Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK7353

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
KK 09-1203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering wegens niet nakomen betalingsverplichting voor huurobjecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM KORT GEDING

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : KK 09-1203

Datum : 15 december 2009

438

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam op de vordering in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap HEINEKEN NEDERLAND B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

eiseres

nader te noemen Heineken

gemachtigde: mr. S.M. van der Zwan

t e g e n:

1. de besloten vennootschap GOUDEN KOOI B.V.

nader te noemen Gouden Kooi

en

2. de besloten vennootschap KROPA EXPLOITATIE B.V.

nader te noemen Kropa

beiden kantoorhoudende te Lelystad

gedaagden

gemachtigde: mr. O. Hammerstein

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 25 november 2009 heeft Heineken een voorziening gevorderd.

Ter terechtzitting van 8 december 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Heineken is verschenen bij [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] en haar gemachtigde. Gedaagden zijn verschenen bij [persoon 5] en hun gemachtigde.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende

1.1. Op 17 april 2008 hebben Heineken en Gouden Kooi een tweetal (nagenoeg gelijkluidende) huurcontracten ondertekend waarbij Heineken aan Gouden Kooi verhuurde de bedrijfsruimten aan de Reguliersdwarsstraat 42-I respectievelijk 42 bg te Amsterdam tegen een huurprijs van tweemaal € 106.206,- per jaar, jaarlijks per 1 oktober bij vooruitbetaling te voldoen.

1.2. De huurprijzen zijn per 1 juli 2009 geïndexeerd en bedragen thans tweemaal € 129.597,88 per jaar.

1.3. Heineken huurt de betreffende bedrijfspanden op haar beurt van Plassania Beheer B.V. (hierna: Plassania).

1.4. De feitelijke exploitant van de in het gehuurde gevestigde horecabedrijven, Reguliers B.V., is een 100% dochter van Gouden Kooi.

1.5. Plassania, Gouden Kooi en Kropa zijn vennootschappen die behoren, althans behoorden, bij – kort gezegd – het concern dat gecontroleerd wordt door [persoon 1], hierna te noemen: het [persoon 1]-concern. [persoon 5] is directeur van zowel Gouden Kooi als Kropa.

1.6. Heineken is aan Plassania dezelfde huurprijs verschuldigd als – volgens bovenbedoelde huurcontracten – Gouden Kooi aan Heineken. Tot medio maart 2009 werden beide betalingen verricht door tussenkomst van een derdenrekening van een notariskantoor, waarbij het [persoon 1]-concern enerzijds en Heineken anderzijds de betreffende betalingen – afgezien van een kortstondig depot van het huurbedrag op die rekening – feitelijk met gesloten beurzen afhandelden. Deze gang van zaken werd door partijen aangeduid als het ‘notarisrondje’.

1.7. Op 16 maart 2009 heeft een bespreking plaats gevonden tussen een vertegenwoordiger van Heineken en [persoon 1]. Daarbij is onder meer aan de orde gekomen dat de ‘pachtovereenkomsten’ met de exploitanten van de betreffende de horecabedrijven niet langer ‘vanuit’ Plassania maar ‘vanuit’ Gouden Kooi zouden gaan ‘gelden’, dat een einde zou komen aan het ‘notarisrondje’ omdat zowel de hoofdhuur als de onderhuur voortaan feitelijk zouden worden betaald, en dat Plassania borg zou staan voor de kosten van leveranties van Heineken aan de pachters.

1.8. Op 16 maart 2009 heeft Kropa aan Heineken verzocht om in de plaats te worden gesteld van Gouden Kooi als huurster, bij alle huurcontracten tussen genoemde partijen, waaronder de onderhavige.

1.9. Daarop heeft Heineken een tweetal ‘akten van indeplaatsstelling’ opgesteld, waarin werd bepaald dat Kropa bij de onder 1.1 bedoelde huurcontracten in de plaats van Gouden Kooi zou worden gesteld. Deze akten zijn niet door Kopra ondertekend.

Vordering

2. Heineken vordert als voorziening in het geschil dat hen verdeeld houdt Gouden Kooi, althans Kopra, te veroordelen tot betaling van tweemaal € 211.375,59 wegens huurachterstand voor beide huurobjecten, inclusief te termijnen die per 1 oktober 2009 vervielen, inclusief rente tot en met 30 oktober 2009, te vermeerderen met de contractuele rente over deze bedragen ad 1% per maand ingaande 1 november 2009. Voorts vordert Heineken om Gouden Kooi, althans Kopra, te veroordelen tot betaling van tweemaal € 129.597,- per jaar, telkens per 1 oktober te voldoen, voor het eerst op 1 oktober 2010. Voorwaardelijk, voor zover niet binnen veertien dagen de huurachterstand c.a. zal zijn voldaan, vordert Heineken Gouden Kooi, althans Kopra te veroordelen om het gehuurde te ontruimen en ter beschikking van Heineken te stellen (met uitzondering van de verpande activa en de bruikleengoederen waarop Heineken rechten kan doen gelden), en voorts gedaagden te verbieden om de gehuurde objecten daarna weer te betreden of daarin te verblijven onder verbeurte van een dwangsom, met machtiging van Heineken de ontruiming zelf te bewerkstelligen met de hulp van de sterke arm.

3. Heineken stelt dat zij een huurovereenkomst is aangegaan met Gouden Kooi en dat de betalingsverplichtingen daaruit niet worden nagekomen. Met Kropa is geen overeenstemming bereikt over een indeplaatsstelling, waardoor Gouden Kooi betalingsplichtig is gebleven, aldus Heineken. Subsidiair, in het geval Kopra wel als in de plaats gestelde huurster wordt aangemerkt, is Kropa gehouden de huurprijs te voldoen. Heineken wijst er op dat zij zelf haar betalingsverplichtingen jegens Plassania is nagekomen. De overige afspraken met en tussen de diverse vennootschappen behorende tot het [persoon 1]-concern zijn volgens Heineken niet relevant voor de betalingsverplichtingen van Gouden Kooi of Kropa. Heineken stelt – mede gelet op de hoogte en duur van de huurachterstand – een spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben.

Verweer

4. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering en voeren - kort gezegd - aan dat Heineken eigenlijk een verklaring voor recht vordert omtrent de vraag wie huurder is, in welke vordering zij in kort geding niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voorts is er volgens gedaagden geen sprake van een inhoudelijk geschil maar wordt het uitblijven van betaling slechts veroorzaakt door fouten van medewerkers van Heineken. Eerst moeten de rechtsverhoudingen tussen Heineken en de diverse andere vennootschappen helder en deugdelijk worden geregeld, aldus gedaagden. Volgens gedaagden is nimmer sprake geweest van een in rechte afdwingbare huurovereenkomst tussen Heineken en Gouden Kooi. Gouden Kooi betrof slechts een lege BV die tussen Heineken en (de pachter behorende tot) het [persoon 1]-concern werd gezet teneinde aan bepaalde regels te voldoen waaronder Heineken gerechtigd was om de horecabedrijven aan haar leveringen te binden. Gedaagden verwijzen naar afspraken die op 16 maart 2009 zijn gemaakt. Daarbij is Heineken volgens gedaagden akkoord gegaan met de indeplaatsstelling van Gouden Kooi door Kropa. Omdat, nu feitelijk diende te worden betaald, Kropa incasso-risico loopt en bij wanbetaling door de pachter of door andere oorzaken in betalingsproblemen kan komen te verkeren, verlangde Heineken echter ten onrechte dat Kropa hetzelfde huurbedrag zou betalen als Gouden Kooi deed. Daaromtrent kunnen en moeten partijen andere afspraken maken, aldus gedaagden.

Beoordeling

5. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt.

6. Anders dan gedaagden aanvoeren heeft de vordering van Heineken geen betrekking op een verklaring voor recht. Wel dient voor een beoordeling van de vordering (eventueel) een voorlopig oordeel te worden gegeven omtrent de voorvraag welke vennootschap thans als huurster moet worden aangemerkt. Of dat in dit kort geding mogelijk is zal hierna blijken.

7. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van Heineken in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

8. De stellingen van gedaagden komen er op neer dat de onder 1.1 bedoelde huurovereenkomsten niet als afzonderlijke, in rechte afdwingbare huurovereenkomsten kunnen worden aangemerkt omdat zij slechts betekenis hebben binnen het gehele raamwerk van afspraken omtrent gebruik van de panden, leveranties, kortingen, borgstellingen en wat dies meer zij, tussen het [persoon 1]-concern enerzijds en Heineken anderzijds. Gedaagden hebben daartoe bovendien aangevoerd dat Gouden Kooi een lege BV betrof en dat zij nimmer (ook niet tot medio maart 2009) feitelijk enige huur heeft betaald of ontvangen.

9. Deze stellingen van gedaagden worden niet gevolgd. Reeds omdat, naar Heineken onbetwist heeft gesteld, de feitelijke exploitant van het horecabedrijf een 100% dochter is van Gouden Kooi kan Gouden Kooi niet worden aangemerkt als een lege BV, althans als een vennootschap die moet worden vereenzelvigd met Plassania of een andere vennootschap. Nu zowel Gouden Kooi als Plassania behoren (althans in de betreffende periode behoorden) tot hetzelfde concern, vormt het feit dat Gouden Kooi niet feitelijk aan Heineken betaalde en dat Heineken niet feitelijk aan Plassania betaalde op zichzelf onvoldoende reden om de beide rechtsverhoudingen niet als huurovereenkomsten aan te merken. Het staat de verhuurder in beginsel immers vrij om te bepalen op welke wijze de huur dient te worden betaald (i.c. door verrekening tussen vorderingen op en van vennootschappen van hetzelfde concern). Dat er naast de huurovereenkomsten tussen de diverse vennootschappen nog andere afspraken en overeenkomsten van toepassing waren doet – naar voorlopig oordeel – evenmin af aan de rechtsgeldigheid van de onderhavige huurovereenkomsten, aan het feit dat Gouden Kooi daarbij partij is en aan de opeisbaarheid van daaruit voortvloeiende verbintenissen.

10. Uit het voorgaande volgt dat er – voorlopig oordelend – van uit wordt gegaan dat tussen Heineken en Gouden Kooi sprake was van een huurovereenkomst op grond waarvan Gouden Kooi verplicht was tot huurbetaling aan Heineken.

11. Gouden Kooi voert daarnaast aan dat zij van bovenbedoelde betalingsverplichting is ontslagen omdat haar plaats als huurder is ingenomen door Kropa middels contracts-overname of indeplaatsstelling. Voor beide vormen van contractsovergang is de medewerking van Heineken noodzakelijk. Heineken heeft die medewerking (onder meer) afhankelijk gesteld van het tekenen door Kropa van de door Heineken opgestelde akten van indeplaatsstelling. Daarin wordt Kropa verplicht tot betaling van dezelfde huurprijs als Gouden Kooi voordien verschuldigd was. Kropa is met deze laatste voorwaarden niet akkoord gegaan. Daardoor is niet aannemelijk dat tussen Heineken en Kropa wilsovereenstemming is bereikt omtrent de (hoofdpunten van de) door Kropa beoogde indeplaatsstelling.

12. Nu gesteld noch gebleken is dat de huurovereenkomst tussen Heineken en Gouden Kooi en de daaruit voor Gouden Kooi voortvloeiende verplichtingen op enige andere wijze een einde is gekomen, volgt uit het voorgaande dat Gouden Kooi aansprakelijk is gebleven voor het nakomen van de betalingsverplichtingen uit de onder 1.2 bedoelde huurovereenkomsten.

13. Uit het voorgaande volgt tevens dat de vorderingen jegens Kropa niet toewijsbaar zijn. Nu Kropa door haar opstelling de onderhavige procedure noodzakelijk heeft gemaakt zal dit geen consequenties hebben voor de proceskosten.

14. Hetgeen Gouden Kooi heeft aangevoerd omtrent eventuele fouten of onvolkomenheden van medewerkers van Heineken vormt – wat daar ook van zij – geen grond voor een (eventueel) beroep op opschorting door Gouden Kooi.

15. Gouden Kooi heeft de hoogte van de gevorderde huurachterstand c.a. niet betwist, zodat deze jegens haar toewijsbaar is. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gevorderde rente.

16. De huurachterstand is zodanig dat, voorlopig oordelend, wordt geconcludeerd dat een vordering tot ontbinding in een bodemprocedure zoveel kans van slagen heeft dat het vooruitlopen daarop door toewijzing van de (voorwaardelijk) gevorderde ontruiming in dit geval gerechtvaardigd is.

17. De vorderingen gericht op betaling van toekomstige, thans nog niet opeisbare huurtermijnen zijn niet toewijsbaar omdat daarvoor onvoldoende is gesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vordering van een verbod om het gehuurde, na een eventuele ontruiming, weer in gebruik te nemen.

18. Derhalve wordt de vordering toegewezen als hieronder wordt bepaald.

19. Hetgeen betaald zal worden ingevolge de veroordeling tot betaling hieronder uitgesproken, strekt als voorschot op hetgeen als te betalen zal worden toegewezen in de beslissing in de bodemprocedure terzake van onderhavig geschil.

20. Gelet op de afloop van de procedure worden gedaagden veroordeeld in de kosten gevallen aan de zijde van Heineken.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt Gouden Kooi om aan Heineken te betalen € 422.751,18 wegens huurachterstand, inclusief te termijnen die per 1 oktober 2009 vervielen, te vermeerderen met de contractuele rente over € 422.751,18 ad 1% per maand ingaande 1 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Gouden Kooi om het gehuurde aan de Reguliersdwarsstraat 42-I en de Reguliersdwarsstraat 42 bg te Amsterdam te ontruimen en ter beschikking van Heineken te stellen, met uitzondering van de verpande activa en de bruikleengoederen waarop Heineken rechten kan doen gelden, met machtiging van Heineken de ontruiming zelf te bewerkstelligen met de hulp van de sterke arm;

III. bepaalt dat Heineken aan de veroordeling als bedoeld onder II. geen rechten kan ontlenen indien Gouden Kooi binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan aan de onder I. bedoelde veroordeling tot betaling;

IV. veroordeelt Gouden Kooi en Kropa in de kosten van het geding aan de zijde van Heineken gevallen (met dien verstande dat bij betaling door de één de ander zal zijn bevrijd), tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 208,00

- voor het exploot van dagvaarding € 72,25

- voor salaris van gemachtigde € 400,00

In totaal: € 680,25

één en ander, voorzover verschuldigd, inclusief BTW;

V. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter