Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6674

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
AWB 08-5069 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag van hoofdbrandwacht wegens plichtsverzuim. Niet tijdige ziekmelding en in strijd met de afspraken niet tijdig contact opgenomen met de bedrijfsarts. Gelet op voorgeschiedenis is ontslag niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/5069 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. D.H. Sloof,

en

het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland,

gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde T.J. Kriek.

1. Procesverloop

Eiser is sinds 1 september 1979 in dienst van de brandweer en laatstelijk bevorderd tot Hoofdbrandwacht in november 2000.

Verweerder heeft bij besluit van 22 april 2008 aan eiser meegedeeld dat hij met directe ingang voor de duur van twee maanden is geschorst op grond van artikel 911, eerste lid, onder b, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) en dat het voornemen bestaat eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. De aanleiding voor deze maatregel is het gedrag van eiser op en na 15 april 2008.

Verweerder heeft bij besluit van 4 juni 2008 aan eiser met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van artikel 1003, eerste lid, onder f, van het ARA.

Bij besluit van 11 november 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met overneming van het advies van de bezwaaradviescommissie (de commissie) van 24 oktober 2008.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2009. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Voorgeschiedenis

2.1.1. Eiser is bij besluit van 19 februari 2003 gestraft met een schriftelijke berisping op grond van het bepaalde in artikel 1003, eerste lid, onder a, van het ARA, omdat hij bij aanvang van de dienst nog onder invloed van alcohol verkeerde.

2.1.2. Op 25 juni 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, zijn kazernechef [persoon 1] en een P&O-adviseur naar aanleiding van het aantal ziekmeldingen van eiser, waarbij hij steeds heeft nagelaten contact op te nemen met de bedrijfsarts. Met eiser is tijdens dit gesprek onder meer afgesproken dat hij zich houdt aan het ziekteverzuimbeleid van de Brandweer Amsterdam, dat eiser ervoor zorgt dat hij bereikbaar is tijdens zijn ziekte, dat eiser zich bij elke ziekmelding dezelfde dag meldt bij de bedrijfsarts van KLM-Arbo services en dat het initiatief nadrukkelijk bij eiser ligt. Eiser heeft deze afspraken voor akkoord getekend.

2.1.3. Bij besluit van 5 april 2005 is eiser gestraft met een voorwaardelijk ontslag op grond van artikel 1003, onder f, van het ARA, omdat eiser op 16 februari 2005 onder invloed van alcohol op het werk is verschenen.

2.1.4. Bij besluit van 15 december 2005 is eiser gestraft met een schriftelijke berisping op grond van artikel 1003, onder a, van het ARA, onder meer omdat hij zich op 7 oktober 2005 en 2 november 205 heeft ziek gemeld dan wel zich niet hersteld heeft gemeld zonder contact op te nemen met de bedrijfsarts. Eisers afwezigheid is ingehouden op zijn bezoldiging.

2.1.5. Op 16 november 2006 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld zonder dezelfde dag contact op te nemen met de bedrijfsarts. Bij besluit van 19 december 2006 is verweerder overgegaan tot inhouding van de bezoldiging van eiser over de diensturen op 16 november 2006. Daarbij heeft verweerder aan eiser een laatste waarschuwing gegeven en eiser dringend verzocht – hetgeen tevens is op te vatten als een dienstopdracht – om zich te houden aan de ziekteverzuimvoorschriften, alsmede aan de afspraken die zijn gemaakt op 25 juni 2004. Indien wederom wordt geconstateerd dat eiser zich niet heeft gehouden aan de voor hem geldende aanwijzingen en/of voorschriften, zal worden overgegaan tot strafontslag.

2.2. Standpunten van partijen

2.2.1. Verweerder heeft eiser verweten dat hij zich op 15 april 2008, zonder enig bericht vooraf, niet om 8.00 uur heeft gemeld voor zijn dienst. Eiser had zich tijdig moeten ziek melden bij de kazerne of de alarmcentrale (die 24 uur per dag beschikbaar is). Door dit niet te doen heeft hij een risico genomen dat volledig voor zijn rekening komt. Dat eiser vijf keer tevergeefs de kazerne heeft gebeld, nadat hij die dag om 9.00 uur wakker was geworden, is volgens verweerder niet door hem aannemelijk gemaakt. Uit het rapport van de afdeling Informatievoorziening en Automatisering blijkt dat er op 15 april 2008 geen inkomend gesprek van de mobiele telefoon van eiser is geregistreerd. Wel staat vast dat de bevelvoerder op 15 april 2008 twee keer heeft gebeld naar het mobiele nummer van eiser, maar dat de telefoon niet werd aangenomen. Toen hij om 10.30 uur weer belde, nam eiser het gesprek aan waarna hij zich ziek meldde. Volgens verweerder is niet duidelijk waarom eiser, uitgaande van zijn stelling dat hij geen contact kon krijgen met de kazerne, geen contact heeft opgenomen met een andere leidinggevende en met name is het niet duidelijk waarom hij geen contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts. De stelling van eiser dat hij daaraan niet heeft gedacht en eerst zijn bevelvoerder wilde spreken, kan geen verontschuldiging vormen gelet op de gemaakte afspraken en de vele waarschuwingen.

Aan eiser wordt voorts tegengeworpen dat hij niet onmiddellijk na het telefonisch contact met zijn bevelvoerder op 15 april 2008 om 10.30 uur contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts, maar pas de volgende dag rond het middaguur. Volgens verweerder is uit informatie van de bedrijfsarts niet gebleken dat eiser op 15 en 16 april 2008 om psychische redenen niet in staat was om adequaat te reageren. Gelet op de voorgeschiedenis dient bij de belangenafweging geen doorslaggevend gewicht te worden toegekend aan het belang van eiser.

2.2.2. Volgens eiser heeft verweerder geen althans onvoldoende aandacht beteed aan zijn depressieve stoornis, terwijl zijn psychische gesteldheid bij verweerder bekend is. Eiser heeft wel degelijk geprobeerd telefonisch contact op te nemen met zijn leidinggevende. Als gevolg van zijn depressieve stoornis had eiser een verminderde concentratie en was ook zijn vermogen tot helder en logisch nadenken verminderd. Om deze reden kan eiser niet worden verweten dat hij niet op andere wijze heeft geprobeerd contact op te nemen. Gelet op zijn psychische toestand kan eiser zijn handelen niet worden toegerekend.

2.3. Juridisch kader

2.3.1. Artikel 1001 van het ARA bepaalt dat burgemeester en wethouders de ambtenaar kunnen straffen, indien hij in strijd met het bepaalde in artikel 204 handelt of nalaat te handelen en zich deswege schuldig maakt aan plichtsverzuim.

2.3.2. Ingevolge artikel 204 van het ARA dient de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op te volgen en in het algemeen alles te doen of na te laten dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.3.3. Ingevolge artikel 1003, eerste lid, onder f, van het ARA kan de ambtenaar strafontslag worden opgelegd.

2.4. Beoordeling

2.4.1. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van een disciplinaire straf geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens aannemelijk moet zijn dat de ambtenaar zich aan de verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de gedragingen plichtsverzuim vormen, en zo ja, of verweerder in redelijkheid gebruik mocht maken van de aan hem toekomende bevoegdheid om disciplinair te straffen. Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of de disciplinaire straf niet onevenredig is te achten met de ernst van het plichtsverzuim

De verweten gedragingen

2.4.2. Eiser wordt verweten dat hij zich op 15 april 2008 niet tijdig heeft ziek gemeld en dat hij in strijd met de afspraken pas op 16 april 2008 contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts.

2.4.3. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 15 april 2008 tevergeefs vijf keer heeft gebeld naar de kazerne. Uit het gedetailleerd inkomend rapport van alle inkomende telefoongesprekken van het nummer van de mobiele telefoon van eiser ([nr]) naar de verschillende toestelnummers van de Rudolf kazerne over de periode van 14 april 2008 tot 16 mei 2008 blijkt dat er op 15 april 2008 geen inkomend gesprek van het nummer van eiser is geregistreerd.

2.4.4. Voorts wordt door eiser niet betwist dat hij pas op 16 april 2008 rond het middaguur contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts. Eiser heeft aangegeven dat hij na het contact met zijn bevelvoerder in slaap was gevallen en er pas de volgende ochtend achter kwam dat zijn beltegoed op was. Deze omstandigheden komen naar het oordeel van de rechtbank voor eigen verantwoordelijkheid van eiser.

Plichtsverzuim

2.4.5. Mede gelet op de met eiser gemaakte afspraken van 25 juni 2004 en de laatste waarschuwing van 19 december 2006 kunnen de niet tijdige ziekmelding en de te late melding bij de bedrijfsarts naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als plichtsverzuim.

Bevoegdheid tot oplegging van een straf

2.4.6. Op grond van hetgeen eiser heeft aangevoerd kan niet worden geoordeeld dat dit plichtsverzuim hem niet verweten kan worden. Eiser heeft geen enkel medisch stuk ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn handelen op 15 en 16 april 2008 hem niet dan wel in verminderde mate kan worden toegerekend. Volgens een verklaring van de bedrijfsarts van 5 september 2008 is niet gebleken dat eiser op 15 en 16 april 2008 om psychische redenen niet in staat was adequaat te handelen. In de verklaring van de psycholoog in opleiding van 21 augustus 2008 ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten eiser niet kunnen worden toegerekend.

2.4.7. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid gebruik zou kunnen maken van de aan hem toekomende bevoegdheid tot het opleggen van een straf omdat eiser zich niet heeft gehouden aan de ziekteverzuimvoorschriften, alsmede aan de afspraken die zijn gemaakt op 25 juni 2004.

(On)evenredigheid van de straf van ontslag

2.4.8. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het aan eiser verweten plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is te achten.

Verweerder heeft bij de besluitvorming de voorgeschiedenis mogen betrekken, omdat daaruit blijkt dat eiser in het verleden al is gewaarschuwd dat hij zich moest houden aan de voor hem geldende ziekteverzuimvoorschriften.

2.5. Conclusie

2.5.1. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in strijd met het bepaalde in artikel 204 van het ARA heeft gehandeld en dat dit kan worden aangemerkt als plichtsverzuim in de zin van artikel 1001 van het ARA. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten over te gaan tot strafontslag.

2.5.2. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2009.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB