Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3502

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
435977 - KG ZA 09-1770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil over erfdienstbaarheid inhoudend het recht om te parkeren om naburig perceel. Onder meer vordering om te bepalen dat gedaagde eisers in de uitoefening van hun rechten niet hindert (door hen 'klem te zetten') alsmede vordering tot onderhouden van het gemeenschappelijke grindterrein worden in kort geding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 435977 / KG ZA 09-1770 SR/MB

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers bij dagvaarding van 14 september 2009,

advocaat mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R. Vos te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 22 september 2009 heeft [eiser sub 1] c.s. gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig: partijen en hun raadslieden. Tevens waren als toehoorders aanwezig [persoon 1] en diens advocaat mr. M.E.F. Parramore.

Tijdens een descente op 20 augustus 2009 in een ander, met het onderhavige geschil samenhangend kort geding (met [gedaagde] als eiser en [persoon 1] als gedaagde) heeft de voorzieningenrechter de situatie ter plaatse opgenomen. In die zaak (met nummers: 428383 KG ZA 09-1106 SR/MB) zal op dezelfde datum vonnis worden gewezen als in de onderhavige.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn buren van elkaar. [gedaagde] woont (sinds medio 2004) in het pand met het adres [adres] en [eiser sub 1] c.s. (sinds 1977) in de woning op nummer [nr]. De woning van [gedaagde] bevindt zich op het perceel [perceel] (groot) (eigendom van [gedaagde]), waarvan tevens deel uitmaakt een aan de openbare weg grenzend grindterrein waarop auto’s kunnen worden geparkeerd (verder: het grindterrein). [gedaagde] is daarnaast eigenaar van perceel [perceel 2], een onbebouwd terrein in het verlengde van perceel [perceel] (groot), dat grenst aan het water en dat tevens via het grindterrein bereikbaar is.

Ten laste van het perceel van [gedaagde] en ten gunste van het perceel van [eiser sub 1] zijn erfdienstbaarheden gevestigd, inhoudend – kort gezegd – a. het recht van weg zodat [eiser sub 1] c.s. vanaf de openbare weg zijn perceel kan bereiken over het grindterrein en b. het recht om auto’s te parkeren op het parkeerterrein.

Partijen zijn al enige jaren met elkaar in gerechtelijke procedures verwikkeld met betrekking tot deze erfdienstbaarheden. Ook tussen de bewoners van het aangrenzende perceel op nummer [nr], [p[persoon 1] en diens echtgenote, (verder: [persoon 1] c.s.) en [gedaagde] bestaan geschillen over erfdienstbaarheden en de uitvoering daarvan.

2.2. In 2007 heeft [gedaagde] vóór de toegang tot het perceel [perceel 2] een paaltje met een bordje ‘uitrit vrijlaten’ geplaatst.

2.3. In de akte van 27 september 1977 houdende vestiging erfdienstbaarheden zijn de erfdienstbaarheden ten behoeve van het perceel van [eiser sub 1] c.s. als volgt vastgelegd:

“De comparanten (…) verklaarden bij deze te vestigen de navolgende erfdienstbaarheden:

1. Ten nutte van de beide hiervoor sub A en sub B vermelde in eigendom overgedragen perceelsgedeelten en ten laste van het aan de heer [persoon 2] nog in eigendom verbleven overige gedeelte van dat kadastrale perceel voor zover gelegen tussen beide verkochte opstallen en de openbare weg, hetwelk is voorzien van een grindlaag: het recht van weg om te komen en te gaan van en naar de openbare weg langs de kortste route over het bij de respectieve heersende erven meest nabij gelegen gedeelte van het lijdend erf, mede inhoudende het recht om – mits de uitgang van de garages en de doorgang ten behoeve van alle betrokken erven van en naar de openbare weg niet belemmerende – met (…) automobielen en andere voertuigen, voor zover dienende tot particulier personenvervoer te parkeren en geparkeerd te laten op dat gedeelte van het lijdend erf dat het meest nabij de opstallen van de respectieve heersende erven is gelegen;

zullende de kosten van onderhoud en instandhouding van het lijdend erf tot het gebruik krachtens evengemelde erfdienstbaarheid, door de eigenaren van de heersende erven mede worden gedragen en betaald ieder voor één/vierde gedeelte

(…)”

2.4. Op 27 maart 2007 heeft [eiser sub 1] c.s. [gedaagde] gedagvaard in een bodemprocedure bij deze rechtbank in een geschil betreffende de uitoefening van de erfdienstbaarheid. De rechtbank heeft de vordering van [eiser sub 1] c.s. bij vonnis van 17 oktober 2007 afgewezen en (onder meer) het volgende overwogen:

“11. De uitleg die [eiser sub 1] geeft aan de inhoud van de erfdienstbaarheid, die in feite neerkomt op onbeperkte zeggenschap over het grindterrein, doet geen recht aan de (…) inhoud. [eiser sub 1] gaat eraan voorbij dat in duidelijke bewoordingen is weergegeven dat hij met zijn auto’s kan komen en gaan langs de kortste route over het bij zijn erf meest nabij gelegen deel van het erf van [gedaagde]. Verder gaat [eiser sub 1] eraan voorbij dat hij zijn auto’s blijkens de inhoud van de erfdienstbaarheid slechts kan parkeren op dat deel van het erf van [gedaagde] dat het meest nabij de opstallen van [eiser sub 1] is gelegen. De duidelijke omschrijving in de akte van erfdienstbaarheid legt derhalve beperkingen op aan [eiser sub 1]. [eiser sub 1] heeft er ook rekening mee te houden dat de erfdienstbaarheid ten laste van het dienende erf dient te geschieden op de minst bezwarende wijze. Dat betekent dat [eiser sub 1] niet meer overlast mag veroorzaken jegens [gedaagde] dan redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht voor een behoorlijke uitoefening van het recht. Tenslotte moet ervan worden uitgegaan dat bij de uitleg van de wijze waarop de erfdienstbaarheid moet worden uitgeoefende de redelijkheid en billijkheid een rol spelen.

12. Bij gelegenheid van de gerechtelijke plaatsopneming is gebleken dat er voor [eiser sub 1] voldoende mogelijkheden zijn om te parkeren op de plaats die volgens de akte van erfdienstbaarheid is bepaald (het meest gelegen bij de opstallen van [eiser sub 1]) of, zoals [gedaagde] dat uitdrukt, in de rechter bovenhoek van het perceel. Gebleken is (…) dat er ter plaatse, tegen de muur die het erf van [gedaagde] scheidt met het erf van [eiser sub 1], parkeermogelijkheden zijn voor drie tot vier auto’s. Dit moet, gelet op de gezinssamenstelling van [eiser sub 1] (twee personen) onder normale omstandigheden voldoende zijn. (…)”

2.5. Bij arrest van 30 september 2008 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van 17 oktober 2007 bekrachtigd. In dit arrest is onder meer het volgende overwogen:

“4.2.1.2. (…)

Wat [eiser sub 1] betreft wordt hem derhalve (voor zover thans van belang) door de erfdienstbaarheid het recht verleend dat ten nutte van zijn perceel door automobielen en andere voertuigen, voor zover dienende tot particulier personenvervoer, wordt geparkeerd onmiddellijk tegenover de scheidsmuur tussen het erf van [gedaagde] en dat van [eiser sub 1] aan de noordzijde van het grindterrein. Aan de oostzijde wordt dit gedeelte begrensd door het pand van [eiser sub 1] en [gedaagde], aan de westzijde door het einde (dan wel begin) van de scheidsmuur, waar het erf van [gedaagde] zich in noordelijke richting uitstrekt.

(…)

4.5 In de derde en vijfde grief wordt, kort gezegd, aangevoerd dat de parkeerruimte voor drie auto’s onmiddellijk tegenover de meerbedoelde scheidsmuur tussen de beide erven onder normale, dagelijkse omstandigheden – gezien de gezinssamenstelling en de andere bezoekers van [eiser sub 1] – ontoereikend is, terwijl het parkeren op de openbare weg op onevenredige, praktische bezwaren stuit. Deze grieven kunnen evenmin slagen, waar de genoemde omstandigheden (…) geen rol spelen bij het bepalen van de inhoud van de onderhavige erfdienstbaarheid.

(…)

4.7 Met de zesde grief vecht [eiser sub 1] aan dat hij gehouden is de toegang vrij te houden tot het gedeelte van het perceel van [gedaagde] aan de noordzijde van het grindterrein waarop de erfdienstbaarheid betrekking heeft. (…) Uit hetgeen hiervoor (…) is overwogen volgt dat het ten behoeve van [eiser sub 1] voor parkeren aangewezen gebied aan de westzijde wordt begrensd door het einde (dan wel het begin) van de scheidsmuur tussen beide percelen. Daarmee is gegeven dat [eiser[eiser sub 1] met een beroep op de erfdienstbaarheid geen aanspraak kan maken op parkeerruimte vóór de toegang tot het perceelsgedeelte van [gedaagde] aan de noordzijde van het grindterrein. Omgekeerd behoeft [gedaagde] in de erfdienstbaarheid geen reden te zien om [eiser sub 1] toe te staan vóór de toegang tot dit perceelsgedeelte te (laten) parkeren. Het is [gedaagde] ook toegestaan om met een paaltje en/of bord aan te geven dat hij niet wenst dat op de hier bedoelde plaats worden geparkeerd, voor zover een dergelijk teken althans niet in de weg staat aan het parkeren op het daarvoor bestemde gebied, onmiddellijk voor de scheidsmuur.”

2.6. In een vonnis van 12 november 2008 in een procedure van [gedaagde] tegen onder anderen [eiser sub 1] c.s. en [persoon 1] c.s. over (met name) de erfdienstbaarheden heeft deze rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“In conventie en in reconventie

55. Partijen hebben over en weer nog uitvoerig debat gevoerd over meerdere andere punten, veelal betrekking hebben op de persoonlijke verhoudingen. De daarin weergegeven standpunten zijn echter niet van belang voor de hier te nemen juridische beslissingen. Naar uit de stukken kan worden opgemaakt zijn de persoonlijke verhoudingen vooral verstoord vanwege onderlinge onenigheid over het parkeren. In dat verband is het wellicht raadzaam om – gegeven de juridische verhoudingen – in onderling overleg vaste parkeerplaatsen af te spreken en te markeren.”

2.7. Bij brieven van 23 september 2008 en 5 januari 2009 heeft [eiser sub 1] c.s. [gedaagde] aangeschreven met het verzoek om mee te werken aan het onderhoud van het grindterrein en om de Mercedes van [gedaagde] steeds zo neer te zetten dat [eiser sub 1] c.s. gebruik kan maken van de drie nabij zijn woning gelegen parkeerplekken op het grindterrein.

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert, samengevat, om [gedaagde]:

I. te gebieden om binnen 14 dagen een gespecialiseerd onderhoudsbedrijf in te schakelen om onderhoudswerkzaamheden aan het grindterrein te verrichten;

II. te veroordelen om binnen 14 dagen het bord met de tekst “uitrit vrijlaten” op de rechterpilaar voor de tuinopening te plaatsen, althans het paaltje waarop het bord nu bevestigd is 90 cm. naar links te verplaatsen of zover als nodig is om drie à vier parkeervakken bij de woning van [eiser sub 1] te creëren overeenkomstig de door [eiser sub 1] c.s. ingediende tekening;

III. te verbieden om [eiser sub 1] c.s. en hun bezoekers te hinderen bij het gebruik van de drie à vier parkeerplaatsen op grond van de erfdienstbaarheid;

IV. te gebieden te gedogen dat op het grindterrein door middel van verzinking van daartoe bestemd materiaal in het grind, hetzij door een andere duurzame markering, een indeling wordt aangebracht die duidelijk maakt welke delen van het grindterrein dienen als parkeerplaats en welke als manoeuvreerruimte;

V. te verbieden om voertuigen van bezoekers van [eiser sub 1] c.s. die geparkeerd staan op de parkeerplaatsen die bestemd zijn voor de bezoekers van [persoon 1] klem te zetten of op andere wijze te belemmeren in een vrije doorgang van en naar de openbare weg;

VI. te gebieden te gedogen – door ter plaatse niemand aan te spreken – dat auto’s van door [eiser sub 1] c.s. (na aankondiging vooraf) ingeschakelde onderhoudsbedrijven aanwezig zijn op het deel van het grindterrein dat toegang geeft tot de tuinen van [gedaagde] en [eiser sub 1] c.s. om materiaal in en uit te laden en overigens op dat grindterrein geparkeerd te staan zonder de overige gebruikers te hinderen voor de duur van de uitvoering van de betreffende onderhoudswerkzaamheden ten behoeve van de onroerende zaak van [eiser sub 1] c.s.;

Dit alles op straffe van dwangsommen en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [eiser sub 1] c.s. heeft zijn vorderingen, samengevat, als volgt toegelicht. Vóórdat [gedaagde] aan de [straatnaam] is komen wonen, waren er nooit problemen. In de periode vanaf 1977 konden alle omwonenden het grindterrein gezamenlijk gebruiken en werd het ook door hen gezamenlijk onderhouden. [eiser sub 1] c.s. en zijn gasten konden overal op het terrein parkeren. [gedaagde] beschouwt het grindterrein echter als zijn privéterrein en heeft er grote moeite mee de rechten van anderen op grond van de erfdienstbaarheden te accepteren. Tot de komst van [gedaagde] werd het grindterrein ongeveer ééns per drie jaar opgehoogd en bijgewerkt, op kosten van de aanwonenden. Inmiddels is het onderhoud echter al vijf jaar geleden voor het laatst verricht. [gedaagde] wenst er niets aan te doen. Het grindterrein is inmiddels verzakt en verandert ’s winters in een ijsvlakte. Onderhoud is hoogst noodzakelijk.

Verder belemmert [gedaagde] [eiser sub 1] c.s. in de uitoefening van zijn rechten, door de paal met het bordje ‘uitrit vrijlaten’ te handhaven op de huidige plek en door zijn auto vaak zodanig te parkeren dat [eiser sub 1] c.s. niet meer van en naar zijn parkeerplaatsen kan komen. Het verplaatsen van het paaltje is noodzakelijk om [eiser sub 1] c.s. ongehinderd in staat te stellen van de drie à vier parkeerplaatsen gebruik te maken. De beste oplossing zou zijn duidelijke markering in de vorm van een verzinking van een richel om aan te duiden waar de parkeerzone van [eiser sub 1] c.s. begint, zoals ook de rechter heeft gesuggereerd in het vonnis van 12 november 2008. Verder moet het [gedaagde] worden verboden om de auto’s van [eiser sub 1] c.s. en zijn bezoekers klem te zetten, wat regelmatig voorkomt. [eiser sub 1] c.s. dient ook in de gelegenheid te zijn om zijn bezoekers te laten parkeren op de gastenplekken van [persoon 1], aangezien hij daarvoor de toestemming van [persoon 1] heeft. Daarnaast dient [gedaagde] auto’s op het grindterrein te dulden ten behoeve van het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden op het perceel van [eiser sub 1] c.s.

3.3. [gedaagde] voert verweer waarop wordt hierna, voor zover van belang, nader wordt ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op het (gebruik van het) grindterrein. Niet in geschil is dat dit gehele terrein eigendom is van [gedaagde] en dat daarop erfdienstbaarheden zijn gevestigd ten behoeve van de percelen van

[eiser sub 1] c.s. en [persoon 1] c.s. Met betrekking tot de erfdienstbaarheid van

[eiser sub 1] c.s. wordt in dit geding voorts tot uitgangspunt genomen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2008, waarin het vonnis van deze rechtbank van 17 oktober 2007 is bekrachtigd en waarin is bepaald:

