Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK7603

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
13/529056-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1657, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor pooierboy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector strafrecht

parketnummer: 13/529056-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

wonende te [geboorteplaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Unit Zuyder Bos” te Heerhugowaard.

Raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 25 november 2009, 2 december 2009 en 9 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen [naam 1] tot prostitutie heeft gebracht.

Feit 2: samen met anderen de minderjarige [naam 2] tot prostitutie heeft gebracht en dat hij uit die werkzaamheden opzettelijk voordeel heeft getrokken.

Feit 3 primair: samen met anderen [naam 3], [naam 2], [naam 4], [naam 5] en [naam 1] tot prostitutie heeft gebracht en dat hij uit die werkzaamheden opzettelijk voordeel heeft getrokken.

Feit 3 subsidiair: samen met anderen heeft geprobeerd om [naam 5] te bewegen om zich beschikbaar te stellen als prostituee en dat hij uit die werkzaamheden voordeel heeft getrokken.

Feit 4: samen met anderen ervoor heeft gezorgd dat [naam 4], [naam 7], [naam 8], [naam 9] en [naam 10] zich beschikbaar hebben gesteld voor prostitutie met als doel hen uit te buiten.

Feit 5: samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen.

Feit 6:met zijn gebalde vuist [naam 11] tegen het gezicht heeft geslagen.

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is. De verdediging heeft daartoe allereerst aangevoerd dat het recht op privacy is geschonden doordat de media op uitnodiging van de officier bij de aanhouding aanwezig is geweest. Vervolgens is door de politie aan de media informatie verstrekt over de verdenking tegen verdachte zonder dat daarvoor een onderbouwing bestond. Door deze handelwijze is eveneens het recht op een eerlijk proces geschonden. De verdediging heeft hierbij uitdrukkelijk gewezen op een artikel in het Parool dat na overleg met en na inzage door het Openbaar Ministerie tot stand zou zijn gekomen. In dit artikel heeft de regionaal coördinator mensenhandel van het Amsterdamse Bureau Zedenpolitie de mannen die al jaren actief waren in de vrouwenhandel vergeleken met een pedofiel die wordt losgelaten in een kleuterklas en na tien minuten feilloos het kind te pakken zou hebben die voor hem ontvankelijk is.

De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Aan verdachte moet worden toegegeven dat de inhoud van de berichtgeving deels betrekking had op een andere verdachte in het onderzoek, zonder dat dat in de berichtgeving duidelijk werd. Gelet op de ernst van de verdenking, zoals bleek uit de zogenoemde artikel 27-constructie, is verdachte door die enkele omstandigheid echter niet in zijn belangen geschaad. De aanklacht tegen verdachte is vervolgens op een openbare zitting behandeld door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. De rechtbank heeft zich bij de behandeling en bij de besluitvorming niet te laten leiden door de berichtgeving.

De verdediging heeft ook naar voren gebracht dat de officier van justitie een proces-verbaal niet aan het dossier heeft toegevoegd terwijl dat voor verdachte ontlastend materiaal bevatte. De rechtbank verwerpt ook dat verweer. Het proces-verbaal is op verzoek van de officier van justitie door de politie opgemaakt naar aanleiding van de mededeling van een medeverdachte in diens zaak dat hij het geld dat hij voor één van de aangeefsters bewaarde, aan haar heeft terug gegeven. De officier van justitie heeft het proces-verbaal alleen in die betreffende zaak overgelegd en verzuimd dit ook te overleggen in de zaken van de medeverdachten. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de officier van justitie het proces-verbaal doelbewust buiten het dossier heeft gelaten. Evenmin is onder deze omstandigheden gehandeld met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Aannemelijk is dat de officier van justitie is vergeten het proces-verbaal ook naar de raadslieden van de medeverdachten te zenden. Ook de rechtbank is eerst in het bezit gesteld van het proces-verbaal, nadat de rechtbank uit het pleidooi van de raadsman van de betreffende verdachte bleek dat een nader proces-verbaal was opgemaakt. Verdachte is overigens niet in zijn belangen geschaad nu het proces-verbaal alsnog aan het dossier is toegevoegd en ter zitting aan de orde is gesteld.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht, op nader in het schriftelijke requisitoir beschreven gronden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de 6 ten laste gelegde feiten en heeft zich daarbij gebaseerd op de diverse verklaringen van de slachtoffers en getuigen. Daarnaast heeft zij ook gewezen op de veelvuldig afgeluisterde telefoongesprekken en de diverse observaties zoals die zich in het dossier bevinden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich, op nader in zijn pleitnotities beschreven gronden, op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De standpunten die de verdediging daartoe naar voren heeft gebracht zullen hieronder worden besproken bij het feit waarop het betreffende standpunt betrekking heeft.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Overweging ten aanzien van de wijze van verbaliseren

De rechtbank heeft geconstateerd dat in het onderzoek "Judo", waarin verdachte als een van de subjecten van onderzoek naar voren komt, meermalen door diverse bij het onderzoek betrokken verbalisanten een gevolgtrekking wordt verbonden aan hun onderzoeksbevindingen; zo komen passages als "....hieruit blijkt dat ...." en "….hieruit volgt dat ...." met zekere regelmaat voor.

De rechtbank acht dit ongewenst. Opsporingsambtenaren dienen hetgeen zij bij hun onderzoek hebben geconstateerd in een ambtsedig proces-verbaal neer te leggen. Daarin dient verslag te worden gedaan van feiten of omstandigheden die de verbalisant zelf heeft waargenomen of ondervonden, waarbij hij ook zoveel mogelijk de redenen van wetenschap dient op te geven. Dit volgt ook uit artikel 153, tweede lid, WvSv. Het trekken van conclusies is bij uitstek een taak van het Openbaar Ministerie en -bij een eventuele berechting- de rechter.

De rechtbank zal evenwel thans geen gevolgen verbinden aan deze wijze van verbaliseren, nu de rechtbank van oordeel is dat zij zelf in staat is zelfstandig de inhoud van de diverse processen-verbaal te beoordelen en daaruit al dan niet gevolgtrekkingen te maken.

De rechtbank volstaat dan ook met deze constatering.

Bewijsoverweging feit 1 ([naam 1])

Onder 1 is ten laste gelegd dat verdachte de betreffende gedragingen in de periode van 1 september 1999 tot en met 30 september 2000 heeft gepleegd. Dat de gedraging in die periode is gepleegd, is niet komen vast te staan gelet op hetgeen hierna ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde nog zal worden overwogen. De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspreken.

Bewijsoverweging feit 2 en feit 3 ([naam 2])

[naam 2], geboren op [geboortedatum] 1983, heeft verklaard dat zij in november 2000 met verdachte uit huis is gegaan toen zij 17 jaar was. Verdachte zei [naam 2] dat zij moest werken in de prostitutie. Nog dezelfde avond dat zij uit huis ging, stond zij voor het raam in Arnhem om te werken. [naam 2] heeft verklaard dat zij dat deed omdat zij verliefd was. [naam 2] legde het geld neer in het huis waar zij met verdachte woonde, waarop verdachte het geld steeds pakte. [naam 2] heeft drie maanden in Arnhem gewerkt voordat zij 18 werd. Ook heeft zij voor haar 18e in Utrecht en in Amsterdam gewerkt. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van een vals paspoort dat op naam stond van [naam 1], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]. Zij heeft dit paspoort van verdachte gekregen zodat zij daarmee een kamer kon huren. Verdachte heeft haar wel eens in het gezicht geslagen. Vanaf haar 18e heeft [naam 2] in Amsterdam gewerkt.

Eind juli, begin augustus 2003 is [naam 2] bij verdachte weggegaan en is zij naar Turkije gegaan waar haar moeder verbleef. Verdachte heeft [naam 2] bedreigd en gezegd dat hij haar familie wat zou aandoen. Hij heeft tegen haar gezegd dat als zij niet bij hem terug kwam hij haar leven en het leven van haar familie tot een hel zou maken. Verdachte is bij haar familie langs geweest om te kijken of [naam 2] daar was. Zij durfde na haar vertrek niet meer over straat. Vanaf haar 17e jaar, toen zij met hem is weggegaan, is zij bang voor hem geweest omdat hij haar iets kon aandoen.

Na haar vertrek is [naam 2] verdachte een keer tegengekomen en is zij een drogist ingevlucht. Verdachte heeft toen gezegd: “als je niet met mij meegaat, hoef je die tieten ook niet te hebben”.

Zoals blijkt uit hetgeen hierna ten aanzien van [naam 1] en ten aanzien van [naam 3] nog zal worden overwogen, had verdachte gedurende zijn relatie met [naam 2] ook een relatie met [naam 1] en vervolgens met [naam 3]. Verdachte heeft [naam 2] misleid door te doen alsof zij zijn enige vriendin was.

De verdediging heeft gewezen op de verklaring die de getuige [naam 12] op 19 augustus 2009 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. [naam 12] heeft verklaard dat [naam 2] hem in 2004 heeft verteld dat verdachte aanvankelijk niet wist dat zij in de prostitutie werkte en dat zij het paspoort waarop zij werkte zelf had geregeld. De rechtbank hecht aan de verklaring van [naam 12] echter niet zonder meer geloof. De rechtbank acht daartoe van belang dat deze getuige bevriend is met de broer van verdachte, hij na de aanhouding van de verdachten een relatie is aangegaan met één van de aangeefsters en dat ten aanzien van hem de verdenking is gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan meineed.

Dat [naam 2] op 1 mei 2001 tijdens de controle van haar paspoort heeft gezegd dat zij het paspoort van een andere prostituee heeft gekocht, sluit niet uit dat zij het paspoort van verdachte heeft gekregen. Gelet op hetgeen [naam 2] heeft verklaard over de wijze waarop zij in de prostitutie is gebracht en haar gedwongen werkzaamheden, is aannemelijk dat [naam 2] dit op 1 mei 2001 heeft gezegd om verdachte niet te belasten. De omstandigheid dat [naam 2] bij de Groep Bijzondere Opdrachten (GBO) in Arnhem bekend was onder de naam [naam 13] acht de rechtbank niet van belang. Die omstandigheid sluit immers evenmin uit dat [naam 2] het op de naam van [naam 1] gestelde paspoort van verdachte heeft gekregen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verklaring van [naam 2] onbetrouwbaar is, omdat voor de hand ligt dat zij verklaard heeft onder invloed van haar moeder. De relatie tussen [naam 2] en haar moeder is immers hersteld terwijl haar moeder altijd veel moeite had met de relatie tussen verdachte en [naam 2]. De verdediging heeft erop gewezen dat merkwaardig is dat [naam 2] ineens een ommezwaai heeft gemaakt door ineens bij de rechter-commissaris te gaan verklaren. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. [naam 2] heeft bij meerdere gelegenheden in het verleden aangegeven geen aangifte te willen doen uit angst voor verdachte. Dat [naam 2] uiteindelijk ervoor heeft gekozen bij de rechter-commissaris, geen aangifte, maar wel haar verhaal te doen, is geen aanleiding voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 2].

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 2] als minderjarige ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde, daartoe handelingen heeft ondernomen en daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken.

Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 2] door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld of bedreiging met andere feitelijkheden heeft gedwongen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen. Verdachte heeft opzettelijk voordeel getrokken uit de prostitutie-werkzaamheden terwijl hij wist dat [naam 2] zich onder die omstandigheden daartoe beschikbaar stelde, en zich uit de opbrengst van haar seksuele handelingen laten bevoordelen.

Bewijsoverwegingen feit 3

Ten aanzien van [naam 1]

[naam 1] heeft verklaard dat zij een relatie heeft gehad met verdachte. Zij werkte al in de prostitutie en werd door verdachte gedwongen om voor hem in de prostitutie te blijven werken. Zij moest al haar verdiende geld aan hem afgeven. Eind januari, begin februari 2001 had zij werk in Amsterdam. Zij heeft toen een paar dagen gewerkt. Zij verbleef in een perceel aan de [adres]. Op een middag was zij in de kamer met verdachte en [naam 15]. [naam 16] stond op dat moment onder de douche. [naam 1] had bij verdachte aangegeven dat zij weer terug wilde naar Groningen. Verdachte wilde dat niet en werd erg kwaad. [naam 1] zat overstuur op de bank toen verdachte een mes pakte en dat haar op de keel zette. Verdachte zei: “Als je naar Groningen wilt gaan, dan doe je dat maar. Maar niet levend”. “Als ik jou het leven zuur wil maken, dan lukt me dat ook heel goed, want ik ben een Turk”. Ook zei hij vaak: “onthoud goed dat ik een Turk ben”. Terwijl zij overstuur op de bank zat, hoorde [naam 1] dat [naam 15] tegen verdachte zei: “laten we hier een pistool regelen.” [naam 1] heeft dezelfde avond nog twee pistolen op het aanrecht zien liggen in het appartement aan de [adres]. [naam 1] vond het eng en durfde er, zeker na de bedreiging met het mes, niets van te zeggen. De dag na de bedreiging is [naam 1] bij verdachte weggegaan. Ook na haar vertrek heeft verdachte nog geprobeerd haar geld afhandig te maken. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van [naam 2], had verdachte gedurende zijn relatie met [naam 1] ook een relatie met [naam 2].

De verdediging heeft gewezen op tegenstrijdigheden in de verklaringen die door [naam 1] zijn afgelegd. De rechtbank acht, gelet op de verklaring van [naam 1] daarover bij de rechter-commissaris en de weergave van het verhoor in het proces-verbaal van 14 januari 2009, aannemelijk dat de verhorende verbalisanten tijdens dat verhoor onder meer de verklaring van 24 maart 2001 hebben voorgelezen, kennelijk om haar geheugen op te frissen. Die handelwijze brengt met zich dat de rechtbank met grote behoedzaamheid moet omgaan met de herinnering van [naam 1] aan die gebeurtenis.

De rechtbank hecht echter geloof aan de verklaring die [naam 1] op 24 maart 2001 heeft afgelegd, te meer nu zij in het kader van een onderzoek naar een ander strafbaar feit, spontaan, gedetailleerd en geloofwaardig heeft verklaard over haar relatie met verdachte en over de bedreiging. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan haar herinnering aan gebeurtenissen die één of twee maanden daarvoor hadden plaatsgevonden. De verklaring dat zij door verdachte is bedreigd met een mes, wordt ondersteund door de verklaring van [naam 16]. [naam 16] heeft verklaard dat [naam 1] haar heeft verteld dat zij door verdachte was bedreigd. Dat [naam 16] dit telefonisch heeft vernomen, is goed te rijmen met de door [naam 1] op 24 maart 2001 afgelegde verklaring dat [naam 16] op dat moment niet aanwezig was, maar onder de douche stond. Dat [naam 1] in 2009 een andere herrinnering heeft aan de daarbij aanwezige personen, komt de rechtbank niet vreemd voor en is voor de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de in 2001 afgelegde verklaring.

De rechtbank acht, gelet op de hiervoor weergegeven feiten, bewezen dat verdachte [naam 1] door andere feitelijkheden heeft gedwongen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Ook heeft verdachte opzettelijk voordeel getrokken uit de seksuele handelingen van [naam 1] en heeft hij [naam 1] door andere feitelijkheden gedwongen danwel uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen.

Ten aanzien van [naam 3]

[naam 3], geboren op [geboortedatum] 1983, heeft verklaard dat zij gedurende zes maanden een relatie heeft gehad met verdachte. Dat [naam 3] met verdachte een relatie heeft gehad, wordt ondersteund door de verklaring van [naam 17]. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor ten aanzien van [naam 2] is overwogen, had verdachte op dat moment ook een relatie met [naam 2]. De relatie met [naam 3] is gestart toen zij 18 jaar was. [naam 3] was toen werkzaam in de prostitutie. Gedurende de relatie is [naam 3] voor verdachte gaan werken. Na zo’n twee of drie maanden zei verdachte [naam 3] dat zij beter kon gaan sparen. [naam 3] gaf nadien het verdiende geld steeds aan verdachte. [naam 3] weet niet wat er met het geld is gebeurd en heeft niets van het geld terug gezien. [naam 3] heeft verdachte tweemaal gevraagd om geld voor kleding, maar heeft geen geld gekregen. Verdachte bracht [naam 3] naar de werkplek in Amsterdam en gaf [naam 3] het geld voor de huur van de kamer. Verdachte verbood [naam 3] om andere pooiers binnen te laten. Verdachte haalde haar weer op en bepaalde de werktijden. Hoewel [naam 3] liever in Den Haag wilde werken, en alleen wanneer zij wilde, heeft verdachte haar gezegd dat ze gewoon moest doorgaan in Amsterdam. Na verloop van tijd droeg verdachte [naam 3] op om langer door te werken om meer geld te verdienen. Als er in Amsterdam geen kamer vrij was, moest [naam 3] soms een weekend in Arnhem werken waar verdachte haar naar toebracht en weer ophaalde. In Arnhem moest [naam 3] in een huis verblijven.

Eenmaal is [naam 3] door anderen haar huis gebracht omdat zij niet door verdachte werd opgehaald. Die ochtend vroeg kwam verdachte bij [naam 3] langs om alsnog het verdiende geld op te halen. Nadat [naam 3] de relatie heeft beëindigd, is verdachte haar nog lastig blijven vallen door haar vaak te bellen en op haar werkplek in Den Haag te verschijnen.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 3] door feitelijkheden heeft gedwongen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde. Verdachte heeft handelingen ondernomen waarvan hij wist dat [naam 3] zich daardoor tot het verrichten van seksuele handelingen beschikbaar stelden. Verdachte heeft opzettelijk voordeel getrokken uit de seksuele handelingen die [naam 3] voor een derde tegen betaling verrichte terwijl verdachte wist dat [naam 3] zich onder die omstandigheden daartoe beschikbaar stelde. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 3] door feitelijkheden heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen.

Vrijspraakoverweging [naam 5]

De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen ten aanzien van [naam 5] zijn niet wettig en overtuigend bewezen. Naast de verklaring van [naam 5] is er geen ander bewijs voorhanden waaruit volgt dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft gepleegd. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de aan verdachte ten aanzien van [naam 5] ten laste gelegde gedragingen.

Bewijsoverweging feit 4 en 5 ([naam 4])

[naam 4] kreeg eind 2004 een relatie met verdachte. [naam 4] werkte op dat moment al in de prostitutie en gebruikte als werknaam onder meer: [naam 14]. [naam 4] gaf het geld dat zij verdiende af aan verdachte. [naam 4] mocht niet met andere meisjes praten. In het begin van de relatie heeft verdachte meerdere keren de deur op slot gedaan als hij wegging zodat [naam 4] het huis uit niet kon. Verdachte heeft [naam 4] wel eens geslagen.

Zoals blijkt uit hetgeen hierna nog zal worden overwogen ten aanzien van [naam 7], kreeg verdachte tijdens zijn relatie met [naam 4], ook een relatie met [naam 7]. Verdachte heeft tegen [naam 7] gezegd dat hij alleen een relatie had met [naam 4] voor het geld. Op een gegeven moment ging verdachte naar [naam 4] en kwam later terug met € 7.000,- die hij aan [naam 7] heeft laten zien.

[naam 4] had geen zeggenschap over het geld. Verdachte heeft voor [naam 4] een woning gehuurd in [woonplaats]. Terwijl [naam 4] geld afgaf aan verdachte, moest zij hard werken om de huur van de woning te bekostigen.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte aanvankelijk slechts een seksuele relatie had met [naam 4] en pas na het vertrek van [naam 7] een serieuze relatie met [naam 4] is aangegaan. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Voor de familie- en kennissenkring was duidelijk dat verdachte en [naam 4] een duurzame affectieve relatie hadden. Uit de verklaring van de vader van [naam 4] leidt de rechtbank af dat [naam 4] en verdachte reeds in mei 2006 zich ten opzichte van hem presenteerden als stel dat samenwoonde in [woonplaats]. Verdachte heeft in november 2008 verklaard drie a vier jaar met [naam 4] samen te wonen.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 4] door geweld en feitelijkheden heeft gedwongen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde. Verdachte heeft handelingen ondernomen waarvan hij wist dat [naam 4] zich daardoor tot het verrichten van seksuele handelingen beschikbaar stelden. Verdachte heeft opzettelijk voordeel getrokken uit de seksuele handelingen die [naam 4] verrichte terwijl verdachte wist dat [naam 4] zich onder die omstandigheden daartoe beschikbaar stelde. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 4] door feitelijkheden heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen.

