Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3764

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
439587 / KG ZA 09-2128, 439536 / FA RK 09-7604 en 439474 / FA RK 09-7561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroepschrift tegen huisverbod en verlenging. Geen ernstig en onmiddellijk gevaar.

Beroep tegen beide besluiten gegrond. Vernietiging besluiten. Voorlopige voorziening afgewezen. Onvoldoende komen vast te staan dat er sprake is van ernstig en onmiddellijk gevaar. Sleutels van verzoeker waren gedeactiveerd voor oplegging van huisverbod. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

Voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 439587 / KG ZA 09-2128, 439536 / FA RK 09-7604 en 439474 / FA RK 09-7561

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 5 oktober 2009 naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [woonplaats],

verzoekende partij,

gemachtigde mr. J. van Koesveld,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verwerende partij,

zetelende te Amsterdam,

gemachtigde mr. A. Berends,

in welke zaak als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna de vrouw.

De procedure:

1.1 Bij besluit van 17 september 2009 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd van donderdag 17 september 2009 00.35 uur tot zondag 27 september 2009 om 00.35 uur, alsmede een contactverbod (hierna: het huisverbod). Tegen deze beslissing is op 24 september 2009 een beroepschrift ingediend (zaaknummer 439474 / FA RK 09-7561).

1.2 Bij besluit van 25 september 2009 is het huisverbod verlengd met ingang van zondag 27 september 2009 00.35 uur tot en met zaterdag 10 oktober 2009 00.35 uur (hierna: de verlenging). Verzoeker heeft bij faxbericht van 1 oktober 2009 beroep ingesteld tegen de verlenging (zaaknummer 439536 / FA RK 09-7604). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer 439587 KG ZK 09-2128).

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2009. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigden van verweerder mevrouw mr. A. Berends en [persoon 1].

1.6 De rechter heeft, na partijen daarover te hebben geïnformeerd, het beroep tegen het huisverbod, het beroep tegen de verlenging en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gelijktijdig behandeld.

1.7 Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 5 oktober 2009 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

De beslissing:

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- wijst het verzoek om een schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.288,= en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat, indien aan verzoeker griffierecht in rekening is gebracht, deze bedragen door de griffier worden teruggestort.

Ter zitting is aan partijen meegedeeld dat zij tegen de uitspraak in de beide hoofdzaken (439474 / FA RK 09-7561 en 439536 / FA RK 09-7604) binnen zes weken na de datum van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De gronden van de beslissing:

Wettelijk kader

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld (…), de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan en beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Feiten

3.3 Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.4 Verzoeker heeft met de vrouw een relatie gehad, die ongeveer twee maanden geleden is geëindigd. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, [kind 1], geboren [geboortedatum] 2006, en [kind 2], geboren [geboortedatum] 2009. Na het verbreken van de relatie is verzoeker in de gezamenlijke koopwoning aan [adres 1] gaan wonen en is de vrouw met de kinderen in de gezamenlijke huurwoning aan de [adres 2] (hierna: de huurwoning) blijven wonen.

3.5 De vrouw heeft zich op 16 september 2009 bij de politie gemeld met de mededeling zojuist te zijn mishandeld door haar man. Uit het proces-verbaal “van bevindingen omtrent opleggen huisverbod” blijkt dat de vrouw heeft verklaard dat verzoeker haar heeft geschopt en haar arm heeft verdraaid in het bijzijn van de kinderen.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de hulpofficier vervolgens met de vrouw naar de huismeester van haar woonblok is gegaan. “Ik heb de huismeester samen met [de vrouw] de situatie uitgelegd en verzocht of de sleutels van [verzoeker] konden worden geblokkeerd. Het woonblok is namelijk voorzien van electronische sleutels. De huismeester heeft direct de sleutels van [verzoeker] geblokkeerd en veiligheidshalve het cilinder van de toegangsdeur tot de woning vervangen.”

Verzoeker is, aldus het proces-verbaal, enkele uren later op het politiebureau verschenen. Verzoeker heeft aldaar verklaard dat hij noch die dag noch eerder geweld heeft gebruikt en dat de vrouw hem heeft mishandeld.

3.6 Vervolgens heeft de hulpofficier het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) ingevuld. Op basis daarvan heeft de hulpofficier geconcludeerd dat een huisverbod diende te worden opgelegd. Het voornemen om een huisverbod aan de verzoeker op te leggen is hem kenbaar gemaakt. De zienswijze van verzoeker luidde dat hij dat niet nodig vond en dat hij het nodig vond dat partijen om de tafel gaan zitten om afspraken te maken.

3.7 Vervolgens is het huisverbod opgelegd. Bij het besluit tot huisverbod is verzoeker gelast op grond van artikel 2 Wet tijdelijk huisverbod (Wth) de woning aan genoemd adres onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf 17 september 2009 te 00.35 uur tot 27 september 2009 te 00.35 uur niet te betreden en daarin niet aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Verweerder heeft verzoeker voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met de vrouw en de kinderen. Het besluit meldt, tot slot, dat de sleutels van verzoeker niet zijn ingenomen.

Ter motivering van het huisverbod heeft verweerder gesteld dat partijen een scheiding van de relatie doorlopen. De vrouw is bang voor verzoeker door zijn lichaamsbouw, mondelinge intimidatie en soms fysiek geweld. Onlangs is geweld gebruikt tegen het oudste kind door verzoeker. Verzoeker ontkent het plegen van geweld. Hij geeft de vrouw de schuld voor het niet nakomen van afspraken en de gezondheidsproblemen van het jongste kind. Hoewel verzoeker niet meer in de huurwoning woont, is het huisverbod opgelegd omdat hij ongevraagd de huurwoning betreedt, waarna de zaken escaleren.

3.6 Op 25 september 2009 is het besluit om het huisverbod te verlengen genomen. Ter motivering van de verlenging heeft verweerder gesteld dat er tussen partijen geen afspraken gemaakt kunnen worden. De vrouw heeft een advocaat ingeschakeld welke een kort geding dagvaarding aan verzoeker heeft gezonden. De uitreiking van deze dagvaarding zorgt voor toename van de spanningen en draagt bij aan de onveilige situatie. Dit wordt ook zo ingeschat door de hulpverlening.

Verzoeker heeft naar aanleiding van het voornemen het huisverbod te verlengen verklaard dat hij het niet eens is met de verlenging. Hij woont op een ander adres en wil graag zijn kinderen zien. De zienswijze van de vrouw is dat zij de situatie als onveilig beoordeeld en met de kinderen zal vertrekken indien het huisverbod niet wordt verlengd.

3.7 Verzoeker heeft tegen de besluiten tot oplegging en verlenging van het huisverbod aangevoerd, dat ten onrechte wordt gesteld dat uit het RiHG kan worden afgeleid dat er sprake was van een ernstig vermoeden van gevaar. Verzoeker woont immers niet op dit adres en ontkent dat er sprake is geweest van geweld. Het RiHG is onjuist ingevuld. De hulpofficier van justitie gaat zondermeer uit van de juistheid van de verklaringen van de vrouw, terwijl verzoeker deze weerspreekt. Er is geen feitelijke onderbouwing van de stellingen van de vrouw. Voor de verlenging wordt zonder enige kanttekening voortgeborduurd op de reeds ingeslagen weg. Dat de uitbrenging van de dagvaarding voor spanningen zorgt, is niet verwonderlijk, nu de vrouw deze liet uitreiken door de deurwaarder op het moment dat verzoeker verscheen voor een gezamenlijk gesprek met de hulpverlening. Verzoeker kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw willens en wetens elke vooruitgang in de beëindiging van de relatie tracht te frustreren. De vrouw gebruikt het opgelegde huisverbod om in kort geding hem elk contact met zijn kinderen te ontzeggen.

3.8 Verweerder heeft daar het volgende tegenover gesteld.

Het RiHG is op een aantal punten onjuist ingevuld, doordat de signalen mogelijk ruimer zijn geïnterpreteerd. Het tweede beoordelingsmoment leverde toch een sterk signaal op. Er is duidelijk sprake van een verstoorde relatie tussen verzoeker en de vrouw. Ze zijn het oneens over de opvoeding van hun kinderen en het gezag over hun kinderen. Om escalatie te voorkomen is het noodzakelijk geacht een huisverbod op te leggen en vooral om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Voor de kinderen is een rustperiode heel belangrijk.

Tot verlenging is besloten omdat tijdens het systeemgesprek bleek dat het niet mogelijk was om een afspraak met verzoeker en de vrouw te maken, omdat de spanningen door de uitgereikte kort geding-dagvaarding waren toegenomen. Dit is een indicatie dat het gevaar nog niet is weggenomen. Dit werd ook door de hulpverlening gesignaleerd.

Beoordeling

3.9 De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Artikel 9 lid 2 van deze wet bepaald dat een beroep tegen de oplegging van een huisverbod mede betrekking heeft op een beschikking tot verlenging van het huisverbod. Het beroep tegen oplegging van het huisverbod wordt, gezien deze door de wetgever aangenomen samenhang, gevoegd met het beroep tegen de verlenging.

3.10 De rechter overweegt dat het huisverbod is opgelegd als een afkoelingsperiode om verdere escalatie en gevaar te voorkomen en om te voorkomen dat verzoeker te pas en te onpas de huurwoning zou betreden. De verlenging van het huisverbod is gelegen in de toegenomen spanningen door de uitreiking van de kort geding-dagvaarding door de vrouw.

De rechter constateert evenwel dat, voordat het besluit tot huisverbod werd genomen, de sleutels van verzoeker reeds waren gedeactiveerd. Dit buiten werking stellen van de sleutels vond niet plaats in het kader van het opleggen van een huisverbod doch daaraan voorafgaand. Doordat de sleutels van de man reeds waren gedeactiveerd, had hij geen toegang meer tot de woning. Verweerder heeft ter zitting erop gewezen dat het huisverbod, blijkens de definitie van artikel 1, sub b, Wth, ook een verbod tot het zich ophouden bij de woning betreft en dat daarin de noodzaak tot het huisverbod lag. Ter zitting heeft de man desgevraagd en onweersproken uitgelegd dat hij door het deactiveren van de sleutel ook geen toegang meer had tot het gebouw waarin de huurwoning zich bevindt, waaronder de gemeenschappelijke hal en de parkeergarage. De hulpofficier was ten tijde van het nemen van het besluit tot huisverbod en het besluit tot verlenging van dit gegeven op de hoogte nu de hulpofficier de deactivering zelf heeft bewerkstelligd en – zo begrijpt de rechtbank het besluit tot huisverbod - om die reden de sleutels niet zijn ingenomen.

3.11 Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende is komen vast te staan dat is voldaan is aan de eisen van artikel 2 Wth. Eiser had reeds feitelijk geen toegang meer tot de woning en tot het gebouw waarin de woning zich bevindt. In die omstandigheid kan niet gesteld worden dat verzoekers aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen. Verweerder was derhalve niet bevoegd tot het opleggen van een huisverbod alsmede tot verlenging van het huisverbod.

3.12 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter heeft, met gegrondverklaring van het beroep, de bestreden besluiten vernietigd. Gelet hierop heeft de rechter voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding gezien.

3.13 Verzoeker heeft, zowel in het beroep tegen de oplegging als tegen de verlenging, verzocht om een vergoeding van geleden schade. Verzoeker heeft niet gesteld welke en hoeveel schade hij heeft geleden. Wegens onvoldoende onderbouwing is het verzoek om toekenning van een schadevergoeding afgewezen.

3.14 Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker voor de behandeling van zijn verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechter de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op euro € 1.288,=. Hierbij heeft de voorzieningenrechter zowel voor het opstellen van het verzoekschrift en de twee beroepschriften, als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Deze uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. E.E.V. Lenos, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.H. Braaf-van der Putten, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: