Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK7632

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
13/529063-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1658, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstaf voor pooierboy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector strafrecht

parketnummer: 13/529063-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [geboorteplaats],

thans verblijvende in penitentiaire inrichting Noord-Holland Noord te Zwaag.

Raadsman mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 23 november 2009, 2 december 2009, 7 december 2009 en 9 december 2009 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek heeft met toestemming van verdachte en de raadsman ter openbare terechtzitting plaatsgevonden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is zowel op de terechtzitting van 23 november 2009 als 2 december 2009 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). De uiteindelijke tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

betrokken is geweest bij mensenhandel ten aanzien van een groot aantal vrouwen en door deze betrokkenheid grote geldbedragen heeft witgewassen.

In de dagvaarding worden aan verdachte onder 1 en 3 feiten tenlastegelegd, deels gepleegd voor het tijdstip waarop hij de leeftijd van achttien jaar had bereikt, en deels daarna. De rechtbank leest de tenlastelegging dan ook aldus dat aan verdachte (als minderjarige) onder feit 1 wordt ten laste gelegd dat verdachte van 1 januari 2004 tot en met 17oktober 2004 betrokken is geweest bij mensenhandel ten aanzien van een tweetal vrouwen en dat aan verdachte (als minderjarige) onder feit 3 wordt ten laste gelegd dat verdachte van 1 januari 2004 tot en met 17 oktober 2004 van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. In dit vonnis zal de rechtbank ten aanzien van deze vóór zijn achttiende jaar ten laste gelegde feiten haar oordeel geven en daarbij het bepaalde in het eerste boek, Titel VIII A, van het Wetboek van Strafrecht toepassen. De rechtbank zal ten aanzien van de na zijn achttiende jaar ten laste gelegde feiten afzonderlijk vonnis wijzen, waarbij het bepaalde in het eerste boek, Titel VIII A, van het Wetboek van strafrecht geen toepassing vindt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten en heeft zich daarbij gebaseerd op de in haar requisitoir genoemde bewijsmiddelen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft met betrekking tot [naam 1] aangevoerd dat haar beschuldigingen telkens wisselden en derhalve als onbetrouwbaar kunnen worden gekwalificeerd. Bovendien is er geen enkel steunbewijs in het dossier te vinden die haar verklaringen bevestigen.

Met betrekking tot [naam 2] heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [naam 3] buiten beschouwing dienen te blijven. Uit haar verklaringen blijkt dat [naam 3] interpretaties en conclusies niet van feiten kan onderscheiden. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat haar verklaringen op grond van een eerdere vrijspraak in een vonnis van de rechtbank Haarlem onvoldoende betrouwbaar zijn. De verklaring van [naam 3] werd toen niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Ook op grond van het feit dat er in strijd is gehandeld met het ondervragingsrecht maakt de verklaring van [naam 3] onbruikbaar. De raadsman heeft aangevoerd dat hij de betrouwbaarheid van [naam 3] wilde toetsen door vragen te stellen over andere strafzaken, waarin zij een rol heeft gespeeld. De rechter-commissaris heeft die vragen echter belet, wat volgens de raadsman in strijd zou zijn met het aan de verdediging toekomende ondervragingsrecht. Hierbij heeft de raadsman gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 2004 (NJ 2004/263).

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Overweging ten aanzien van de wijze van verbaliseren

De rechtbank heeft geconstateerd dat in het onderzoek "Judo", waarin verdachte als een van de subjecten van onderzoek naar voren komt, meermalen door diverse bij het onderzoek betrokken verbalisanten een gevolgtrekking wordt verbonden aan hun onderzoeksbevindingen; zo komen passages als "....hieruit blijkt dat ...." en "….hieruit volgt dat ...." met zekere regelmaat voor.

De rechtbank acht dit ongewenst. Opsporingsambtenaren dienen hetgeen zij bij hun onderzoek hebben geconstateerd in een ambtsedig proces-verbaal neer te leggen. Daarin dient verslag te worden gedaan van feiten of omstandigheden die de verbalisant zelf heeft waargenomen of ondervonden, waarbij hij ook zoveel mogelijk de redenen van wetenschap dient op te geven. Dit volgt ook uit artikel 153, tweede lid, WvSv.

Het trekken van conclusies is bij uitstek een taak van het Openbaar Ministerie en -bij een eventuele berechting- de rechter.

De rechtbank zal evenwel thans geen gevolgen verbinden aan deze wijze van verbaliseren, nu de rechtbank van oordeel is dat zij zelf in staat is zelfstandig de inhoud van de diverse processen-verbaal te kunnen beoordelen en daaruit al dan niet gevolgtrekkingen te maken.

De rechtbank volstaat dan ook met deze constatering

Vrijspraakoverweging [naam 1]

De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen ten aanzien van [naam 1] zijn niet wettig en overtuigend bewezen. Naast de verklaring van [naam 1] is er geen ander bewijs voorhanden waaruit volgt dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft gepleegd. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de aan verdachte ten aanzien van [naam 1] ten laste gelegde gedragingen.

Bewijsoverweging feit 1 ([naam 2])

Verklaring getuige [naam 4]

De moeder van [naam 2] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam 2] tot haar 18de thuis heeft gewoond. Op een gegeven moment ging het de verkeerde kant op met [naam 2]. In overleg is zij toen in een appartement in de stad Hengelo gaan wonen. Hierna is zij door de hoge schulden aan telefoonkosten en huurachterstanden weer een tijdje thuis komen wonen. Daar de sfeer door haar thuiswonen helemaal in negatieve zin omsloeg, is een oplossing gezocht via een jeugdinstelling. Die hebben een kamer voor haar geregeld. [naam 2] heeft vervolgens op haar 19de verdachte geïntroduceerd en in 2003 is ze met hem gaan samenwonen in [woonplaats] .

Kwetsbare situatie

Blijkens een in het dossier bevindende mutatie heeft het slachtoffer in 2003 enige tijd onder begeleiding gestaan van een thuislozenteam. Ten tijde van de aanmelding op 23 december 2002 verbleef zij bij enkele jongens/mannen waar ze kosteloos kon inwonen en die haar mee uit namen naar disco’s etc., zonder dat het haar een cent kostte. Hieruit ontstond het vermoeden dat ze in handen was gevallen van loverboys. Een van de genoemde leerpunten was om haar weerbaarder te maken tegenover mannen .

Begin relatie

In een sms-bericht d.d. 17 oktober 2008 van [naam 2] aan verdachte schrijft ze onder meer dat ze zin heeft om hun 5 jaar samen te vieren . Hieruit volgt dat de relatie in 2003 al is begonnen.

Eerste melding van prostitutie

De eerste vermelding in de politiesystemen waarbij zowel de naam van [naam 2] als verdachte voorkomt dateert van 29 januari 2004. [naam 2] werd toen voor het eerst als prostituee in het wallengebied gezien. In haar lies stond de naam van verdachte getatoeëerd . Hierna is ze nog zeer regelmatig gecontroleerd en zijn er nog meerdere politiemutaties opgemaakt naar aanleiding van problemen met klanten en onderzoek naar strafbare feiten .

Tatoeage

Op 11 november 2008 werd [naam 2] aangetroffen bij de doorzoeking in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Door een verbalisant werd toen geconstateerd dat zij een tatoeage had die bestond uit de naam van verdachte . [naam 2] heeft tegenover de rechter-commissaris ook bevestigd dat zij twee tatoeages heeft met de naam van verdachte .

Begeven in prositutiegebieden

De eerste politiemutatie waaruit blijkt dat verdachte zich veelvuldig in de prostitutiegebieden heeft begeven dateert van 11 november 2004. Hij is dan net 18 jaar oud .

Verklaring [naam 3]

[naam 3] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam 2] al vier of vijf jaar voor verdachte werkt en dat ze mag kopen wat ze wil, maar de rest van het geld gaat naar [verdachte] .

Toen [naam 2] begon met werken -aldus [naam 3]- mocht zij met niemand contact hebben. Ze mocht ook haar telefoonnummer niet weggeven van verdachte. Ze had toen een relatie met verdachte. [naam 2] had haar verteld dat ze samen met verdachte heeft besproken dat zij in de prostitutie zou gaan werken. Zij zouden dan samen even snel geld maken. [naam 2] heeft haar verteld dat ze het geld sparen. Verdachte haalde het geld op en bewaarde het niet thuis. Ik weet -aldus [naam 3]- dat [naam 2] 19 jaar was toen ze begon met werken. [naam 2] wist wel dat verdachte ook een relatie had met [naam 5]. [naam 2] wilde dat eigenlijk niet. Verdachte zei tegen [naam 2] dat [naam 5] alleen voor het geld was. Verdachte zei tegen [naam 2] dat hij bij [naam 5] viagra-pillen nodig had omdat hij anders geen stijve kreeg. Verdachte zei dit natuurlijk omdat [naam 2] de enige echte was .

Voornoemde [naam 3] heeft ook een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Hier heeft ze verklaard dat [naam 2] niet met haar of met andere prostituees mocht praten van verdachte. [naam 2] zei altijd dat zij en verdachte het geld spaarden. Zij gaf haar geld aan verdachte. Verdachte had tegen haar gezegd dat als zij genoeg hadden gespaard zij een nagelstudio kon openen, althans haar eigen zaak kon beginnen.

Contact met andere vrouwen

Uit de verklaring van [naam 5] blijkt dat zij medio oktober/november 2003 een relatie kreeg met verdachte. Ze woont met verdachte samen, kent zijn familie en bezocht ook zijn ouders . Zij is ook werkzaam in de prostitutie.

[naam 6] (geboren [geboortedatum] 1991) heeft verklaard dat zij, nadat zij ongeveer twee maanden een relatie had met verdachte, ongeveer in december 2006 seks met verdachte heeft gehad. Dat verdachte en zij onveilige seks hadden, kwam omdat hij zei dat zij zijn vaste vriendin was .

(Tap)gesprekken

Op woensdag 12 november 2008 werd er naar het onderzoeksteam Judo gebeld door [naam 2]. Zij vroeg waar de huur Volkswagen Golf van verdachte stond. Aan haar is medegedeeld dat de Volkswagen Golf bij verdachtes vriendin voor de deur staat. Hierop reageerde [naam 2] dat dat een kennis van verdachte is en dat zij de vriendin van [verdachte] is. Vervolgens zei ze dat ze dan wel de huurauto daar op zou halen zonder te vragen waar die vriendin woont .

Msn-gesprek

Op 12 augustus 2008 hebben verdachte en [naam 7] een msn-gesprek. In dit gespek zegt verdachte tegen [naam 7] over een vrouw dat zij een slet is en moet werken. [naam 7] reageert vervolgens door te zeggen dat hij, verdachte, er al genoeg voor hem heeft werken. Verdachte zegt vervolgens dat hij dat zelf niet heeft bereikt maar dat [naam 8] (de rechtbank begrijpt [naam 8]) chickies naar hem heeft gepaast .

De rechtbank zal de verklaringen van [naam 3], anders dan de raadsman heeft opgeworpen, wel gebruiken voor het bewijs. Dat in strijd is gehandeld met het ondervragingsrecht blijkt geenszins. De rechtbank wijst hierbij op pagina 4 van het verhoor bij de rechter-commissaris waarin het volgende door de rechter-commissaris wordt opgemerkt:

Ik hoor mr. Van der Horst verklaren dat hij een stapel verklaringen uit andere zaken voor zich heeft liggen en dat hij daaruit een paar vragen wil stellen om de geloofwaardigheid van getuige te toetsen. Ik heb mr. Van der Horst voorgesteld om te schorsen om de verklaringen te kunnen lezen, voordat er vragen over worden gesteld. Omdat hij hier niet mee akkoord ging heb ik verdere vragen over de genoemde zaken belet.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de rechter-commissaris ingevolge artikel 187b, eerste lid, WvSv kan beletten dat er aan een vraag van de raadsman gevolg wordt gegeven. Van deze omstandigheid dient ingevolge het tweede lid van voormeld artikel melding te worden gemaakt in het proces-verbaal. Aan deze beiden voorwaarden is in deze zaak voldaan. Bovendien heeft de raadsman de mogelijkheid om vragen aan de getuige te stellen zich zelf ontnomen. De rechter-commissaris belette namelijk zijn vraag pas op het moment dat hij geen inzage wilde geven in de door hem aangehaalde verklaringen.

