Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK4842

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
13/421052-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

voorlopige hechtenis. onthouden rechtsmiddel strijd met art. 6 evrm?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/421052-09

Beschikking in hoger beroep.

In de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2009 is het hoger beroep, ingesteld bij akte rechtsmiddel van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam tegen de beschikking van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Amsterdam van 2 november 2009, ingekomen ter griffie dezer rechtbank van 3 november 2009 behandeld, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962

wonende te [adres]

In raadkamer is verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, gehoord.

De procedure:

De officier van justitie heeft op 2 november 2009 bij de rechter-commissaris een vordering inbewaringstelling ingediend, strekkende tot de inbewaringstelling van verdachte terzake 1) poging doodslag en 2) poging zware mishandeling. De rechter-commissaris heeft op 2 november 2009 de vordering terzake feit 1 afgewezen en terzake feit 2 de vordering toegewezen, waarbij aansluitend de inbewaringstelling is geschorst onder algemene voorwaarden.

De officier van justitie heeft blijkens de akte instellen rechtsmiddel van 3 november 2009 hoger beroep ingesteld ex artikel 87 Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen zowel de beslissing tot afwijzing van de inbewaringstelling als tegen het bevel schorsing voorlopige hechtenis. Zij heeft hiertoe in haar schriftuur van 3 november 2009 gronden aangevoerd.

De officier van justitie heeft in raadkamer van 16 november 2009 geconcludeerd tot vernietiging van de beslissingen van de rechter-commissaris van 2 november 2009 en verzocht alsnog de inbewaringstelling te bevelen ten aanzien van feit 1 en het verzoek tot schorsing af te wijzen. (De rechtbank begrijpt: het bevel tot schorsing ten aanzien van feit 2 te vernietigen en het verzoek tot schorsing af te wijzen).

De verdediging heeft verweer gevoerd en terzake hiervan overweegt de rechtbank het navolgende:

Artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM):

a. onthouden recht op hoger beroep

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van schending van het artikel 6 lid 1 EVRM nu de officier van justitie wel en de verdachte niet het recht heeft in beroep te komen van een beslissing van de rechter-commissaris (de rechtbank begrijpt: van een beslissing tot bevel inbewaringstelling resp. een beslissing tot afwijzing vordering inbewaringstelling).

Er is sprake, aldus de verdediging, van een significant procedureel voordeel voor de officier van justitie en daarom geen sprake van ‘equality of arms’. De verdediging wijst in dit verband naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 30 oktober 1991, [naam] vs Belgium. De conclusie die de verdediging verbindt aan de weigering van de wetgever op dit onderdeel in te grijpen, is dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het betoog van de verdediging komt feitelijk erop neer dat het OM in deze zaak, vanwege de gestelde ongelijkheid, niet het recht heeft c.q. geen gebruik mag maken van haar recht in hoger beroep te komen tegen de gewraakte beslissingen van de rechter-commissaris van 2 november 2009. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat uitoefening van dit recht in strijd is met een behoorlijk en eerlijk proces. De door de verdediging opgeworpen verschillen in mogelijkheden hoger beroep of beroep in cassatie in te stellen voor de verdachte respectievelijk de officier van justitie zijn evenzo aan de orde gekomen en ter beoordeling van de Hoge Raad voorgelegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken HR 30 januari 1996, NJ 1996, 288 en

HR 8 juli 1994, NJ 1995, 30. De Hoge Raad heeft terzake onder meer overwogen dat:

“Het Wetboek van Strafvordering kent velerlei beschikkingen. Deze hebben betrekking op onderwerpen van onderling verschillende aard. Bij de vraag tegen welke beschikkingen al dan niet hoger beroep en/of beroep in cassatie moet kunnen worden ingesteld door de verdachte en/of het openbaar ministerie zijn verschillende keuzes denkbaar, waarbij uiteenlopende belangen van practische en meer principiële aard zijn betrokken en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel kunnen worden gesteld. Daarvan uitgaande moet, daargelaten of er wat betreft de toepassing van de art. 445 en 446 Sv sprake is van strijd met art. 5 lid 4 EVRM en/of met evengemeld beginsel, worden aangenomen dat het openstellen voor de verdachte van hoger beroep en beroep in cassatie, als in de hiervoor bedoelde stelling bepleit, valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten”.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovengenoemde overweging, het aan de wetgever en niet aan de rechter in een concreet geval is, te oordelen omtrent het al dan niet toekennen van gelijke mogelijkheden voor de verdachte en het openbaar ministerie of van beschikkingen in hoger beroep en/of beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat de officier van justitie, gebruik makend van zijn bij wet toegekende recht hoger beroep in te stellen, ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte van diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, als gevolg waarvan hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep. De rechtbank verwerpt het verweer op dit onderdeel.

b. videobeelden

Primair heeft de verdediging voorts betoogd dat zij evenzo op achterstand wordt gezet nu de officier van justitie wel en de verdediging niet beschikt over de videobeelden welke aan het procesdossier zijn toegevoegd. Deze videobeelden heeft de verdediging opgevraagd doch tot op heden nog niet ontvangen. Hiermee is evenzo het beginsel van ‘equality of arms’ en daarmee artikel 6 lid 3 onder b EVRM (recht van verdachte op tijd en faciliteiten om zich voor te bereiden op zijn verdediging) geschonden.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging (verdachte en zijn advocaat) op 2 november 2009 de betreffende videobeelden bij gelegenheid van de vordering inbewaringstelling in het kabinet van de rechter-commissaris heeft gezien, heeft kunnen beoordelen en zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken in het kader van de vraag of de voorlopige hechtenis al dan niet moest worden bevolen. Verdachte heeft wel kennis kunnen nemen van de betreffende beelden, terwijl voorts de officier van justitie in raadkamer heeft medegedeeld, dat de beelden inmiddels aan de verdediging zijn toegestuurd.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden, mede gelet op de fase van het strafproces op dit moment, niet kan worden gesproken van schending van het beginsel van ‘equality of arms’ als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht, alvorens op het hoger beroep te beslissen, de videobeelden te bekijken in raadkamer opdat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt terzake kenbaar te maken. Kort en goed verzoekt de verdediging de behandeling van het hoger beroep aan te houden.

De rechtbank overweegt dat gelet op het hiervoor onder b (primair) gestelde, het verzoek tot aanhouding wordt verworpen.

Inhoudelijk:

De rechtbank is, kennis nemende van ondermeer de videobeelden en de processen-verbaal, met de verdediging van oordeel dat geen sprake is van (voldoende) ernstige bezwaren terzake de onder 1 van de vordering inbewaringstelling genoemde poging doodslag. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het hoger beroep zich niet uitstrekt tot de vraag of sprake is van ernstige bezwaren ten aanzien van het onder 2 (poging zware mishandeling) tenlastegelegde. De rechter-commissaris heeft op dit onderdeel geoordeeld dat er ten aanzien van feit 2 sprake is van ernstige bezwaren en de rechtbank neemt deze beslissing dan ook als uitgangspunt.

Rest de vraag die aan de rechtbank ter beoordeling voorligt of bij een afweging van belangen het belang van verdachte zwaarder dient te wegen dan het maatschappelijke belang van voortzetting van de voorlopige hechtenis. De rechtbank slaat hierbij acht op de persoonlijke omstandigheden van verdachte (verdachte stelt onmisbaar te zijn nu zijn partner lijdt aan een syndroom dat haar extreem vatbaar maakt voor diverse angstaanjagende kwalen en verwijst hiertoe naar een verklaring van het AMC van 21 augustus 2008). Zij is fulltime werkzaam en er is een thuiswonend kind.

Anderzijds slaat de rechtbank acht op het feit dat de verdenking zich richt op een ernstig feit, waarbij politieambtenaren aangevers zijn en verdachte reeds meermalen is veroordeeld terzake van een geweldsdelict, waaronder verzet tegen ambtenaren. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, alles tezamen bezien, het belang van verdachte niet opweegt tegen het maatschappelijke belang.

De rechtbank heeft hierbij de artikelen 63, 64, 67, 67a en 80 van het Wetboek van Strafvordering en het artikel 302 j 45 Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen.

Beslissing:

Verklaart het beroep ongegrond, voorzover dat is ingesteld tegen de beslissing tot afwijzing van de vordering inbewaringstelling ten aanzien van feit 1 van de vordering inbewaringstelling.

Verklaart het beroep gegrond, voorzover dit is ingesteld tegen de beslissing tot schorsing van de inbewaringstelling ten aanzien van feit 2 van de vordering inbewaringstelling en

Vernietigt het bevel tot schorsing voorlopige hechtenis van de rechter-commissaris van

2 november 2009 en wijst het verzoek tot schorsing tot schorsing voorlopige hechtenis af.

Aldus gedaan in raadkamer van 17 november 2009 door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp, J.W. Vriethoff, rechters,

in tegenwoordigheid van A.E.C. Content, griffier.

mr. J. Knol, voorzitter,

A.E.C. Content, griffier

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte.