Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6626

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
13/127381-04 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Bewijs voor shaken baby syndrome". Verdachte wordt veroordeeld terzake van 'aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn'. Op 08 oktober 2004 wordt bij het vijf maanden oude zoontje van verdachte ernstig hersenletsel geconstateerd. Aan dit hersenletsel is het zoontje iets meer dan twee jaar later overleden. Uit het rapport van de deskundige leidt de rechtbank af dat indien bij een kind geen plausibele verklaring wordt gevonden voor het ontstaan van een subdurale en/of retinale bloeding, kindermishandeling in de vorm van schudden of een stomp trauma zeer waarschijnlijk is. De rechtbank kan op grond van het rapport van de deskundige en de in het dossier voorhanden zijnde verklaringen tot geen ander oordeel komen dan dat verdachte het bij slachtoffer geconstateerde hersenletsel heeft toegebracht en dat dit letsel door krachtig schudden is veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus komen vast te staan dat verdachte verantwoordelijk is voor de hersenafwijking die bij het slachtoffer is ontstaan ten gevolge hij uiteindelijk is overleden. Verdachte wordt vrijgesproken van doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/127381-04 (PROMIS)

Datum uitspraak: 01 december 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1980,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], en aldaar feitelijke verblijvende.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 november 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W. van Schaijck en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.M. Moszkowicz en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van de wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 08 oktober 2004 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2004) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) door elkaar heeft geschud waardoor er een zogenoemd acceleratie-deceleratie trauma (shaken-babysymdroom) is ontstaan;

(Artikel 287 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 08 oktober 2004 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, roekeloos en/of grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, door [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) door elkaar te schudden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een acceleratie-deceleratietrauma (te weten het shaken-babysyndroom) (resulterend in een hersenafwijking), heeft bekomen, dat voornoemde [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden;

(Artikel 307 Wetboek van Strafrecht)

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 08 oktober 2004 te Amsterdam opzettelijk mishandelend zijn kind [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2004) (met kracht) door elkaar heeft geschud, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een hersenoedeem en/of een of meer subdurale hematomen en/of een of meer retinabloedingen in de ogen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Artikel 300 jo. 304 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat op grond van de eigen verklaring van verdachte, het sectierapport van Soerdjbalie-Maikoe en het deskundigenrapport van Bilo, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het overlijden van [slachtoffer] te wijten is aan het “shaken baby syndrome”, waarvoor verdachte verantwoordelijk is. Nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer], dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De rechtbank dient bewezen te verklaren dat verdachte roekeloos heeft gehandeld, zodat het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] uiteindelijk is overleden, aldus nog steeds de officier van justitie.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft van meet af aan ontkend dat hij [slachtoffer] heeft geschud of anderszins hardhandig heeft aangepakt. Verdachte heeft telkens verklaard dat [slachtoffer] zich heeft verslikt in zijn voeding en ten gevolge daarvan in ademnood is gekomen. Ter terechtzitting heeft verdachte geen verklaring afgelegd over hetgeen er op 08 oktober 2004 is gebeurd.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het rapport van Bilo onbetrouwbaar is, nu er enkele onjuistheden in vermeld staan. Allereerst wordt in het rapport gesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor aspiratie, terwijl drie huisartsen bevestigen dat [slachtoffer] ‘massaal’ aspireerde. Daarnaast is Bilo ten onrechte uitgegaan van eerder gebruikt fysiek geweld. De raadsman heeft hierop verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de betreffende huisartsen nogmaals te laten horen.

Mocht de rechtbank zich desondanks verenigen met de conclusies van Bilo, dan stelt de raadsman zich op het standpunt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte opzet had op de dood van zijn zoon. Ook heeft verdachte volgens de raadsman niet willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop aanvaard. Op het moment dat [slachtoffer] leek te stikken, is verdachte direct naar de huisartsenpraktijk gerend en heeft hij zelf geprobeerd om [slachtoffer] te reanimeren. Daarnaast heeft verdachte zich consequent verzet tegen levensbeëindiging op het moment dat de overlevingskansen van [slachtoffer] op de korte en lange termijn onzeker waren.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat voor een bewezenverklaring van roekeloosheid vastgesteld dient te worden dat verdachte zich bewust was van het feit dat het schudden van [slachtoffer] zou leiden tot de dood. Ook dit kan niet uit het dossier worden afgeleid. Op grond van de verklaringen van verdachte kan voorts ook niet worden geconcludeerd dat er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onachtzaamheid. De rechtbank begrijpt, gelet op vorenstaand betoog, dat de raadsman ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde tot vrijspraak concludeert.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 08 oktober 2004 is verdachte alleen met de dan 5 maanden oude baby [slachtoffer] thuis.i De moeder van [slachtoffer] is ‘s ochtends rond 08:00 uur van huis vertrokken om naar haar werk te gaan. Op het moment dat moeder het huis verlaat, ligt [slachtoffer] in zijn wipstoeltje te slapen, naast het bed waarin verdachte ligt.ii Rond 09:00 uur heeft [slachtoffer] nog een voeding gehad.iii

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] omstreeks 11:30 uur wakker werd en dat hij [slachtoffer] heeft gevoed. Toen [slachtoffer] het flesje op had merkte verdachte dat er voeding uit zijn neusje kwam. Ook hoort hij een soort stikgeluid. Even later ziet verdachte dat de lippen van [slachtoffer] blauw zijn, dat zijn mondje strak staat, dat zijn ogen dicht zijn en dat hij helemaal slap is. Hierop is verdachte met [slachtoffer] in zijn armen naar de huisartsenpraktijk in de buurt gerend.iv

Rond 12:30 uur komt verdachte met [slachtoffer] bij de huisartsenpraktijk aan. Zowel de huisartsen [huisartsen], als de doktersassistente [doktersassistente], verklaren dat zij ervan uitgingen dat het kind gestikt was in de flesvoeding. De vader had hen namelijk gezegd dat hij [slachtoffer] flesvoeding gaf, en dat [slachtoffer] toen zo slap werd. Vader zei hen dat zijn kindje stikte in de voeding. Verder verklaren de huisartsen en de doktersassistente dat de vader boos was en in paniek. Er wordt direct geprobeerd om [slachtoffer] te reanimeren. Omdat de ademhaling echter niet op gang komt, wordt besloten om 112 te bellen. v

Bij aankomst neemt het ambulancepersoneel de reanimatie direct over. [slachtoffer] wordt meegenomen naar het Onze Lieve Vrouw Ziekenhuis. Nog steeds op 08 oktober 2004 wordt [slachtoffer] vervolgens in comateuze toestand overgeplaatst naar de intensive care van het AMC.vi In het AMC wordt een subdurale bloeding onder het schedeldak en worden retinabloedingen in beide ogen geconstateerd. Er vind een gesprek plaats met de ouders van [slachtoffer]. Deze kunnen op dat moment geen verklaring geven voor het geconstateerde letsel.vii Omdat dergelijke bloedingen, bij het ontbreken van alternatieve verklaringen, kunnen duiden op kindermishandeling in de zin van het “shaken baby syndroom” wordt er een formele melding gedaan bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling.viii Dit heeft ertoe geleid dat er op 22 oktober 2004 door een vertrouwensarts van het AMK aangifte wordt gedaan van (zware) mishandeling.ix De situatie van [slachtoffer] is lange tijd levensbedreigend. Uiteindelijk is [slachtoffer] ten gevolge van voornoemd letsel spastisch invalide gebleven.x

[slachtoffer] wordt uit huis geplaatst en verblijft vanaf 17 mei 2005, met zijn moeder, in zorgcentrum het [zorgcentrum]. Iets meer dan twee jaar later, op 12 juni 2007, wordt [slachtoffer] vanwege een botbreuk in het Flevoziekenhuis te Almere behandeld. Hier is [slachtoffer] op 28 juni 2007 komen te overlijden.xi

Omdat er twijfel bestaat over de aard van het overlijden en de voorgeschiedenis wordt er door de Divisie recherche, afdeling Technische Recherche een onderzoek niet natuurlijk overlijden ingesteld. Tijdens de lijkschouwing worden geen bijzonderheden geconstateerd.xii

Op 29 juni 2007 wordt in het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] door de arts-patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe. Deze concludeert dat het intreden van de dood dient te worden verklaard door het verlies van (een deel van) de hersenstamfuncties, zoals vitale functies, ten gevolge van langer bestaande hersenafwijking.xiii

Op 6 september 2005 heeft de officier van justitie dr. R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige/consulent forensische pediatrie bij het Nederlands Forensisch Instituut, benoemd tot deskundige. In die hoedanigheid is hem gevraagd om te analyseren wat de mogelijke oorzaken zouden kunnen zijn van het bij [slachtoffer] op 08 oktober 2004 geconstateerde hersenletsel. Voorts is de vraag gesteld of de hersenafwijking is veroorzaakt door een acceleratie-deceleratie trauma (schudden).

Bilo heeft op 6 maart 2006 een rapport uitgebracht.xiv Hij komt op grond van zijn onderzoek tot de conclusie dat de meest waarschijnlijke verklaring voor de bij [slachtoffer] aangetroffen afwijkingen het zogenaamde “shaken baby syndrome’ is.

Bilo heeft zijn rapport opgebouwd door allereerst te vermelden welke hersenafwijking er bij [slachtoffer] is geconstateerd. Subdurale bloedingen vormen de primaire en retinale bloedingen de secondaire afwijking. Vervolgens beschrijft Bilo de mogelijke verklaringen voor het ontstaan van subdurale bloedingen, te weten: een geboortetrauma, een accidenteel trauma (zoals bijvoorbeeld een val), of schudden, dan wel stompen. Gezien de leeftijd van [slachtoffer] en de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor problematiek rondom de geboorte van [slachtoffer], wordt een geboortetrauma uitgesloten. Ook de val die de moeder van [slachtoffer] gemeld heeft, is om twee redenen geen plausibele verklaring. Allereerst vanwege het moment van de val en op de tweede plaats omdat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat bij een dergelijke val (uit handen van moeder gegleden) ernstig intracranieel letsel ontstaat. Daarnaast wordt een infectueuze aandoening niet waarschijnlijk geacht en ook kunnen de aangetroffen afwijkingen niet worden verklaard op basis van de vaccinaties die [slachtoffer] op 07 oktober 2004 heeft gekregen. Indien bij een kind geen plausibele verklaring wordt gevonden voor het ontstaan van een subdurale bloeding, is kindermishandeling in de vorm van schudden of een stomp zeer waarschijnlijk.

Ten aanzien van de retinale bloedingen worden als mogelijke oorzaken beschreven: een geboortetrauma, accidenteel trauma, of schudden, dan wel stompen. Net als bij de subdurale bloeding wordt ook voor het ontstaan van de retinale bloeding uitgesloten dat er sprake was van een geboortetrauma. Daarnaast komen de bij [slachtoffer] beschreven retinabloedingen niet overeen met hetgeen in de literatuur bekend is over accidenteel ontstane bloedingen. Nu daarnaast ook het door de vader naar voren gebracht verslikken, dan wel verstikken, geen plausibele verklaring biedt voor het ontstaan van retinabloedingen, is schudden of stompen de enige waarschijnlijke verklaring.

Ook de soort bloedingen, de lokalisatie van de subdurale bloedingen tussen de beide hemisferen en de combinatie van subdurale en retinale bloedingen, bevestigen volgens Bilo in hoge mate de waarschijnlijkheid van het bestaan van een niet-accidentele oorzaak.

Bilo concludeert tenslotte dat het tijdstip van het ontstaan van de schade moet zijn gelegen na het moment van de eerste fles (rond 09:00 uur ’s ochtends) en vóór het moment dat verdachte hulp is gaan zoeken bij de huisartsen. Gezien de ernst van de klinische verschijnselen en de ernst van de uiteindelijk geconstateerde afwijkingen in het hoofd en de ogen, is de schade volgens Bilo ontstaan kort voor het ontstaan van de klinische verschijnselen.

Nadere bewijsoverwegingen

Aanhoudingsverzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting om aanhouding verzocht. Hij zet vraagtekens bij de conclusie van het onderzoek door de deskundige Bilo dat bij [slachtoffer] sprake is geweest van het zogenaamde “shaken baby syndrome”. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat Bilo er ten onrechte vanuit is gegaan dat [slachtoffer] niet heeft geaspireerd en daardoor geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat het hersenletsel is ontstaan doordat [slachtoffer] is gestikt in zijn voeding. De raadsman is van mening dat om die reden de drie huisartsen gehoord dienen te worden nu zij verklaren dat [slachtoffer] wel degelijk ‘massaal’ aspireerde, ondanks dat er op de röntgenfoto geen vocht in de longen te zien was. De vraag rest aldus of het mogelijk is dat [slachtoffer] heeft geaspireerd zonder dat er vocht in de longen terecht is gekomen. De beantwoording van deze vraag is niet alleen in het belang van de verdediging omdat deze gang van zaken zou aansluiten bij hetgeen verdachte heeft verklaard, maar geeft verdachte ook de mogelijkheid een strafmaatverweer te voeren. Daarnaast is de wetenschap inmiddels twee jaar verder ontwikkeld en is het noodzakelijk dat er een contra-expertise plaatsvindt, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende.

In het rapport van Bilo wordt op pagina III-10 en op pagina III-22 een uitputtende opsomming gegeven van de oorzaken die volgens de huidige medische literatuur in aanmerking kunnen komen om de bij [slachtoffer] ontstane subdurale en retinale bloedingen te verklaren. Het opzuigen van vloeistoffen in de longen (aspireren) komt in deze opsomming niet voor. Dit, terwijl op pagina II-7 van genoemd rapport uitdrukkelijk wordt vermeld als onderdeel van een brief van het OLVG aan het AMC: “Patiënt werd omstreeks 13.15 bij de huisarts plotseling onwel waarbij patiënt massaal leek te aspireren.” Het rapport kent deze suggestie van aspiratie dus wel degelijk. De rechtbank overweegt verder dat uit het verhoor bij de politie van de drie huisartsen en de doktersassistente, allen werkzaam bij hetzelfde gezondheidscentrum, naar voren komt dat zij er op aangeven van de vader vanuit gingen dat [slachtoffer] was gestikt in de flesvoeding. Dit komt dus overeen met de vermelding in bovengenoemde brief van het OLVG. Klinisch is het verstikken echter niet vastgesteld. Op röntgenfoto’s is geen vocht in de longen te zien. Al deze gegevens waren bij Bilo bekend. Nu echter op grond van het rapport van Bilo het er voor gehouden mag worden dat een mogelijke aspiratie geen oplossing biedt bij de zoektocht naar de oorzaak van de subdurale en retinale bloedingen, is een verder onderzoek naar het al of niet voorkomen van aspiratie op de ochtend van 8 oktober 2004 bij [slachtoffer], niet zinvol.

Voorts heeft Bilo naar het oordeel van de rechtbank ter terechtzitting op overtuigende wijze betoogd dat er op basis van de huidige stand van zaken in de medische wetenschappen geen andere dan de door hem in zijn rapport genoemde oorzaken aan te wijzen zijn voor het ontstaan van hersenletsel. Nu er daarnaast geen concrete aanwijzingen zijn dat er nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank ook een contra-expertise niet noodzakelijk.

De raadsman heeft, behoudens voornoemd betoog, niet met argumenten anderszins onderbouwd op welke punten het deskundigenrapport van Bilo niet betrouwbaar zou zijn en waarom een contra-expertise noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot aanhouding af.

Oorzaak en tijdstip van het ontstaan van het hersenletsel

Uit het rapport van de deskundige Bilo leidt de rechtbank af dat indien bij een kind geen plausibele verklaring wordt gevonden voor het ontstaan van een subdurale en/of retinale bloeding, kindermishandeling in de vorm van schudden of een stomp trauma zeer waarschijnlijk is. De rechtbank stelt vast dat Bilo alle door de verdachte en de moeder van [slachtoffer] aangedragen oorzaken voor het ontstaan van het hersenletsel heeft uitgesloten. Zo kan het letsel niet veroorzaakt zijn door de val die [slachtoffer] gemaakt zou hebben toen hij uit de handen van moeder glipte, bieden de vaccinaties die [slachtoffer] heeft gehad geen plausibele verklaring en kan de geconstateerde schade ook geen gevolg zijn geweest van het stikken.

Daarbij komt dat Bilo in zijn rapport - en ook op de terechtzitting - heeft verklaard dat in dit geval ook de soort bloedingen, de lokalisatie van de bloedingen en de specifieke combinatie van de bloedingen (subduraal en retinaal), tot de conclusie leiden dat de meest waarschijnlijke verklaring voor het ontstaan van de hersenafwijking het “shaken baby syndrome” is.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn vriendin, zoals als afgelegd tegenover de politie, leidt de rechtbank af dat verdachte op de ochtend van 8 oktober 2004 vanaf 8.00 uur alleen is geweest met [slachtoffer] voordat hij rond 12.30 uur naar de huisartsenpost is gerend. Gelet daarnaast op de conclusie van Bilo dat het hersenletsel moet zijn veroorzaakt vlak voor het ontstaan van de klinische verschijnselen, is de rechtbank van oordeel dat het bij [slachtoffer] ontstane letsel in die korte periode is ontstaan dat verdachte met [slachtoffer] alleen thuis was.

De rechtbank kan op grond van het voorgaande tot geen ander oordeel komen dan dat verdachte het bij [slachtoffer] geconstateerde hersenletsel heeft toegebracht en dat dit letsel door krachtig schudden is veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus komen vast te staan dat verdachte verantwoordelijk is voor de hersenafwijking die bij [slachtoffer] is ontstaan ten gevolge hij uiteindelijk is overleden.

Opzet of schuld

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer], ook niet in die zin dat verdachte daartoe willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Dan rest de vraag of er sprake is geweest van schuld aan de kant van verdachte, in de zin dat verdachte roekeloos, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat baby’s dusdanig kwetsbaar zijn, dat er met het schudden van een baby ernstig letsel kan ontstaan. Behoudens bijzondere omstandigheden, zou het schudden van een baby daarom als aanmerkelijk onvoorzichtig gekwalificeerd moeten worden. Het onderzoek heeft geen bijzondere omstandigheden opgeleverd. Verdachte heeft bij het eerste verhoor op 24 oktober 2004 een verklaring afgelegd, maar zich bij alle volgende verhoren zeer terughoudend opgesteld, dan wel een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Deze opstelling heeft tot gevolg dat de rechtbank niet in staat is geweest om met verdachte alle mogelijke scenario’s door te nemen die enig licht kunnen werpen op de omstandigheden rond zijn handelen op de bewuste ochtend van 8 oktober 2004. De rechtbank blijft dan ook geen andere duiding voor het handelen van verdachte dan: aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam. Daarmee is het subsidiair tenlastegelegde bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

op 08 oktober 2004 te Amsterdam aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld, door [slachtoffer] met kracht door elkaar te schudden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een acceleratie-deceleratietrauma (te weten het shaken-babysyndroom) resulterend in een hersenafwijking, heeft bekomen, dat voornoemde [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank heeft haar beslissing dat verdachte het bewezengeachte heeft begaan, gegrond op de hiervoor onder rubriek 3.3. in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden zoals vervat in de als voetnoten gebezigde bewijsmiddelen.

5. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren). De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het onvoorwaardelijke deel van voornoemde gevangenisstraf wat hem betreft kan worden verricht in de vorm van een werkstraf. Ten aanzien van de inbeslaggenomen cd-rom heeft de officier van justitie verzocht deze in het dossier te voegen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de grote impact die de gebeurtenis op het leven van verdachte heeft gehad. Het hersenletsel van [slachtoffer], de strafrechtelijke beschuldiging, de uithuisplaatsing, de ondertoezichtstelling, de houding van de gezinsvoogd, de druk op het gezin, het verlies van zijn baan en het uiteindelijke overlijden van zijn kind, hebben verdachte tot een emotioneel wrak gemaakt. Verdachte kampt dan ook met verschillende psychische problematiek en slikt medicijnen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Door toedoen van verdachte heeft zijn zoontje van 5 maanden oud blijvend hersenletsel opgelopen, ten gevolge waarvan hij ruim twee jaar later is overleden. Ook voor de rechtsorde is een dergelijke gebeurtenis een schokkende zaak.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte geen opzet had op de dood van zijn zoon en ook de kans op de dood van het slachtoffer bepaald niet voor lief heeft genomen. Voorts wordt verdachte niet verweten dat hij roekeloos heeft gehandeld. Wel houdt de rechtbank verdachte er verantwoordelijk voor dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig is omgegaan met een kind dat aan zijn zorg was toevertrouwd. Van verdachte mocht worden verwacht dat hij zijn kind met de gebruikelijke zorgvuldigheid zou behandelen, maar dat is niet gebeurd.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat mee dat het voor alle betrokkenen een zeer ingrijpende gebeurtenis is geweest. Verdachte en ook de moeder van [slachtoffer] zijn door het verlies van hun kind al ernstig gestraft. Ook zal de rechtbank rekening houden met de lange tijd die is verstreken sinds de aanhouding in 2004 en de behandeling ter terechtzitting.

