Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6666

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
AWB 08-4983 AW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8145, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling senior medewerker ministerie van VROM. Niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Van vooringenomenheid van de beoordelaars is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4983 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder,

gemachtigde mr. H.A. Westra.

1. Procesverloop

Eiser is sinds 1 februari 1993 in dienst bij verweerder. Sinds 1 juli 2004 is hij werkzaam als senior medewerker Administratieve Organisatie (AO) – Interne Controle (IC).

Op 24 april 2008 is over het functioneren van eiser een beoordeling opgemaakt. Hierover heeft op 14 mei 2008 een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Op 12 juni 2008 heeft verweerder de beoordeling vastgesteld, zonder dat eiser gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om daartegen bedenkingen in te dienen.

Bij besluit van 7 november 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Dit besluit is aangevuld bij besluit van 18 november 2008, omdat het eerdere besluit geen beroepsclausule bevatte.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2009. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig [vertegenwoordiger 1 verweerder] en [vertegenwoordiger 2 verweerder].

2. Overwegingen

2.1. De feiten en omstandigheden

2.1.1. Tegen een eerdere beoordeling over de periode van 26 augustus 2005 tot 1 september 2006 heeft eiser geen rechtsmiddelen ingediend. In deze beoordeling is als samenvattend oordeel opgenomen dat door de negatieve werkhouding van eiser specifieke werkzaamheden niet goed (tijdig en kwalitatief) worden uitgevoerd.

2.1.2. Op 21 juni 2007 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 21 juni 2007 tussen eiser en [vertegenwoordiger 2 verweerder], waarnemend afdelingshoofd van de afdeling VAK/AO-IC van verweerder. Hierin is als samenvattend oordeel opgenomen dat ondank het feit dat aan een aantal zaken positief is meegewerkt, het “overall beeld” niet positief is. De kwaliteit en de tijdigheid van de rapportages laat te wensen over, de communicatie over de voortgang is moeizaam en de (pro-) actieve houding die past bij een senior medewerker AO-IC komt niet uit de verf. Door de heer [vertegenwoordiger 2 verweerder] is aangegeven dat de omgeving zodanig in beweging is dat AO-IC daar, buiten de vastgelegde taken en werkzaamheden in het controleplan, veel goed werk zou kunnen doen (adviseren over het afdekken van nieuwe risico’s, meewerken aan de wijzigingen in de processen etc.). Dit soort initiatieven moet deels vanuit [vertegenwoordiger 2 verweerder] of het afdelingsoverleg komen, maar een (senior) medewerker van dit niveau wordt geacht hier ook zelf over na te denken en initiatief te tonen. Er zal de komende maanden toch echt nog een grote slag moeten worden gemaakt om te voorkomen dat er in het najaar 2007 een tweede negatieve beoordeling moet worden opgemaakt. In het verslag zijn evaluatiemomenten vermeld in de vorm van tweewekelijkse voortgangsgesprekken.

2.1.3. Op 14 november 2007 is een functioneringsgesprek gehouden over de periode van 22 juni 2007 tot 14 november 2007 tussen eiser en de heer [vertegenwoordiger 2 verweerder]. Hierin is als samenvattend oordeel opgenomen dat er in de afgelopen periode wat betreft het functioneren geen enkele verbetering is opgetreden. Zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin is het uitgevoerde werk nog steeds volstrekt onvoldoende. Daarnaast worden de afgesproken planningen nog altijd stelselmatig ver overschreden waardoor de uitvoering van het controleplan in gevaar komt. Tot slot is er ook nog geen verbetering bij het invullen van de rol van senior medewerker te zien. Het rond deze datum geplande tweede beoordelingsgesprek is opgeschort tot maart 2008 om een laatste, ultieme poging te doen het functioneren van eiser te verbeteren en zo te voorkomen dat een tweede negatieve beoordeling moet worden opgemaakt met als mogelijk gevolg een ontslagprocedure wegens disfunctioneren. In het verslag is neergelegd dat op alle probleemgebieden een duidelijke verbetering waarneembaar moet worden in de periode tot maart 2008. Dat betekent dat de kwaliteit van de op te leveren rapporten omhoog moet, de deadlines moeten worden gehaald en de positie van senior moet worden waargemaakt. Net zoals in de voorgaande periodes worden de tweewekelijkse voortgangsgesprekken gecontinueerd.

2.1.4. Op 24 april 2008 is over het functioneren van eiser een beoordeling opgemaakt door

[vertegenwoordiger 1 verweerder], directeur VAK, in de hoedanigheid van beoordelingsautoriteit. De beoordeling is gebaseerd op het gezamenlijke oordeel van de heren [vertegenwoordiger 2 verweerder] en [persoon 1], hoofd van de afdeling VAK/FA. In het verslag is ten aanzien van de door eiser verrichte onderzoeken naar respectievelijk Woonwerkverkeer, Voorschotten en Informatievoorziening vastgesteld dat eiser duidelijk tekort is geschoten in het binnen de overeengekomen termijn uitvoeren van het rapporteren over deze onderzoeken, zodanig dat de resultaten daarvan worden geaccepteerd (erkend en herkend) door de gecontroleerde. In het verslag is als samenvattend oordeel gegeven dat er geen sprake is van verbetering en dat eiser duidelijk tekort schiet bij de uitvoering van zijn taken. Het functioneren is na voortdurend aanspreken en begeleiding door de beoordelaar niet in positieve zin verbeterd en er is dus de facto sprake van ernstig disfunctioneren.

2.1.5. Hierover heeft op 14 mei 2008 een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Op 12 juni 2008 heeft verweerder de beoordeling vastgesteld, zonder dat eiser gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om daartegen bedenkingen in te dienen.

2.2. Beoordeling

2.2.1. Artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement luidt als volgt:

1. Indien het bevoegd gezag dit wenselijk vindt of de ambtenaar dit aanvraagt wordt een beoordeling opgemaakt.

2. Een beoordeling wordt eerst vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is besproken en hij zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.

3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt nadere regels omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.

2.2.2. Verder is op de beoordeling van toepassing het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van VROM 1999 (verder: Beoordelingsvoorschrift).

2.2.3. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijft de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de beantwoording van de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In geval van negatieve oordelen geldt het uitgangspunt dat het betrokken bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elke adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.

2.2.4. De beoordeling van eiser is gebaseerd op de onderzoeken Woonwerkverkeer, Voorschotten en Informatievoorziening en is verricht door de heren [vertegenwoordiger 2 verweerder] en [persoon 1]. Bij de beoordeling is uitgegaan van de functioneringseisen, namelijk het binnen overeengekomen termijnen uitvoeren van en rapporteren over in het controleplan AO-IC opgenomen onderzoeken zodanig dat de resultaten daarvan worden geaccepteerd (erkend en herkend) door de gecontroleerde. Uit de voortgangsgesprekken, e-mails en memo’s en opmerkingen in het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust en de conclusie kan dragen dat eiser ten aanzien van de genoemde onderzoeken duidelijk is tekort geschoten. Eiser heeft in beroep een groot aantal inhoudelijke punten naar voren gebracht waarmee hij heeft beoogd aan te tonen dat de beoordeling inhoudelijk niet juist is. Hij heeft echter met al hetgeen hij op dit punt heeft aangevoerd de rechtbank ervan niet kunnen overtuigen dat de beoordeling op onvoldoende gronden zou berusten.

2.2.5. Eiser heeft voorts aangevoerd dat zijn beoordeling in strijd met de vereiste functiescheiding door de beoordelaars tot stand is gekomen. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de aanwijzing van de beoordelaars in strijd is geweest met het bepaalde in het Beoordelingsvoorschrift. Beide beoordelaars waren direct betrokken bij de werkzaamheden van eiser, [vertegenwoordiger 2 verweerder] als leidinggevende van eiser, [persoon 1] heeft als hoofd FA het rapport Voorschotten met eiser besproken en commentaar geleverd naar aanleiding van de collegiale toetsing. Van vooringenomenheid bij de beide beoordelaars is de rechtbank niet gebleken.

2.2.6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de bezwaartermijn ten onrechte is verlengd naar zestien weken en dat in het bestreden besluit een beroepsclausule ontbreekt.

2.2.7. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verlenging van de termijn voor een beslissing op bezwaar van tien naar veertien weken mogelijk is zonder toestemming van de belanghebbende, indien hiervan schriftelijke mededeling wordt gedaan, hetgeen in dit geval ook is gebeurd. Indien de beslissing op bezwaar volgens eiser geen (verder) uitstel kon leiden, had hij op grond van artikel 6:2, onder b, van de Awb tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar beroep kunnen instellen en tevens een voorlopige voorziening kunnen vragen ten einde de rechtbank een termijn te laten stellen.

2.2.8. Het ontbreken van een beroepsclausule is door verweerder hersteld bij besluit van 18 november 2008. Voorts is niet gebleken dat eiser door deze omissie is geschaad in zijn processuele belangen, aangezien hij tijdig beroep heeft ingesteld bij de bevoegde rechtbank.

2.2.9. Eiser heeft verder gewezen op zijn belang als werknemer, omdat het vinden van een nieuwe functie gezien zijn leeftijd problematisch zal worden. De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat de beoordeling van eisers functioneren ter toetsing voorligt en dat zijn vooruitzichten ten aanzien van een nieuwe functie thans niet aan de orde zijn.

2.2.10. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren, nu geen van de beroepsgronden slaagt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2009.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB