Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6551

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
13.497.394-2009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering verzocht door Bulgarije van een uit Bulgaarse detentie ontvlucht persoon.

Zowel Bulgarije als Nederland zijn aangesloten bij het EVIG.

De rechtbank heeft vastgesteld dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden zoals genoemd onder a en b van Artikel 5 van het EVIG is voldaan.

Er bestaat op grond van dit verdrag de mogelijkheid om de straf over te nemen. Deze mogelijkheid is afhankelijk van de wil van de veroordelende staat (i.c. Bulgarije) en van de wil van de staat waar de ontvluchte veroordeelde zich thans bevindt (Nederland).

De rechtbank is van oordeel dat met de keuze van de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door de Nederlandse Staat de grondslag aan het EAB is komen te vervallen en zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.394-2009

RK nummer: 09/3873

Datum uitspraak: 16 oktober 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 juli 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 8 mei 2009 door de Substituut-officier van Justitie bij het Regionaal Parket te Dobritch, Bulgarije.

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

wonende op het [adres]

thans gede¬tineerd in het huis van bewaring “Zwaag” te Zwaag,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De eerste behandeling van de vordering vond plaats op de openbare zitting van 4 september 2009. Bij die gelegenheid zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman

mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.

Op 18 september 2009 heeft de rechtbank een interlocutoire uitspraak gewezen.

Op 2 oktober 2009 is de openbare behandeling van de vordering voortgezet. Daarbij zijn opnieuw de officier van justitie en de raadsvrouw mr. M. ter Veer, advocaat te Amsterdam en optredend namens haar kantoorgenoot mr. Wiersum, gehoord. De opgeëiste persoon heeft op 2 oktober 2009 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om bij de voortgezette behandeling van de vordering aanwezig te zijn. De desbetreffende verklaring bevindt zich in het dossier.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een vonnis ten grondslag, gewezen door de Regionale Rechtbank te Dobritch, Bulgarije. Dit vonnis is in werking getreden op 6 februari 2009 (nr. 11/31.03.2008)

Zoals reeds bij interlocutoire uitspraak vastgesteld, wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft bij de behandeling van de vordering op 4 september 2009 ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Turkse nationaliteit heeft.

4. Het op 4 september 2009 gevoerde verweer

Op 4 september 2009 heeft de raadsman verweer gevoerd tegen de vordering en onder meer het volgende naar voren gebracht. De opgeëiste persoon heeft een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en zal zijn verblijfsrecht hier te lande niet verliezen als gevolg van deze veroordeling. De vraag is aan de orde of in het vereiste van rechtsmacht zoals neergelegd in artikel 6, vijfde lid, van de OLW, een objectieve rechtvaardiging is te vinden om de opgeëiste persoon anders te behandelen dan een Nederlander.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het vereiste neergelegd in artikel 6, vijfde lid, OLW dat de opgeëiste persoon ook in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het overleveringsverzoek ten grondslag liggen – het zogenaamde rechtsmachtvereiste – in de onderhavige zaak gepasseerd kan en moet worden, daar het vereiste van rechtsmacht discriminerend is, nu deze eis voor een Nederlander niet en voor een niet-Nederlander wel wordt gesteld. Een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor genoemde eis kan alleen bestaan als een opgeëiste persoon straffeloos zou blijven, maar in onderhavige zaak is daar geen sprake van. Nederland kan op grond van artikel 68 SUO en artikel 2 van het Aanvullend protocol bij het Verdrag inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen van 1983 (VOGP) de tenuitvoerlegging van het Bulgaarse vonnis overnemen. De opgeëiste persoon is Bulgarije ontvlucht.

Voor de verdere weergave van het verweer, het standpunt dat de officier van justitie heeft ingenomen en een oordeel over de door de raadsman bestreden ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt verwezen naar de inhoud van de interlocutoire uitspraak.

5. De interlocutoire uitspraak

Naar aanleiding van het gevoerde verweer en in reactie op het standpunt van de officier van justitie heeft de rechtbank bij interlocutoire uitspraak van 18 september 2009 ondermeer het volgende overwogen.

Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank d.d. 3 juli 2009 (LJN BJ1772) heeft deze rechtbank overwogen dat in overigens gelijke gevallen door de toepassing van het rechtsmachtvereiste onderscheid wordt gemaakt op grond van nationaliteit. Kijkend naar de rechtvaardiging voor dit onderscheid, heeft de rechtbank overwogen dat de ratio van dit onderscheid gelegen is in het voorkomen dat een persoon die zich op het grondgebied van Nederland bevindt zich aan de tenuitvoerlegging van een hem in een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf onttrekt en daarmee straffeloos zou blijven.

De rechtbank zag zich vervolgens gesteld voor de vraag of het doel van het stellen van de rechtsmachteis – het voorkomen van straffeloosheid – in de onderhavige zaak ook op een andere, minder bezwarende manier kan worden bereikt. Indien dat het geval zou zijn kan er voor de rechtbank aanleiding zijn om in dit geval artikel 6, vijfde lid, van de OLW buiten toepassing te laten.

De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen.

Zowel Bulgarije als Nederland zijn aangesloten bij het EVIG.

De rechtbank heeft vastgesteld dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden zoals genoemd onder a en b van Artikel 5 van het EVIG is voldaan.

Er bestaat op grond van dit verdrag de mogelijkheid om de straf over te nemen, die, zoals de officier van justitie op 4 september 2009 terecht heeft opgemerkt, afhankelijk is van de wil van zowel de veroordelende staat als van die van de staat waar de veroordeelde zich bevindt.

De rechtbank heeft in de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding gezien om de officier van justitie de mogelijkheid te laten onderzoeken om de straf in Nederland ten uitvoer te laten leggen, waarbij zij uitdrukkelijk heeft aangetekend dat de vraag of het wenselijk is dat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland zal ondergaan niet aan de rechtbank ter beoordeling staat. Het EVIG, (evenals overigens artikel 68 SUO en artikel 2 van het aanvullend protocol bij het VOGP) voorziet in een overeenkomst tussen staten, waar de rechtbank niet in kan treden.

Indien de Bulgaarse autoriteiten van mening zijn dat tenuitvoerlegging in Bulgarije de voorkeur verdient boven tenuitvoerlegging in Nederland, dan betekent dit in beginsel dat er sprake is van straffeloosheid, hetgeen tot de conclusie zou kunnen lieden dat overlevering dient te worden toegestaan.

Tot zover de overwegingen van de rechtbank bij uitspraak van 18 september 2009.

De rechtbank heeft bij meergenoemde interlocutoire uitspraak het gesloten onderzoek heropend en het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie de gelegenheid te geven bij de Bulgaarse justitiële autoriteiten nadere informatie in te winnen met betrekking tot de mogelijkheid de tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf over te nemen.

6. Het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit

De officier van justitie heeft ter zitting van 2 oktober 2009 het volgende verklaard.

De vraag van de rechtbank, zoals geformuleerd in de interlocutoire beslissing, is vertaald in de Bulgaarse taal aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. Het feit dat deze vraag hun werd gesteld heeft bij deze autoriteit ongewild en onbedoeld de indruk gewekt dat zij uit respect voor de rechtbank Amsterdam een beslissing moesten nemen die er toe zou leiden dat de door de opgeëiste persoon nog uit te zitten straf in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden.

Het Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit ervan trachten te verzekeren dat het noch de bedoeling van de rechtbank, noch de wens van het Openbaar Ministerie is dat deze autoriteit zich tot enige beslissing in dezen gedwongen voelt. De keuze is geheel aan de Bulgaarse autoriteit en de rechtbank zal daaraan vervolgens haar conclusie verbinden.

Hoe het ook zij, de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft, gelet op de korte termijn telefonisch, meegedeeld dat zij er voor kiest dat de in Bulgarije aan de opgeëiste persoon opgelegde straf in Nederland ten uitvoer gelegd zal worden.

Op verzoek van de staat Bulgarije is de overname van de tenuitvoerlegging reeds in behandeling genomen door het Ministerie van Justitie te ’s-Gravenhage. De overleveringsdetentie is met onmiddellijke ingang opgeschort en de opgeëiste persoon zit thans gedetineerd in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS).

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gevorderd, nu met de keuze van de uitvaardigende justitiële autoriteit de grondslag aan het EAB is komen te vervallen.

6.2 Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht deze vordering van de officier van justitie te passeren en een inhoudelijk oordeel te geven over het gevoerde verweer met betrekking tot het vereiste van rechtsmacht zoals neergelegd in artikel 6, vijfde lid, van de OLW, omdat de opgeëiste persoon daar belang bij heeft.

7. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat met de keuze van de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de overname van de tenuitvoerlegging van de straf door de Nederlandse Staat de grondslag aan het EAB is komen te vervallen en zal, conform de vordering van de officier van justitie, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren. In deze omstandigheden kan de rechtbank niet meer toe komen aan een inhoudelijk oordeel over eerder in deze zaak gevoerde verweren.

8. Beslissing

VERKLAART HET OPENBAAR MINISTERIE NIET-ONTVANKELIJK.

BEËINDIGT de op 4 september 2009 bevolen gevangenhouding.

Aldus gedaan door

mr. M.M. van der Nat, voorzit¬ter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en C.W. Bianchi, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 oktober 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]