Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK2765

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/206 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes om kapvergunning te verlenen voor 13 monumentale beeldbepalende iepen die staan vermeld op de lijst met bijzonder beschermwaardige houtopstand. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een zwaarwegend publiek belang. Niet gebleken is dat de herprofilering van de Admiraal de Ruijterweg uit oogpunt van verkeersveiligheid noodzakelijk is en dat de worteldruk van de bomen leidt tot een gevaarlijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 1K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/206 VEROR

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel De Baarsjes,

verweerder,

gemachtigden mr. D.J. Merkx en mr. M. Schoot.

I. Procesverloop

De rechtbank heeft op 16 januari 2009 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 9 december 2008 (het bestreden besluit).

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) bepaald dat het beroep versneld wordt behandeld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 september 2009. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

II. Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Bij primair besluit van 3 oktober 2007 heeft verweerder aan stadsdeel De Baarsjes vergunning verleend voor het vellen van 13 iepen, staande op de Admiraal de Ruijterweg ter hoogte van de huisnummers 101, 104, 107, 112, 118, 124, 130, 136, 137, 142, 143, 146 en 154 te Amsterdam. Eiser, wonende [adres], heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 19 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

1.3. Bij uitspraak van 13 oktober 2008, gerectificeerd bij uitspraak van 19 november 2008, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de velvergunning voor de bomen staande voor de huisnummers 112, 137, 142 en 146 (in die uitspraak de tweede groep bomen genoemd). De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 februari 2008 vernietigd voor zover daarbij velvergunning is verleend voor de bomen voor de huisnummers 101, 104, 107, 118, 124, 130, 136, 143 en 154 (in die uitspraak de eerste groep bomen genoemd). De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de bomen behorende tot de eerste groep monumentaaliepen zijn die in goede conditie verkeren, beeldbepalend zijn voor de omgeving en behoren tot de bijzonder beschermwaardige houtopstanden van het Stadsdeel De Baarsjes, waarvoor geen velvergunning wordt verleend, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, een acute noodtoestand of een ander zwaarwegend publiek belang. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder aan deze criteria heeft getoetst.

1.4. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op het bezwaar van eiser genomen voor zover dat was gericht tegen het verlenen van een velvergunning voor de bomen staande voor de huisnummers 101, 104, 107, 118, 124, 130, 136, 143 en 154. Verweerder heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, overwegende dat er sprake is van een zwaarwegend publiek belang en dat het belang bij het behoud van de bomen daarvoor moet wijken.

1.6. Eiser heeft het bestreden besluit in beroep gemotiveerd betwist.

1.7. De rechtbank overweegt het volgende.

2. Wettelijk kader

2.1. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening ter bescherming van houtopstanden in het Stadsdeel De Baarsjes (hierna: de Verordening) is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het Dagelijks Bestuur van stadsdeel ‘De Baarsjes’ houtopstand te vellen of te doen vellen.

2.2. In artikel 6, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat het Dagelijks Bestuur de vergunning om te vellen kan weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

In artikel 6, derde lid, van de Verordening is bepaald - voor zover hier relevant - dat geen vergunning om te vellen wordt verleend voor bijzondere beschermwaardige houtopstand als bedoeld in artikel 7 en houtopstand voorkomende op de lijst van nationale, monumentale houtopstand van de Landelijke Bomenstichting, tenzij er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, een acute noodtoestand of een ander zwaarwegend publiek belang.

2.3. In artikel 7 van de Verordening is bepaald dat het Dagelijks Bestuur een lijst opstelt met bijzonder beschermwaardige houtopstanden, die in beheer zijn van het stadsdeel.

2.4. In artikel 9, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat bij de beslissing omtrent de plaatsing van een houtopstand op de lijst in ieder geval rekening wordt gehouden met de ouderdom en conditie van de houtopstand. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, moet tevens voldaan worden aan ten minste één van de volgende criteria: (...); beeldbepalend voor de omgeving; (...).

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Vast staat dat verweerder op 18 juli 2008 toestemming heeft verleend voor het per direct vellen van de boom staande voor huisnummer 107 wegens besmetting met het iepziektevirus en dat deze boom inmiddels is geveld. Het geschil gaat derhalve nog om de iepen die staan op de Admiraal de Ruijterweg, tussen de Maarten Harpertszoon Trompstraat en de Jan van Galenstraat, voor de huisnummers 101, 104, 118, 124, 130, 136, 143 en 154.

3.2. Vast staat dat deze iepen monumentaal zijn, dat zij in goede conditie verkeren, dat het criterium ‘beeldbepalend voor de omgeving’ op deze iepen van toepassing is en dat deze iepen staan vermeld op de door verweerder opgestelde lijst met bijzonder beschermwaardige houtopstanden als bedoeld in artikel 7 van de Verordening.

3.3. Gelet op artikel 6, derde lid, van de Verordening geldt derhalve als uitgangspunt dat verweerder voor de in geschil zijnde iepen geen vergunning om te vellen verleent. Hierop kan verweerder slechts een uitzondering maken indien er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, een acute noodtoestand of een ander zwaarwegend publiek belang.

3.4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er sprake is van een (ander) zwaarwegend publiek belang. Verweerder heeft daarbij gewezen op het besluit van de stadsdeelraad van 28 februari 2006 om tot herprofilering van de Admiraal de Ruijterweg over te gaan. Blijkens het herprofileringsbesluit zal de beoogde herprofilering leiden tot een verbeterde verkeersveiligheid voor alle weggebruikers. De aanleg van vrijliggende fietspaden zal met name de veiligheid van de zwakkere weggebruikers ten goede komen en zal aansluiten bij het Hoofdnet Fiets Amsterdam, waardoor de nog ontbrekende schakel van vrijliggende fietspaden zal worden opgeheven. Bovendien sluit het te herprofileren tracé naadloos aan op de in dit kader al uitgevoerde herprofilering van de Admiraal de Ruijterweg in het stadsdeel Bos en Lommer. De Centrale Verkeerscommissie heeft vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid positief geadviseerd over de aanleg van vrijliggende fietspaden. Blijkens het herprofileringsbesluit passen de onderhavige iepen niet in de voorgestane herinrichting en is daarom gekozen voor het kappen van deze bomen en het herplanten van bomen in het nieuwe pofiel. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de zware, intensieve wortelgroei van de bomen ervoor zorgt dat de bestrating sterk wordt opgedrukt. Uit een onderzoeksrapport van OMEGAM Groenadvies van 11 maart 1999 blijkt dat in een ongewijzigde situatie het euvel van opgedrukte bestrating zich over een groter oppervlak en in toenemende mate zal manifesteren. Volgens verweerder raakt bovendien de riolering door de worteldruk beschadigd en verstopt, waardoor de veiligheid rond de bomen in geding is en het risico op schadeclaims steeds groter wordt.

3.5. Eiser heeft betwist dat er sprake is van een zwaarwegend publiek belang. Volgens eiser is in de huidige situatie de verkeersveiligheid niet in geding en zijn de bestaande fietsstroken statistisch gezien veilig. Eiser heerft er daarbij op gewezen dat het gedeelte van de Admiraal de Ruijterweg waar de monumentale iepen staan, tussen de Maarten Harpertszoon Trompstraat en de Jan Evertsenstraat, in het Meerjarenbeleidsplan Verkeersveiligheid 2007-2010 van de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer van de gemeente Amsterdam niet als zogeheten red-route is aangemerkt. Verder heeft eiser betwist dat de veiligheid rond de bomen in geding is als gevolg van worteldruk. Volgens eiser is er alleen sprake van opgedrukte bestrating rondom de boomkransen en niet in de fietsstroken en de rijbaan. De opgedrukte bestrating is volgens eiser bovendien het gevolg van achterstallig onderhoud en voldoende te verhelpen met het regelmatig uitvoeren van herstelwerkzaamheden.

3.6. De rechtbank stelt vast dat de stadsdeelraad van stadsdeel De Baarsjes bij besluit van 28 februari 2006 heeft besloten tot herprofilering van de Admiraal de Ruijterweg tussen de Maarten Harpertsoon Trompstraat en de Jan van Galenstraat en dat de in geschil zijnde iepen volgens dat plan moeten wijken ten behoeve van de aanleg van vrijliggende fietspaden. De rechtbank begrijpt dat het wenselijk is dat een politiek besluit tot herprofilering ten uitvoer kan worden gelegd, maar daarmee is op zich nog niet gegeven dat er ook sprake is van een zwaarwegend publiek belang in de zin van artikel 7, derde lid, van de Verordening. Weliswaar is in het herprofileringsbesluit aangegeven dat met de aanleg van vrijliggende fietspaden de verkeersveiligheid zal verbeteren en blijkt uit een brief van de wethouder Verkeer, Vervoer en Infrastructuur van 9 maart 2006 dat de Centrale Verkeerscommissie positief heeft geadviseerd over de aanleg van vrijliggende fietspaden. Desalniettemin kan uit de gedingstukken niet worden opgemaakt dat de bestaande verkeerssituatie onveilig is en dat de herinrichting van de straat noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te waarborgen. Een schriftelijk advies van de Centrale Verkeerscommissie met een beschrijving van de huidige verkeersituatie, de evenuele knelpunten en aantal en aard van de voorgedane ongevallen is bijvoorbeeld niet aanwezig. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat de Centrale Verkeerscommissie (blijkbaar) positief heeft geadviseerd, hooguit kan worden afgeleid dat zij geen bezwaar heeft tegen de herinrichting. Niet duidelijk is waarop het door verweerder in het verweerschrift genoemde aantal ongevallen (elf) is gebaseerd. Daar komt bij dat, zoals eiser terecht heeft opgemerkt, het gedeelte van de Admiraal de Ruijterweg tussen de Maarten Harpertszoon Trompstraat en de Jan Evertsenstraat in het Meerjarenbeleidsplan Verkeersveiligheid 2007-2010 niet als zogeheten red-route is aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de herprofilering van de Admiraal de Ruijterweg uit oogpunt van verkeersveiligheid noodzakelijk is en daarmee een zwaarwegend publiek belang oplevert waarvoor het belang bij behoud van de bijzonder beschermwaardige iepen moet wijken.

3.7. De aanwezigheid van een zwaarwegend publiek belang om tot verlening van de velvergunningen over te gaan heeft verweerder mede gebaseerd op de omstandigheid dat de zware, intensieve wortelgroei van de bomen ertoe leidt dat de bestrating wordt opgedrukt. Verweerder heeft zich hierbij beroepen op het onderzoeksrapport van OMEGAM Groenadvies van 11 maart 1999. Op de foto’s in het OMEGAM-rapport is te zien dat destijds met name het boomrondje en de klinkerbestrating in de parkeerstrook door de boomwortels werden opgedrukt. Op enkele plaatsen was ook de rand van het asfalt enigzins opgedrukt. Uit genoemd rapport blijkt niet dat er destijds ook sprake was van opgedrukt asfalt in de fietsstroken en de rijbaan. In het rapport wordt weliswaar voorspeld ‘dat in een ongewijzigde situatie het euvel van opgedrukte bestrating zich over een groter oppervlak en in toenemende mate zal manifesteren’, maar nergens blijkt uit dat deze voorspelling is uitgekomen en dat opgedrukt asfalt op dit moment een gevaar vormt voor de verkeersveiligheid, zoals verweerder heeft gesteld. Verweerder heeft daarnaar, zoals ter zitting is bevestigd, geen onderzoek gedaan. Uit de door eiser overgelegde recente foto’s lijkt eerder te kunnen worden opgemaakt dat de situatie van de opgedrukte bestrating sinds het Omegam-rapport, dus ruim tien jaar later nauwelijks is gewijzigd. Daar komt bij dat eiser onweersproken heeft gesteld dat al vele jaren geen herstelwerkzaamheden aan het trottoir, de parkeerstrook en de rijbaan zijn verricht. Derhalve is niet uit te sluiten dat het probleem van de opgedrukte bestrating voldoende kan worden verholpen indien met enige regelmaat onderhoudswerkzaamheden worden gepleegd.

3.8. Verweerder heeft ten slotte gesteld dat de riolering door de worteldruk beschadigd en verstopt raakt, waardoor de veiligheid rond de bomen in geding is en het risico op schadeclaims steeds groter wordt. Nu eiser dit heeft betwist en verweerder dit standpunt op geen enkele wijze heeft onderbouwd, kan niet worden vastgesteld dat er in dit opzicht sprake is van een zwaarwegend publiek belang in de zin van artikel 6, derde lid, van de Verordening.

3.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een (ander) zwaarwegend publiek belang aanwezig is dat rechtvaardigt dat er een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat voor bijzondere beschermwaardige houtopstand geen vergunning om te vellen wordt verleend. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen bespreking.

3.10. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat de vergunninghouder op grond van de aan de velvergunning verbonden voorwaarden geen gebruik mag maken van die vergunning zolang de bezwaarprocedure nog niet is afgerond, dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend of een beroepsprocedure loopt.

3.11. Het beroep is gegrond. Hieruit volgt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB