Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK4979

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
: 13.497.228.2007 RK nummer: 08/6055
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Frankrijk heeft overlevering van de opgeëiste persoon verzocht. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan. Er is geen sprake van een onherroepelijk Frans verstekvonnis, zodat de weigeringsgrond, genoemd in artikel 6, lid 2 van de OLW niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.228.2007

RK nummer: 08/6055

Datum uitspraak: 7 mei 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 oktober 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 23 maart 2007 door de Vice Procureur de la République, verbonden aan het parket te Parijs (Frankrijk). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

wonende op het adres [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 december 2008. Daarbij zijn de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, gehoord. De behandeling van de zaak is op deze zitting voor onbepaalde tijd aangehouden om de beantwoording van door de rechtbank in de zaak met parketnummer 13.497.383.2008 aan de Franse autoriteiten gestelde vragen, die ook van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak, af te wachten. Op deze zitting is de termijn, genoemd in artikel 22, lid 1 van de OLW, met toepassing van artikel 22, lid 3 van de OLW verlengd met dertig dagen, aangezien de rechtbank er gezien de aanhouding van de zaak niet in zou slagen binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Nadat op 19 december 2008 en 8 januari 2009 de behandeling van de zaak wederom is aangehouden, is de behandeling voortgezet ter zitting van 23 april 2009. Daarbij zijn de officier van justitie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. G. Drummen, advocaat te Amsterdam, gehoord. De rechtbank heeft op deze zitting de uitspraaktermijn met toepassing van artikel 22, vierde lid, OLW verlengd voor onbepaalde tijd. De reden hiervoor is dat het niet mogelijk is gebleken binnen 90 dagen uitspraak te doen, omdat de antwoorden van het Franse Ministerie van Justitie in de zaak met parketnummer 13.497.383.2008 moesten worden afgewacht en het vervolgens enige tijd heeft geduurd voordat een datum voor inhoudelijke behandeling kon worden vastgesteld, en daarbij in aanmerking moest worden genomen dat deze zaak samen met een drietal andere zaken, waarin vergelijkbare verweren zijn gevoerd, op zitting gepland moest worden.

Ter zitting heeft de rechtbank de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon opgeheven.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel van 19 februari 2007 van de Senior Examining Magistrate at the High Instance Court van Parijs ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank constateert dat de personalia van de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 3 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

mensenhandel.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De minister van justitie van Frankrijk heeft bij (vertaalde) brief van 18 november 2008 de volgende garantie gegeven:

In antwoord op uw verzoek zou ik u dankbaar zijn de Nederlandse autoriteiten te willen mededelen dat het Franse Ministerie van Justitie de garantie verleent volgens welke, als [opgeëiste persoon] veroordeeld zou worden tot een definitieve vrijheidsstraf voor de feiten waarvoor zijn uitlevering verzocht is, hij zijn straf in Nederland kan uitzitten en dit in het kader van de aanpassing hiervan door de gerechtelijke autoriteiten van Nederland via de omzetprocedure beschreven bij artikel 11 van bovengenoemde overeenkomst.

De “bovengenoemde overeenkomst” is blijkens deze brief de overeenkomst van 21 maart 1983 betreffende het overbrengen van veroordeelde personen (Trb. 1983,74), hierna VOGP.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4 bedoelde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: mensenhandel.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Verweren

6.1 Artikel 6, lid 2 van de OLW

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van het bepaalde in artikel 6, lid 2 van de OLW dient te worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon inmiddels bij verstekvonnis van 31 oktober 2007 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar voor de strafbare feiten die ten grondslag liggen aan het EAB, dit vonnis volgens de raadsvrouw inmiddels onherroepelijk is geworden en daarmee sprake is van een verzoek om overlevering ter fine van executie.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Bij brief van 3 maart 2009 heeft het Franse Ministerie van Justitie antwoord gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen met betrekking tot de “verstekvonnissenproblematiek”. In deze brief staat onder meer het volgende.

Een vonnis wordt onherroepelijk doordat de veroordeelde de termijn voor het instellen van verzet ongebruikt laat verlopen, welke termijn begint te lopen na betekening van het vonnis. Indien een vonnis in het buitenland wordt betekend, is de duur van vorenbedoelde termijn dertig dagen.

De termijn waarbinnen verzet kan worden aangetekend kan slechts ingaan indien:

- de veroordeling is betekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 492 van het Franse Wetboek van Strafvordering,

- de gevonniste persoon voorafgaand persoonlijk in kennis is gesteld van de betekening, op zijn huisadres, op het kantoor van de deurwaarder of bij het OM,

- Indien deze volledige betekening niet heeft kunnen plaatsvinden dient de gezochte persoon in alle gevallen aan Frankrijk te worden overgeleverd om gevolg te kunnen geven aan het nationale aanhoudingsbevel.

Hoewel betekening door een buitenlandse gerechtelijke autoriteit mogelijk is, kan dit uitsluitend op uitdrukkelijk verzoek van de Franse autoriteit die dat per geval beslist. Indien dit verzoek ontbreekt, en rekening houdend met de complexiteit van de rechtshandeling, is rechtstreekse betekening niet mogelijk.

In antwoord op vragen van de rechtbank heeft het Franse Ministerie in deze brief verder geschreven dat de ontvangst door een buitenlandse autoriteit van een EAB niet kan worden beschouwd als startdatum voor de 30 dagen-termijn van het rechtsmiddel van verzet en dat ook de “betekening” van het EAB door de buitenlandse autoriteit de verzettermijn in geen enkel geval in gang kan zetten. Tevens staat in de genoemde brief dat, indien de bevoegde Franse gerechtelijke instantie om betekening heeft gevraagd, de datum van betekening van een verstekvonnis in Nederland kan worden gebruikt als start van de genoemde verzettermijn, maar dat dit niet geldt voor de ontvangst van het verstekvonnis, die niet dezelfde waarde heeft. Ten aanzien van de mogelijkheid om vanuit Nederland afstand te doen van het rechtsmiddel van verzet staat in de brief van 3 maart 2009, dat indien een Nederlander na betekening gedurende 30 dagen zwijgt, dit geldt als dat hij afstand heeft gedaan van het rechtsmiddel van verzet. Hetzelfde geldt voor een Fransman aan wie het vonnis in Frankrijk is betekend, maar dan met een termijn van 10 dagen. De Franse strafvordering kent geen andere vorm van instemming dan een 30 dagen durend stilzwijgen (10 dagen in Frankrijk). Betrokkene kan verklaren dat hij zijn straf accepteert, maar de mogelijkheid blijft open staan om gedurende 30 dagen conform artikel 492 verzet aan te tekenen. Ten aanzien van de opgeëiste persoon staat in deze brief tenslotte vermeld dat geen betekening (in de zin van de Franse wetgeving) heeft plaatsgevonden.

Uit de stukken blijkt dat de Franse officier van justitie op 12 januari 2009 de ‘enacting terms’ van het vonnis van 31 oktober 2007 van de rechtbank te Parijs, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot voornoemde gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, heeft gestuurd naar de officier van justitie (parket) te Amsterdam. In deze (vertaalde) brief is het volgende verzoek opgenomen:

I confirm that you should notify this judgment to [opgeëiste persoon] in order to start the delay over which said judgment can be set aside and make it definitive. Therefore I am asking you to draw up a report of notification of this judgment and send it to me.

Uit de stukken maakt de rechtbank op dat voornoemde ‘enacting terms’ van het vonnis van

31 oktober 2007 van de rechtbank te Parijs op 16 januari 2009 in het huis van bewaring “Demersluis” te Amsterdam in persoon zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat op 16 januari 2009 betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en dat dit vonnis onherroepelijk is geworden doordat de opgeëiste persoon de verzettermijn van dertig dagen ongebruikt heeft laten verlopen.

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw niet, nu de Franse officier van justitie bij (vertaalde) brief van 21 april 2009, gericht aan de officier van justitie te Amsterdam, heeft verklaard dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, omdat enkel het beschikkende gedeelte van het vonnis ter kennisgeving aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. Om het vonnis onherroepelijk te maken, had het deurwaardersexploot en het gehele vonnis aan de opgeëiste persoon moeten worden overhandigd, aldus de Franse officier van justitie. Hoewel de gevolgde werkwijze in dit geval aldus verwarrend kan worden genoemd, en uit de brief van 12 januari 2009 de intentie blijkt van de Franse autoriteiten om het vonnis betekend te krijgen, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de uitvaardigende autoriteit, dat nog steeds geen rechtsgeldige betekening naar Frans recht heeft plaatsgevonden, en dat het vonnis derhalve nog niet onherroepelijk is.

Gezien het voorgaande staat het bepaalde in artikel 6, lid 2 van de OLW niet in de weg aan overlevering van de opgeëiste persoon, nu niet wordt voldaan aan de in dit artikel gestelde voorwaarde dat sprake is van een onherroepelijk vonnis.

Nu niet gebleken is dat de opgeëiste persoon persoonlijk is gedagvaard of op andere wijze is ingelicht omtrent datum en plaats van de zitting, dient de overlevering – gelet op het bepaalde in artikel 12 van de OLW – in beginsel te worden geweigerd, tenzij de uitvaardigende justitiële autoriteit de garantie als bedoeld in dit artikel verstrekt.

Bij brief van 14 november 2008 heeft de procureur de la République geschreven: “Si [opgeëiste persoon] est remis aux autorités francaises, le mandat d’arrêt recevra exécution. Le jugement lui sera notifié et il aura la possibilité de former opposition pour être jugé à nouveau en sa présence, avec l’assistance d’un avocat, s’il en fait demande. En attendant la nouvelle audience, le Juge des Libertés et de Détention décidera, après un débat contradictoire, de la plaçer sous contrôle judiciaire ou de la plaçer en détention provisoire.”

Voorts is in een brief van de officier van justitie verbonden aan het parket van de rechtbank te Parijs van 21 april 2009, dus na bovengenoemde betekening van de ‘enacting terms’ van het vonnis, nog het volgende meegedeeld: “de advocaat van [opgeëiste persoon] zal recht hebben in beroep te gaan, dit beroep kan worden ingesteld tot aan het vervallen van de termijn van de voorgeschreven straf (vijf jaar plus tien dagen).”

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde garantie voldoet aan de eisen die artikel 12 van de OLW daaraan stelt.

6.2 Détournement de pouvoir

De raadsvrouw heeft verder gesteld dat de overleveringsprocedure in deze zaak voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor deze is bedoeld. Zij maakt er bezwaar tegen dat de opgeëiste persoon, ondanks dat hij wenst te berusten in het verstekvonnis, naar Frankrijk wordt overgeleverd uitsluitend om aldaar het vonnis betekend te krijgen, afstand te doen van het rechtsmiddel van verzet en af te wachten tot hij wordt overgebracht naar Nederland om hier het resterende deel van zijn straf uit te zitten. Volgens de raadsvrouw wordt de opgeëiste persoon op deze manier als speelbal gebruikt, hetgeen te wijten is aan het onderliggende probleem dat de Franse autoriteiten zich niet bereid tonen een regeling te treffen die het mogelijk maakt dat Nederlandse onderdanen, zonder dat zij Nederland daarvoor eerst dienen te verlaten, de straf die hen in Frankrijk is opgelegd in Nederland kunnen ondergaan. Deze U-bochtconstructie heeft volgens de raadsvrouw feitelijk tot gevolg dat Frankrijk alvast een deel van de op te leggen straf in Frankrijk executeert, terwijl het niet is toegestaan Nederlanders ter fine van executie van een onherroepelijk vonnis over te leveren.

De rechtbank onderschrijft niet de stelling van de raadsvrouw, dat de overleveringsprocedure in dit geval wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld. Voorzover het verweer van de raadsvrouw inhoudt dat sprake is van overlevering ter fine van executie, faalt het verweer omdat naar het oordeel van de rechtbank, zoals reeds is overwogen, van een onherroepelijk vonnis geen sprake is. Verder geldt dat, hoewel de opgeëiste persoon heeft benadrukt dat hij zich niet aan tenuitvoerlegging van zijn straf als zodanig wil onttrekken, maar alleen wenst te bewerkstelligen dat hij die straf in Nederland mag uitzitten, het eventueel onherroepelijk worden van het vonnis in Nederland, na betekening van het vonnis op verzoek van de Franse autoriteiten, in dit geval tot gevolg zou hebben dat de overlevering zou moeten worden geweigerd. Aldus zou de opgeëiste persoon zijn straf alsdan - thans - ontlopen, nu het op grond van de huidige (internationale) regelgeving op het gebied van overneming van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen bij gebreke van een daartoe geldende overeenkomst niet mogelijk is de tenuitvoerlegging in Nederland te laten plaatsvinden. Indien en voorzover het dan ook de bedoeling van de verdediging is geweest dat de rechtbank mede de proportionaliteit van de in casu door de Franse autoriteiten gevolgde handelwijze bij haar beoordeling van de toelaatbaarheid van het verzoek tot overlevering betrekt, wordt overwogen dat, nu de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk vooralsnog een voorwaarde vormt voor de eventuele tenuitvoerlegging van het vonnis, van deze omstandigheid bezwaarlijk kan worden gezegd dat die de verzochte overlevering in de onderhavige situatie onevenredig maakt. De omstandigheid dat Frankrijk naar gesteld door de raadsvrouw ook op andere wijze, namelijk door haar wetgeving daar op aan te passen, zou kunnen bewerkstelligen wat wordt beoogd, betekent niet dat zij de overleveringsprocedure oneigenlijk gebruikt.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 11 en 12 van de OLW.

Artikel 273f Wetboek van strafrecht

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Vice Procureur de la République, verbonden aan het parket te Parijs (Frankrijk), ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.C. Boeree, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en W.J. van Bennekom, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 7 mei 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A