- dat de erfdienstbaarheid van [eiser sub 1] c.s. inhoudt het recht om gebruik te maken van de drie à vier tegen zijn perceel aan gelegen parkeerplaatsen,

- dat [eiser sub 1] c.s. geen aanspraak kan maken op parkeerruimte vóór de toegang tot het perceel met nummer [perceel 2] van [gedaagde] aan de noordzijde van het grindterrein en

- dat het [gedaagde] vrijstaat om met een paaltje en/of bord aan te geven dat hij niet wenst dat op de hier bedoelde plaats worden geparkeerd, voor zover een dergelijk teken althans niet in de weg staat aan het parkeren op het daarvoor bestemde gebied, onmiddellijk voor de scheidsmuur.

4.2. [eiser sub 1] c.s. heeft in de eerste plaats gevorderd dat [gedaagde] zal worden opgedragen een onderhoudsbedrijf in te schakelen om het grindterrein te onderhouden. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat het grindterrein zich in een slechte conditie bevindt en/of dat het ‘s winters in een ijsvlakte verandert, zodat [eiser sub 1] c.s. bij deze vordering volgens [gedaagde] geen spoedeisend belang heeft. Tegenover deze betwisting heeft [eiser sub 1] c.s. niet aannemelijk gemaakt dat de onderhoudstoestand van het grindterrein thans zodanig is dat een voorziening in kort geding is vereist. Ook tijdens de plaatsopneming op 20 augustus 2009 in het kort geding tussen [gedaagde] en [persoon 1] c.s. heeft de voorzieningenrechter een acute noodzaak voor het verrichten van achterstallig onderhoud niet geconstateerd. Daarnaast heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat de akte van erfdienstbaarheid geen bepalingen bevat met betrekking tot het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder het onderhoud dient plaats te vinden, maar alleen omtrent de verdeling van de kosten van onderhoud, waarover in het petitum niets is opgenomen.

Deze vordering zal dan ook worden afgewezen. Het voorgaande neemt niet weg dat het raadzaam is dat partijen over het verrichten van onderhoud aan het grindterrein met elkaar in overleg treden, zodra de gemoederen wat zijn bedaard

4.3. Voor toewijzing van de vordering tot het verplaatsen van het paaltje bestaat evenmin enige grond. Uit het arrest van het hof vloeit voort dat het [gedaagde] vrij staat een dergelijk paaltje te plaatsen. Het paaltje is sindsdien niet verplaatst en de aanwezigheid belemmert [eiser sub 1] c.s. niet in de uitoefening van de erfdienstbaarheden overeenkomstig het arrest van het hof.

4.4. [gedaagde] heeft voorts gemotiveerd betwist dat hij [eiser sub 1] c.s. en diens bezoekers hindert bij het parkeren op het grindterrein. Partijen zijn het er over eens dat [eiser sub 1] c.s. op de betrokken plek (tegen zijn perceel aan) drie auto’s moet kunnen parkeren. Voor een vierde auto lijkt voorshands te weinig ruimte te bestaan. Als twee van de drie auto’s een normale omvang hebben, kan [eiser sub 1] c.s. op de bewuste plek ook terecht met zijn Renault Espace. Het ligt dan het meest voor de hand dat hij de auto’s schuin parkeert en de grootste auto aan de linkerkant plaatst. [gedaagde] heeft toegezegd zijn auto(‘s) niet zodanig te parkeren dat daardoor de in- en uitrijdmogelijkheden van [eiser sub 1] c.s. worden belemmerd. Met in achtneming van deze omstandigheden lijken de rechten van [eiser sub 1] c.s. voldoende gewaarborgd en kan de erfdienstbaarheid op normale en voor het erf van [gedaagde] minst bezwarende wijze worden uitgeoefend. Voor toewijzing van het gevraagde verbod bestaat voorshands geen grond. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het mogelijk wel problemen in de toekomst zou kunnen voorkomen als de parkeerplaatsen op enigerlei wijze zouden worden gemarkeerd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van strepen of uitsteeksels op de ervoor gelegen muur. Partijen wordt ook op dit punt in overweging gegeven nader met elkaar te gaan overleggen, zodra de sfeer tussen hen wat is opgeklaard.

4.5. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat er geen verplichting voor hem bestaat tot het (dulden van het) aanbrengen van verzinkingen op zijn terrein. [eiser sub 1] c.s. heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd op welke rechtsgrond zijn vordering onder IV is gebaseerd. Daarom wordt ook deze vordering afgewezen.

4.6. Met betrekking tot de erfdienstbaarheid ten behoeve van het erf van [persoon 1] heeft [gedaagde] terecht het verweer gevoerd dat deze hem niet verplicht tot het gebruik maken van dit recht door derden anders dan ten behoeve van het heersende erf, in casu het erf van [persoon 1]. Eventuele toestemming van [persoon 1] aan [eiser sub 1] c.s. om op de aan het erf van [persoon 1] gekoppelde “gastenplekken” te parkeren verschaft [eiser sub 1] c.s. daartoe geen rechten. Daar komt bij dat in het vonnis in het eerdergenoemde met deze zaak samenhangende kort geding tussen [gedaagde] en [persoon 1] bij wijze van ordemaatregel wordt bepaald dat [persoon 1] de desbetreffende gastenplekken niet zal gebruiken. Deze vordering (V) ligt dus eveneens voor afwijzing gereed.

4.7. Tenslotte behoeft nog bespreking vordering VI. Vooralsnog valt niet goed in te zien op grond waarvan eventuele door van [eiser sub 1] c.s. ingeschakelde onderhoudsmonteurs hun voertuig moeten kunnen parkeren op dat deel van het grindterrein dat toegang geeft tot de tuinen van [gedaagde] en van [eiser sub 1] c.s., aangezien niet op voorhand duidelijk is dat daarvoor steeds een noodzaak bestaat, laat staan een juridische verplichting. Integendeel, uit het arrest van het hof volgt juist dat parkeren op die plek door [eiser sub 1] c.s. niet is toegestaan. Verder zijn partijen het er over eens dat er voor [eiser sub 1] c.s. niet meer parkeerruimte beschikbaar is dan voor drie auto’s. Voorshands is niet gebleken dat thans een situatie als bedoeld in artikel 5:56 Burgerlijk Wetboek (BW) aan de orde is. Mocht op het grindterrein geen plaats zijn voor (het laden en lossen van) de auto’s van bedoelde werklieden, omdat de parkeerplaatsen van [eiser sub 1] c.s. allemaal bezet zijn, dan kan [eiser sub 1] c.s. zijn auto(‘s) (tijdelijk) verplaatsen om alsnog deze ruimte te creëren. Buiten het terrein aan de openbare weg is daartoe in de nabijheid van het perceel van [eiser sub 1] c.s. voldoende parkeergelegenheid. Dat, in het uitzonderlijke geval dat alle drie de parkeerplaatsen van [eiser sub 1] c.s. moeten worden opgegeven om (parkeer-)plaats te maken voor onderhoudsmonteurs, dit bezwaarlijk is voor [eiser sub 2], die slecht ter been is, is een pijnlijke consequentie van het feit dat partijen thans niet met elkaar overweg kunnen. Hoe hard het ook moge klinken, het rechtvaardigt niet dat aan [eiser sub 1] c.s. meer parkeermogelijkheden worden geboden dan aan hen door het Hof zijn toegemeten. Juist gegeven de tussen partijen bestaande slechte relatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat alleen een strakke, heldere uitleg over de parkeermogelijkheden, zonder uitzonderingen, de relatie tussen partijen werkbaar zal houden en de mogelijkheid dat de verhouding tussen partijen zich zal verbeteren bij deze aanpak de meeste kans van slagen heeft. Voor toewijzing van de onder VI geformuleerde vordering is dus evenmin plaats.

4.8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser sub 1] c.s. worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] c.s. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

– € 262,= aan vastrecht en

– € 816,= aan salaris advocaat;

5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2009.?