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 30 juni 2009 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en geboden. De rechtbank zal dan ook volstaan met een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, in combinatie met een wekstraf.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot

* een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

* een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast dat de inbeslaggenomen cd-rom aan het dossier wordt toegevoegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Diemer, voorzitter,

mrs. M.P. Verloop en G.W.A. Lamsvelt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Jeurens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 01 december 2009.

i Een proces-verbaal met nummer 2004258837-3 van 24 oktober 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [A] en [B] (doorgenummerde pag. 19-24), inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd op 24 oktober 2004;

ii Een proces-verbaal met nummer 2004258837-4 van 24 oktober 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [C] en [D] (doorgenummerde pag. 25-29), inhoudende de verklaring van [persoon 1], afgelegd op 24 oktober 2004.

iii Een proces-verbaal met nummer 2004258837-3 van 24 oktober 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [A] en [B] (doorgenummerde pag. 19-24), inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd op 24 oktober 2004;

iv Een proces-verbaal met nummer 2004258837-3 van 24 oktober 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [A] en [B] (doorgenummerde pag. 19-24), inhoudende de verklaring van verdachte afgelegd op 24 oktober 2004;

v Een proces-verbaal met nummer 2004258837-8 van 15 november 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [A] (doorgenummerde pag. 36-38), inhoudende de verklaring van [persoon 2] en een proces-verbaal met nummer 2004258837-9 van 15 november 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [D] (doorgenummerde pag. 39-42), inhoudende de verklaring van [doktersassistente] en een proces-verbaal met nummer 2004258837-10 van 02 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [D] (doorgenummerde pag. 43-45), inhoudende de verklaring van [persoon 3] en een proces-verbaal met nummer 2004258837-12 van 10 december 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [B] (doorgenummerde pag. 50-54), inhoudende de verklaring van [huisarts];

vi Brief van het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis aan het Academisch Medisch Centrum

vii Een proces-verbaal met nummer 2004258837-2 van 22 oktober 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [B] en [A] (doorgenummerde pag. 15-18), inhoudende de verklaring van [persoon 4];

viii Een rapport van het Forum Educatief centrum voor forensische geneeskunde en gedragswetenschappen van

6 maart 2006, opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensische geneeskundige en consulent forensische pediatrie;

ix Een proces-verbaal met nummer 2004258837-2 van 22 oktober 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [B] en [A] (doorgenummerde pag. 15-18), inhoudende de verklaring van [persoon 4];

x Een proces-verbaal met nummer 2007045616 van 18 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [E] en [F], inhoudende de bevindingen van verbalisanten voornoemd;

xi Een obductieverslag, nummer 2007.0629.119 van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 11 januari 2008, opgemaakt door de beëdigde deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog-anatoom;

xii Een proces-verbaal met nummer 2007045616 van 18 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [E] en [F], inhoudende de bevindingen van verbalisanten voornoemd;

xiii Een obductieverslag, nummer 2007.0629.119 van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 9 januari 2008, opgemaakt door de beëdigde deskundige dr. B. Kubat, arts en patholoog-anatoom;

xiv Een rapport van het Forum Educatief centrum voor forensische geneeskunde en gedragswetenschappen van

6 maart 2006, opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensische geneeskundige en consulent forensische pediatrie;

Parketnummer: 13/127381-04

Inzake: [verdachte]