van de soevereiniteit is gedaan, en op een vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 4 december 1996, waarin de uitlevering werd verboden. De stelling van de raadsman is aldus dat het niet zo mag zijn dat omdat in de huidige procedure geen beroep op de Minister kan worden gedaan, hij niet kan klagen over de schending van de Nederlandse soevereiniteit, omdat hem anders geen effective remedy ten dienste zou staan.

Het vorenstaande dient tot weigering van de overlevering te leiden op twee gronden:

a) het EAB is niet op de juiste gronden tot stand gekomen wegens de onrechtmatige inzet van Duitse opsporingsbeambten in Nederland, waardoor het vertrouwensbeginsel moet wijken;

b) er is strijd met het Kaderbesluit, overweging 10 van de Preambule. Hieruit blijkt dat als er van een vertrouwensbreuk sprake is, het vertrouwensbeginsel mag worden opgeschort. Bij een schending van het vertrouwensbeginsel heeft de rechter de bevoegdheid om overlevering te weigeren op basis van het wederkerigheidsbeginsel.

Voor het geval de rechtbank een en ander te ingewikkeld mocht vinden, heeft de raadsman verzocht op basis van artikel 35 van het EU-verdrag over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de betekenis van overweging 10 van de Preambule in een zaak, indien blijkt van een schending van het vertrouwensbeginsel dan wel het soevereiniteitsbeginsel door de uitvaardigende lidstaat.

Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad in uitleveringszaken en de rechtspraak van deze rechtbank in overleveringszaken heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat schending van de Nederlandse soevereiniteit door of vanwege de uitvaardigende lidstaat niet tot weigering van de overlevering kan leiden. Dat uitgangspunt kan uitzondering lijden, indien die schending van dien aard is dat daaruit kan blijken dat de opgeëiste persoon door zijn overlevering zou worden blootgesteld aan een risico van een flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM én indien naar aanleiding van een onderbouwd verweer is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering ter zake van die schending geen daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan. Naar de mening van de officier van justitie is niet gebleken dat een dergelijke flagrante schending dreigt noch dat tegen een dergelijke schending in Duitsland geen daadwerkelijk rechtsmiddel zou openstaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet in hetgeen is betoogd geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen. Allereerst merkt de rechtbank op dat zij eerder, daar waar in overleveringszaken in het verleden het verweer is gevoerd dat de overlevering als gevolg van schending van de soevereiniteit van Nederland dient te worden geweigerd, geoordeeld heeft dat het beginsel van soevereiniteit met name de belangen van staten dient, en dat daarom alleen staten zich hierop kunnen beroepen, en in beginsel niet een opgeëiste persoon. De rechtbank wijst in dit verband bij voorbeeld op haar uitspraken van 10 oktober 2006, LJN AZ1411 en van 16 februari 2007, LJN BD2830. Deze bestendige lijn in de jurisprudentie zal de rechtbank ook in de onderhavige zaak voortzetten.

In het door de verdediging aangehaalde vonnis van 27 april 2007, LJN BA4017 heeft de rechtbank zich ambtshalve twee rechtsvragen gesteld. Eén van die rechtsvragen luidde of de schending van de soevereiniteit van de Nederlandse staat gevolgen moest hebben voor de beoordeling van de daar voorliggende zaak. Die vraag heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Het gaat bij de schending van de soevereiniteit van een staat om een interstatelijke aangelegenheid, aldus de rechtbank in genoemd vonnis, waarop op politiek niveau dient te worden gereageerd. Op welke wijze de rechtbank hier in het reguliere strafrecht een ander standpunt zou hebben ingenomen dan zij in overleveringszaken eerder heeft gedaan, vermag de rechtbank niet in te zien. Overigens zij opgemerkt, dat voornoemd vonnis bij interlocutoir arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 januari 2008 is vernietigd en is teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam. Het gerechtshof heeft zich hierbij niet uitgelaten over wie zich al dan niet op het soevereiniteitsbeginsel kan beroepen.

Voor zover het beroep op schending van de soevereiniteit van de Nederlandse staat moet worden opgevat als de stelling dat het bewijs onrechtmatig is verkregen of dat in de inhoudelijke strafzaak sprake is van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, en dat aldus de belangen van de opgeëiste persoon die de soevereiniteit van de Nederlandse staat beoogt te beschermen, zijn geschonden, herhaalt de rechtbank dat een dergelijk verweer ter beoordeling is aan de Duitse rechter die zich uiteindelijk over de inhoudelijke strafzaak zal moeten uitlaten. Overigens meent de rechtbank dat de door de raadsman aangehaalde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad bij het arrest van 26 mei 2009, LJN BH8607 ook in die sleutel dient te worden gelezen. In die zaak immers, werd tegenover de Nederlandse politierechter het (niet-ontvankelijkheids)verweer gevoerd dat Nederlandse opsporingsambtenaren de soevereiniteit van Duitsland hadden geschonden.

Het vonnis in kort geding, van de president van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 december 1996, waarop de verdediging zich heeft beroepen, is eerder door een confrère van mr. Pestman betrokken in een uitleveringszaak. De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad in die uitleveringszaak (HR 16 december 1997, NJ 1998, 388) heeft geoordeeld dat de opvatting onjuist is dat een eventuele schending van de Nederlandse soevereiniteit in het door de verzoekende staat verrichtte opsporingsonderzoek de rechter, die oordeelt over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, noopt die uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Overweging 10 van de Preambule bij het Kaderbesluit luidt: ”De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschorst in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag”.

Nog daargelaten dat het Kaderbesluit geen rechtstreekse werking heeft, ziet de in overweging 10 voorziene opschorting van de regeling van het Europees aanhoudingsbevel niet op een door de uitvoerende justitiële autoriteit in een concreet geval te nemen beslissing, zoals genoegzaam blijkt uit de verwijzing naar artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak van een vertrouwensbreuk tussen Nederland en Duitsland geen sprake, alleen al gelet op de mededeling van de officier van justitie dat de inzet van een Verdeckte Ermittler en een Vertrauensperson met medeweten en instemming van de officier van justitie van het landelijk parket heeft plaatsgevonden. Van een ernstige en voortdurende schending van het vertrouwensbeginsel door Duitsland die door de Raad van de Europese Unie is geconstateerd, is geen sprake. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding er niet op te vertrouwen dat het EAB op de juiste wijze tot stand is gekomen en verwerpt het verweer.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsartikelen

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie van de Staatsanwaltschaft Hamburg ten behoeve van het in de Bondsrepubliek Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en I.V. Ottens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 september 2009.

De jongste rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

B