Bewijsoverwegingen feit 4

Ten aanzien van [naam 7]

[naam 7], geboren op [geboortedatum] 1986, heeft verklaard dat zij 18 jaar was toen zij verdachte in juli of augustus 2005 leerde kennen. [naam 7] raakte onder de indruk van het voorkomen van verdachte, knap en breed, en van zijn luxe auto. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van [naam 4] is overwogen, volgt dat verdachte op dat moment reeds een relatie had met [naam 4]. Na de eerste ontmoeting hadden zij regelmatig telefonisch contact, contact per sms en ontmoetingen om te praten, te chillen en voor seksueel contact. Op een gegeven moment vroeg verdachte [naam 7] of zij bij hem wilde intrekken. Ondanks dat zij dat wel wilde, zei verdachte dat het beter was om uit elkaar te gaan. [naam 7] is daardoor gedurende een periode van twee weken neerslachtig geweest. Nadien is het contact hersteld en heeft verdachte [naam 7] gezegd dat hij haar in zijn leven wilde toelaten als zij voor hem wilde werken in de prostitutie. De dag van haar 19e verjaardag zag [naam 7] verdachte weer voor het eerst. Verdachte heeft [naam 7] die dag in de watten gelegd door cadeaus te geven, waaronder een gouden ring, en haar een romantische avond te bezorgen. De volgende dag is verdachte met [naam 7] naar Antwerpen gereden waar zij op voorstel van verdachte als prostituee ging werken. Verdachte heeft [naam 7] omgepraat waardoor zij uit liefde voor verdachte is gaan werken. Op de derde werkdag heeft verdachte [naam 7] gezegd dat zij de volgende keer het geld wel aan hem mocht geven. Dat heeft zij daarna gedaan. [naam 7] werkte vier a vijf dagen per week in Antwerpen waar verdachte haar naartoe bracht. Vanaf januari/februari 2006 zijn zij gaan samenwonen in [woonplaats] waar zij een half jaar hebben gewoond. [naam 7] werkte in die periode van 12.00-19.00 uur in Amsterdam en daarna tot 02.00 uur in Haarlem. Verdachte bracht haar altijd naar het werk. [naam 7] heeft na een paar maanden gezegd dat zij bij hem weg wilde. Verdachte heeft [naam 7] toen driemaal met de vuisten op het achterhoofd geslagen. Ook heeft verdachte [naam 7] toen verkracht. Na een paar maanden zowel in Amsterdam als in Haarlem te hebben gewerkt, is [naam 7] naar een vaste kamer in Utrecht gegaan. In die periode zijn [naam 7] en verdachte verhuisd naar [woonplaats]. [naam 7] wilde vaak bij hem weg, maar durfde het hem niet te zeggen. Verdachte haalde en bracht [naam 7] altijd naar Utrecht. Verdachte wilde niet dat [naam 7] met andere meisjes zou praten , dat [naam 7] omging met haar zus [naam 18] en hield haar van haar familie vandaan. [naam 7] heeft een tatoeage laten zetten met de naam “[verdachte]”. Verdachte had [naam 7] gezegd dat niemand een tatoeage van hem had terwijl haar later bleek dat er nog een meisje was die de naam van verdachte op haar lichaam had staan. Toen [naam 7] verdachte daarmee confronteerde, zei verdachte dat hij niet wilde dat zij met andere meiden praatte. Verdachte beheerde het geld dat [naam 7] aan hem gaf. [naam 7] weet niet waar het geld naartoe is gegaan. [naam 7] mocht bij verdachte weggaan op de voorwaarde dat zij € 20.000,- betaalde en zij niet zou gaan werken in Utrecht of Amsterdam danwel op de voorwaarde dat [naam 7] de helft van het te verdienen geld zou afstaan. Later werd de voorwaarde dat zij nergens meer mocht werken. Na € 20.000,- te hebben betaald, is [naam 7] in de loop van 2007 bij verdachte weggegaan. Na zo’n vijf maanden, op 5 oktober 2007 hebben verdachte en [naam 7] weer contact gekregen. Na een maand kreeg [naam 7] van een ander meisje te horen dat verdachte nog een andere vriendin had, [naam 4]. Toen [naam 7] aangaf dat zij geen relatie met hem wilde, terwijl hij ook [naam 4] had, vertelde verdachte haar dat [naam 4] er alleen was voor het geld. Op een gegeven moment liet verdachte [naam 7] weten dat hij naar [naam 4] ging en kwam hij later terug met € 7.000,-. Na nog een maand te hebben gewerkt, is [naam 7] op 2 januari 2008 bij verdachte weggegaan. In de periode dat verdachte en [naam 7] een relatie hebben gehad, heeft [naam 7] ongeveer anderhalf jaar gewerkt. Dat verdachte [naam 7] had geslagen, heeft haar ervan weerhouden om te stoppen met werken.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam 7] door dwang en geweld en door misleiding en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft geworven, vervoerd, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting. Verdachte heeft [naam 7] gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen. Ook heeft verdachte opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van [naam 7] en zich laten bevoordelen.

Vrijspraakoverweging [naam 8]

De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen ten aanzien van [naam 8] zijn niet wettig en overtuigend bewezen. Naast de verklaring van [naam 8] is er onvoldoende bewijs voor handen waaruit de overtuiging kan worden gekregen dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft gepleegd. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de ten aanzien van [naam 8] ten laste gelegde gedragingen.

Vrijspraakoverweging [naam 9] en [naam 10]

De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen ten aanzien van [naam 9] en [naam 10] zijn niet wettig en overtuigend bewezen. Uit het bewijsmateriaal dat voorhanden is, blijkt slechts dat bij [naam 9] en [naam 10] het vermoeden bestond dat verdachte betrokken was bij de bescherming die zou worden geboden in ruil voor het door [naam 10] aan [naam 19] betaalde beschermgeld. Enige onderbouwing voor dat vermoeden ontbreekt. De verklaring van [naam 18] kan niet als een dergelijke onderbouwing dienen nu zij haar stelling dat het beschermgeld mede voor verdachte was bestemd, juist heeft gebaseerd op de vermoedens van [naam 9]. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de ten aanzien van [naam 9] en [naam 10] ten laste gelegde gedragingen.

Bewijsoverweging feit 5 (Witwassen)

Uit de hiervoor weergegeven feiten, zoals blijkt uit de aangehaalde bewijsmiddelen, volgt dat verdachte geldbedragen voorhanden heeft gehad uit de door de verschillende meisjes verrichte prostitutiewerkzaamheden, terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf.

Bewijsoverweging feit 6 ([naam 11])

[naam 11] heeft verklaard dat zij op 21 juni 2008 zich in Rotterdam bevond samen met een aantal anderen. Zij kregen ruzie met een groep jongens. Eén van de jongens had een Turkse vlag bij zich. Deze jongen kwam op een gegeven moment uit de groep naar voren en gaf haar plotseling met kracht een harde klap met een vuist op haar linkeroog en wang. [naam 11] had daarvan hevige pijn en heeft een rood en opgezet linkeroog opgelopen. [naam 11] heeft in aanwezigheid van de politie verdachte aangewezen als dader. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij een Turkse vlag bij zich had en dat hij [naam 11] een klap heeft gegegeven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 2:

op tijdstippen in de periode van [geboortedatum] 2000 tot en met 20 oktober 2001 te Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Utrecht en/of te Arnhem,

de minderjarige [naam 2] (geboren [geboortedatum] 1983), ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en ten aanzien van die [naam 2] enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte en wist dat die minderjarige zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelde,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die minderjarige [naam 2] met een derde tegen betaling,

en

de minderjarige [naam 2] door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen,

hebbende verdachte

- een relatie met die minderjarige [naam 2] aangeknoopt en onderhouden, en

- die [naam 2] één of meermalen onderdak verschaft, en

- die [naam 2] één of meermalen geslagen en

- die [naam 2] gedwongen en ertoe aangezet prostitutiewerkzaamheden te verrichten, en

- die [naam 2] te vervoeren naar haar werkkamer, en

- een vervalst paspoort (met gebruikmaking van de gegevens van [naam 1], geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]) aan die [naam 2] gegeven, zodat die [naam 2] daarmee een werkkamer kon huren en prostitutiewerkzaamheden kon verrichten, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door die [naam 2] laten afstaan;

feit 3:

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2005 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Arnhem en/of te Den Haag en/of te Haarlem en/of te Utrecht,

anderen, te weten [naam 3] en [naam 2] en [naam 4] en [naam 5] [naam 1]

door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling

en

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte wist dat die [naam 3] en [naam 2] en [naam 4] [naam 1] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelden,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [naam 3] en [naam 2] en [naam 4] [naam 1] met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl verdachte wist dat die [naam 3] en [naam 2] en [naam 4] [naam 1], zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelden tot het plegen van die handelingen,

en

die [naam 3] en [naam 2] en [naam 4] [naam 1] door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengst van hun seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen,

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of die misleiding en/of dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat hij, verdachte

ten aanzien van [naam 3] in de periode van 13 mei 2001 tot 1 januari 2002

- een relatie met die [naam 3] is aangegaan en heeft onderhouden, en

- die [naam 3] meermalen onderdak heeft verschaft en

- die [naam 3] (telkens) naar haar werk heeft gebracht en/of van haar werk heeft opgehaald, en/of

- wanneer er voor die [naam 3] geen (werk)kamer in Amsterdam beschikbaar was voor die [naam 3] een kamer in Arnhem heeft geregeld en

- de werktijden in de prostitutie voor die [naam 3] heeft bepaald, en

- tegen die [naam 3] heeft gezegd dat zij haar geld beter kon opsparen, en

- vervolgens tegen die [naam 3] heeft gezegd dat hij, verdachte het door [naam 3] verdiende geld zou bewaren, althans voor die [naam 3] het door haar verdiende geld zou (op)sparen, en

- die [naam 3] onder druk heeft gezet om extra uren per dag te blijven werken als prostituee, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door die [naam 3] heeft laten afstaan, en

- tegen die [naam 3] heeft gezegd dat zij geen andere pooiers in haar werkkamer mocht toelaten,

en

ten aanzien van [naam 2] in de periode van 21 oktober 2001 tot 1 november 2003

- een relatie met die [naam 2] heeft onderhouden, en

- die [naam 2] onderdak heeft verschaft, en

- die [naam 2] eenmaal heeft geslagen en/of geschopt, en

- gebruikmakend van de gevoelens van die [naam 2] voor hem, verdachte die [naam 2] heeft gedwongen en ertoe heeft aangezet om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door die [naam 2] heeft laten afstaan, en

- die [naam 2] heeft gedwongen om bij hem, verdachte, te blijven en die [naam 2] heeft belet om terug te gaan naar haar moeder en/of haar familie, en

- die [naam 2] onder druk heeft gezet, waarbij hij, verdachte die [naam 2] de woorden heeft toegevoegd: "Als je niet bij mij terugkomt dan maak ik jouw leven en het leven van je familie tot een hel", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- die [naam 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Als je niet met mij meegaat, hoef je die tieten ook niet te hebben", en

- de familieleden van die [naam 2] heeft bedreigd,

en

ten aanzien van [naam 4] in de periode van 15 mei 2004 tot 1 januari 2005

- met die [naam 4] een relatie is aangegaan en heeft onderhouden, en

- die [naam 4] onderdak heeft verschaft, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, en

- die [naam 4] heeft gezegd dat hij, verdachte, het door die [naam 4] verdiende geld mede voor haar op een Turkse bankrekening had gezet en

- die [naam 4] heeft geslagen,

en

ten aanzien van [naam 1] in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 april 2001

- met die [naam 1] een relatie heeft aangeknoopt, en

- die [naam 1] onderdak heeft verschaft, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door haar heeft laten afstaan, en

- nadat die [naam 1] tegen verdachte had gezegd dat zij weer terug naar Groningen wilde een mes op de keel van die [naam 1] heeft gezet en die [naam 1] daarbij de woorden heeft toegevoegd: “Als je naar Groningen wil dan doe je dat maar, maar niet levend. Als ik jou het leven zuur wil maken dan lukt me dat ook heel goed want ik ben een Turk” en “niemand komt van mij af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en

- in aanwezigheid van en zichtbaar voor die [naam 1] een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

feit 4:

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 11 november 2008 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Arnhem en/of te Den Haag en/of te Haarlem en/of te Utrecht,

anderen, te weten [naam 4] en [naam 7],

door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [naam 7] en [naam 4],

en

die [naam 7] en [naam 4] met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam 7] en [naam 4]

en

die [naam 7] en [naam 4] met een van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [naam 7] en [naam 4]

bestaande die dwang en/of dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of die misleiding en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en/of dat voordeel trekken hierin dat hij, verdachte

ten aanzien van [naam 4] in de periode van 1 januari 2005 tot 11 november 2008

- met die [naam 4] een relatie heeft onderhouden, en

- die [naam 4] onderdak heeft verschaft, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en die [naam 4] weinig van haar verdiensten heeft laten houden, en

- het door die [naam 4] in de prostitutie verdiende geld (gedeeltelijk) op een Turkse bankrekening heeft gezet, en

- die [naam 4] één of meermalen heeft geslagen,

en

ten aanzien van [naam 7] in de periode van 7 oktober 2005 tot 1 januari 2008

- een relatie met die [naam 7] is aangegaan en heeft onderhouden, en

- die [naam 7] cadeaus heeft gegeven en aandacht heeft gegeven en die [naam 7] heeft verwend en die [naam 7] daardoor verliefd op hem, verdachte heeft laten worden, en

- met gebruikmaking van haar gevoelens voor hem die [naam 7] onder druk heeft gezet en de indruk heeft gegeven dat als zij bij hem, verdachte, wilde blijven zij prostitutiewerkzaamheden moest verrichten, en

- tegen die [naam 7] heeft gezegd dat zij de enige liefdespartner van hem, verdachte, was en

- die [naam 7] onderdak heeft verschaft door haar in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven, en

- die [naam 7] heeft meegenomen naar de rosse buurt in Antwerpen en die [naam 7] daar wegwijs heeft gemaakt in de prostitutie, en in de prostitutie heeft gebracht, en

- die [naam 7] naar haar werk in de prostitutie heeft gebracht, en

- die [naam 7] een tatoeage heeft laten zetten met de naam ‘[verdachte].’, en haar daarbij in de waan heeft gelaten dat zij de enige was met een dergelijke tatoeage, en

- die [naam 7] (telkens) heeft verboden met haar zus om te gaan, en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door die [naam 7] heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en

- nadat die [naam 7] had aangegeven dat zij wilde stoppen met de prostitutiewerkzaam-heden hij die [naam 7] heeft geslagen, en

- die [naam 7] heeft verkracht, en

- die [naam 7] heeft gedwongen om hem, verdachte, € 20.000,- te geven om van hem af te komen en zichzelf vrij te kopen, en

- die [naam 7] heeft verboden met andere mensen te praten, en heeft verboden prostitutiewerkzaamheden te verrichten in Amsterdam en Utrecht, als zij niet meer voor hem, verdachte, zou werken;

feit 5:

op tijdstippen in de periode van 14 december 2001 tot en met 11 november 2008 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Arnhem en/of te Den Haag en/of te Haarlem en/of te Utrecht, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte geldbedragen voorhanden gehad, te weten

- een groot deel van de verdiensten uit de door [naam 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden en

- een groot deel van de verdiensten uit de door [naa[naam 3] verrichte prostitutiewerkzaamheden en

- een groot deel van de verdiensten uit de door [naam 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden en

- een groot deel van de verdiensten uit de door[naam 7] verrichte prostitutiewerkzaamheden

terwijl hij telkens wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit misdrijf;

feit 6:

op of omstreeks 21 juni 2008 te Rotterdam opzettelijk mishandelend [naam 11] met kracht met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [naam 11] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 2: een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

ten aanzien van een ander enige handeling ondernemen waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is

en

een ander door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld dwingen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen

Feit 3: een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de eerder genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen

en

een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen,

meermalen gepleegd

Feit 4: mensenhandel, meermalen gepleegd

Feit 5: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd

Feit 6: mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting met betrekking tot de strafmaat aangevoerd dat teneinde enige eenvormigheid in de strafeis aan te brengen, er binnen het Openbaar Ministerie afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de strafeis bij mensenhandel, en dan met name gericht op de seksuele uitbuiting. Het startpunt bij voornoemde situatie, waarin wordt meegenomen dat een slachtoffer op het moment van starten in de prostitutie, zelf wel bezwaar heeft tegen dit werk, is negen maanden gevangenisstraf per slachtoffer. Daarmee worden nadrukkelijk ook de vrouwen bedoeld die vanuit hun gevoelens voor verdachte, en als gevolg van zijn handelen, in de prostitutie terecht zijn gekomen.

Vervolgens moet volgens deze afspraken rekening worden gehouden met een aantal factoren die drie extra maanden per slachtoffer opleveren. De relevante factoren waar in deze zaak rekening mee moet worden gehouden zijn de bedreiging van de slachtoffers, de mishandelingen, het feit dat er veel langer dan drie maanden sprake was van uitbuiting, het doorwerken tijdens menstruatie en ziekte, het meer dan vijf dagen per week werken en het draaien van dubbele diensten.

Uitdrukkelijk is in deze afspraken opgenomen dat het feit dat een slachtoffer ontkent slachtoffer te zijn, niet als strafverlichtende omstandigheid moet worden meegewogen. Hetzelfde geldt voor de redenering dat een slachtoffer voor de uitbuitingsituatie al in de prostitutie werkzaam was, of na de uitbuitingssituatie in de prostitutie is blijven werken.

De afspraken zoals eerder genoemd, zijn volgens de officier van justitie vastgelegd in een notitie die rond 2005 tot stand is gekomen. Een belangrijk aspect komt volgens de officier van justitie in deze notitie echter volstrekt onvoldoende naar voren, namelijk de duur van de uitbuiting. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen seksuele uitbuiting die langer dan drie maanden heeft geduurd, en uitbuiting die vele jaren heeft geduurd. Dit uitgangspunt is aan een persoon die vele jaren is uitgebuit natuurlijk niet uit te leggen en de officier heeft dan ook in belangrijke mate gewicht toegekend aan de duur van de uitbuiting.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen goederen, zoals vermeld op aangehechte bijlage met de nummers 1 tot en met 4, zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende en dat het goed met het nummer 7 teruggeven zal worden aan verdachte.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om de vordering van de benadeelde partij [naam 5] (hoofdelijk) toe te wijzen voor zover die betrekking heeft op het immateriële gedeelte, te weten € 3.000,- en de vordering van de benadeelde partij [naam 7] geheel toe te wijzen, alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de straf naar voren gebracht dat de strafeis exorbitant hoog is. De verdediging heeft verwezen naar andere zaken waarin ernstiger feiten bewezen zijn verklaard en desondanks lagere straffen zijn opgelegd. Ook indien wordt uitgegaan van de door de officier van justitie gehanteerde nota, is de strafeis niet begrijpelijk. De verdediging heeft erop gewezen dat de aangeefsters verdachte omschrijven als een lieve en aardige jongen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Het onvrijwillig in de prostitutie houden van vrouwen en het financieel uitbuiten van deze vrouwen is zeer ernstig. Een groot aantal vrouwen heeft uit liefde voor verdachte gewerkt in de prostitutie. Verdachte heeft een aantal slachtoffers tegelijk de indruk gegeven dat zij een echte liefdesrelatie met hem hadden. Bij het opleggen van de straf acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang dat de slachtoffers gevoelens voor verdachte hadden en sommigen nog steeds warme gevoelens voor hem zeggen te hebben. Deze gevoelens zijn juist in de hand gewerkt door de door verdachte gehanteerde misleiding. Een aanzienlijk aantal slachtoffers is zeer aangedaan door wat zij hebben meegemaakt en is erg bang voor verdachte en zijn vriendenkring.

Verdachte had geen respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van deze vrouwen. Door verdachte zijn de vrouwen gemaakt tot willoze individuen, met wie zeer veel geld kon worden verdiend.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij gedurende de behandeling van zijn strafzaak niet heeft laten merken te beseffen wat hij zijn slachtoffers heeft aangedaan.

Ook de naasten van de slachtoffers hebben van het handelen van verdachte te lijden gehad. Meermalen is gebleken dat de familieleden van de slachtoffers eveneens gebukt gaan onder hetgeen met hun dochter of zusje is gebeurd, waarbij een verwijdering van het slachtoffer van haar familie diepe indruk maakt.

De rechtbank heeft bij de hoogte van de straf allereerst rekening moeten houden met de omstandigheid dat de door de officier van justitie geëiste straf niet kan worden opgelegd voor de feiten die door de rechtbank bewezen zijn verklaard. Het Wetboek van Strafrecht staat in dit geval een maximale gevangenisstraf van acht jaren toe. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf uitdrukkelijk rekening met zowel de duur van de uitbuiting als met veroordelingen van andere rechterlijke college’s in soortgelijke zaken. De rechtbank heeft aansluiting bij deze rechtspraak gezocht, rekening houdend met de feiten en omstandigheden zoals hiervoor naar voren is gekomen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht alles overwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, passend en geboden.

7 De benadeelde partij

7.1 De benadeelde partij [naam 5]

De benadeelde partij [naam 5] vordert een schadevergoeding van € 33.000,- voor feit 3.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7.2 De benadeelde partij [naam 7]

De benadeelde partij [naam 7] vordert een schadevergoeding van € 156.000,- voor feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 20.000,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 15.000,- ter zake van materiële schade en € 5.000,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 250a (oud), 273a, 273f, 300, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 2: een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

ten aanzien van een ander enige handeling ondernemen waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is

en

een ander door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld dwingen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen

Feit 3: een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de eerder genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen

en

een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen,

meermalen gepleegd

Feit 4: mensenhandel, meermalen gepleegd

Feit 5: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd

Feit 6: mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 4;

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 7;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 5] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 7] van € 20.000,-, waarvan € 15.000,- ter zake van materiële schade en € 5.000 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 7], € 20.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2009.