Van enige strijdigheid met het ondervragingsrecht is dan ook niet gebleken.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 2] in de periode van 1 januari 2004 tot 18 oktober 2007 door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling. Ook heeft verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen, terwijl hij wist dat zij zich onder die omstandigheden beschikbaar stelde tot het verrichten van die handelingen.

Bewijsoverweging feit 3 (witwassen)

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is weergegeven, en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, volgt dat verdachte geldbedragen heeft geworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2004 tot 18 oktober 2007 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Den Haag, een ander genaamd [naam 2] ,

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen, terwijl verdachte wist dat die ander zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelde tot het verrichten van die handelingen,

bestaande dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of die misleiding en/of dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat hij, verdachte

(ten aanzien van die [naam 2]) (in de periode van 01 januari 2004 tot 18 oktober 2008)

- een relatie met die [naam 2] is aangegaan en heeft onderhouden, en

- die [naam 2] onderdak heeft verschaft, en

- die [naam 2] het gevoel heeft gegeven dat zij samen een relatie hadden en/of een bestaan opbouwden, en

- die [naam 2] ertoe heeft aangezet en heeft gebracht tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, en

- die [naam 2] een tatoeage met de tekst “[verdachte]” heeft laten zetten, en

- een groot gedeelte van de inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden door die [naam 2] aan hem, verdachte, heeft laten afstaan, en

- die [naam 2] het gevoel heeft gegeven dat hij, verdachte, het door haar en zijn andere vriendin(nen) in de prostitutie verdiende geld voor hen, [naam 2] en verdachte, spaarde, en

- die [naam 2] het gevoel heeft gegeven en heeft gezegd dat zij zijn, verdachtes, vaste vriendin was, en dat hij met andere vrouwen slechts een (seksuele) relatie had vanwege het geld dat die andere vrouw(en) voor hem, verdachte, verdiende(n);

feit 3:

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 17 oktober 2004, te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Den Haag, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte geldbedrag(en) verworven en voorhanden gehad, te weten een groot deel van de verdiensten uit de door [naam 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden, terwijl hij telkens wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen met betrekking tot de periode van verdachtes minderjarigheid meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

feit 1: Een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt,

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder artikel 250a, onder 1 (oud), ten eerste van het Wetboek van Strafrecht genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen;

feit 3: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft bij haar eis geen onderscheid gemaakt in de periode dat verdachte meerderjarig of minderjarig was.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de strafmaat bij een eventuele veroordeling van verdachte voor een of meerdere feiten.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Het onvrijwillig in de prostitutie houden van vrouwen en het financieel uitbuiten van deze vrouwen is zeer ernstig. [naam 2] heeft uit liefde voor verdachte gewerkt in de prostitutie. Verdachte heeft haar de indruk gegeven dat zij een echte liefdesrelatie met hem had. Bij het opleggen van de straf acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang dat zij gevoelens voor verdachte had. Deze gevoelens zijn juist in de hand gewerkt door de door verdachte gehanteerde misleiding. Verdachte had geen respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van [naam 2]. Door verdachte is zij gemaakt tot een willoos individu, met wie zeer veel geld kon worden verdiend.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij gedurende de behandeling van zijn strafzaak niet heeft laten merken te beseffen wat hij zijn slachtoffer heeft aangedaan.

De rechtbank heeft bij de hoogte van de straf uitdrukkelijk rekening gehouden met de strafoplegging in de zaak met betrekking tot de periode dat verdachte meerderjarig was. Deze (meerderjarige)periode behelst een veel langere duur van zowel de uitbuiting als witwassen en daar ligt derhalve ook het zwaartepunt van de straf.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De verdachte heeft zich met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden ook beroepen op zijn zwijgrecht en hieromtrent niets naar voren willen brengen. De rechtbank kan derhalve geen rekening met eventuele bijzondere persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden passend en geboden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77i, 77x, 77y, 77z, 250 (oud), 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: Een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt,

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder artikel 250a, onder 1 (oud), ten eerste van het Wetboek van Strafrecht genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen;

feit 3: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.P. Killian en mr. R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2009.