Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6580

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
EA-4923/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Relatie met 17-jarige leerlinge onaanvaardbaar geoordeeld. Verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0965
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EA-4923/09

RECHTBANK TE AMSTERDAM, SECTOR KANTON, LOCATIE AMSTERDAM

Beschikking op het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2009 van:

de stichting “ Onderwijs Stichting Zelfstandige Gymnasia”,

verzoekster

gevestigd te Haarlem

gemachtigde: mr. drs. G.J. Heussen

tegen:

[verweerder]

verweerder,

wonende te [woonplaats]

gemachtigde: mr. B. van Meurs.

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift strekt tot voorwaardelijke ontbinding van de hierna te noemen arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in art. 7:685 van het Burgerlijk Wetboek.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Ter terechtzitting van 1 december 2009 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Gehoord zijn partijen en hun gemachtigden.

Gronden van de beslissing

1. Bij de beoordeling van het verzoek wordt van het volgende uitgegaan.

Verweerder, die 29 jaar oud is, is op 1 augustus 2007 in dienst van verzoekster getreden. Zijn functie is docent economie op het [gymnasium], thans op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een omvang van 0,325 fte. Het salaris bedraagt EUR 1.032,12 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag, toeslagen en eindejaarsuitkeringen.

Verweerder heeft op 29 september 2009 een eerder door hem ondertekende en bij de rector van het [gymnasium] ingediende ontslagbrief ingetrokken.

Daarop heeft de rector verweerder bij brief van 29 september 2009 op staande voet ontslagen. Daarbij werd aan gedaagde als dringende reden opgegeven, dat hij met een minderjarige leerlinge van de school een (seksuele) relatie is aangegaan en heeft onderhouden, daardoor misbruik makend van zijn positie als docent, en een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht plegend.

Verweerder is tegen dit ontslag op staande voet tijdig in beroep gegaan bij de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs.

2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert verzoekster primair aan dat sprake is van omstandigheden die een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren, subsidiair dat sprake is van een verandering in de omstandigheden van dien aard, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te eindigen. Verzoekster stelt daartoe dezelfde feiten die aan het verweerder gegeven ontslag ten grondslag zijn gelegd. Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat van een dringende reden geen sprake is, stelt verzoekster dat zij ieder vertrouwen in verweerder heeft verloren.

3. Verweerder bestrijdt het verzoek. Hij stelt dat verzoekster misbruik maakt van (proces)recht en bevoegdheid door thans de dringende reden opnieuw ten grondslag te leggen aan het verzoek tot ontbinding. Het oordeel of sprake is van een dringende reden, komt thans toe aan de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs. Voor het geval dat toch zou worden geoordeeld over de vraag of er sprake is van een dringende reden, stelt verweerder dat dit niet het geval is omdat geen sprake is geweest van sexueel contact en blijkens hetgeen verzoekster heeft aangevoerd dan ook in haar visie geen sprake is van een dringende reden. Verweerder stelt dat het verzoek op de subsidiaire grondslag al evenmin kan worden toegewezen omdat – kort gezegd – er geen reden is voor verlies van vertrouwen in hem en geen sprake is, althans hoeft te zijn, van een verstoorde arbeidsrelatie.

4. Overwogen wordt als volgt. Het standpunt dat in de onderhavige procedure niet kan worden geoordeeld over de door verzoekster aangevoerde dringende reden, vindt geen steun in het recht. Voorts kan niet als juist worden aanvaard het standpunt van verweerder, dat wanneer – zoals hij stelt – geen sprake is geweest van een sexuele relatie ook in de visie van verzoekster niet van een dringende reden kan worden gesproken, nu verzoekster op de door verweerder aangewezen plaats in het verzoekschrift nu juist stelt dat, ook wanneer geen sprake zou zijn geweest van sexueel contact, de dan nog steeds vaststaande feiten inzake de betrekkingen die verweerder met een minderjarige leerling heeft onderhouden een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren.

5. Omtrent die betrekkingen is, mede op grond van de mededelingen van verweerder daarover, komen vast te staan dat verweerder een relatie is aangegaan met een leerlinge, die in de klas zat waaraan verweerder in het schooljaar 2008/2009 en ook in het begin van het schooljaar 2009/2010 les gaf. De relatie is aangegaan nadat de rector in maart 2009 met verweerder had gesproken over diens positie ten aanzien van deze leerlinge, die eerder dat jaar 17 was geworden. Bij die gelegenheid heeft de rector verweerder “ ten sterkste” aangeraden om geen privé-afspraken te maken die hem in de omstandigheid brengen dat hij met deze leerlinge alleen is. Vast staat ook, mede op grond van de voorstelling van zaken die verweerder bij brief van 17 oktober 2009 aan de rector heeft gegeven, dat verweerder met de leerlinge contact is blijven houden, bestaande uit e-mails, sms’jes, chatten en bellen, en ook bezoekjes van de leerlinge aan verweerder bij de instelling waar verweerder een promotieplaats heeft. Vast staat ook, dat in de zomervakantie van 2009 verweerder en de leerlinge elkaar veelvuldig hebben ontmoet, waarbij verweerder de leerlinge ook bij hem thuis heeft ontvangen. In die zomer sloeg, in de woorden van verweerder, de vriendschappelijke relatie om in een liefdesrelatie. In die zomer heeft verweerder de leerlinge ook elders in het land bezocht en heeft hij de nacht bij haar doorgebracht.

6. Geoordeeld wordt dat verweerder door deze gedragingen in ernstige mate het vertrouwen heeft geschonden dat ouders en leerlingen mogen hebben in professioneel gedrag van een docent en het vertrouwen dat de schoolleiding mag hebben dat een docent voldoende afstand houdt tot leerlingen onwaardig is geworden, te meer waar verweerder de waarschuwing van de schoolleiding zich niet in situaties te begeven waarin hij met de leerlinge alleen zou zijn, in de wind heeft geslagen. Dit heeft tot gevolg dat van verzoekster redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij deze stand van zaken behoort de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve te eindigen met ingang van 12 december 2009. Voor een vergoeding is geen grond.

7. Gezien het voorwaardelijk karakter van de onderhavige procedure zullen de kosten van het geding worden verrekend als hierna zal worden bepaald.

Beslissing

De arbeidsovereenkomst wordt voorwaardelijk, voor het geval dat deze tussen partijen bestaat, ontbonden met ingang van 11 december 2009.

Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.

Gegeven door mr. R.A.J. van der Linde, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.