Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK2688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
13.497.329-2009, RK nummer 09-3273
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB België. Lijstfeit “georganiseerde of gewapende diefstal” in redelijkheid aangekruist;

Instemming met het toepassen van de exequaturprocedure volstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.329-2009

RK nummer: 09/3273

Datum uitspraak: 22 juli 2009

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juni 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 2 juni 2009 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juli 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsmandaat bij verstek van de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, België, d.d. 2 juni 2009, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Het feit valt volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit onder nummer 18 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Georganiseerde of gewapende diefstal.

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon en zijn medeverdachten in België worden verdacht van twee diefstallen met braak. Wapens zijn daarbij niet gebruikt, terwijl het erop lijkt dat zij in een opwelling tot deze misdrijven zouden zijn gekomen. Van georganiseerde of gewapende diefstal kan dan ook geen sprake zijn. Naar de mening van de raadsman heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aldus ten onrechte de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De overlevering dient dientengevolge te worden geweigerd, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft gesteld dat de omschrijving van de feiten onvoldoende is om georganiseerde dan wel gewapende diefstal aan te nemen. Mogelijk kan naar Belgisch recht, gezien de wijze waarop de auto is gebruikt, gesproken worden van gewapende diefstal, dit blijkt echter niet uit de stukken. Nu de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de feiten kunnen worden aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, zal de rechtbank op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder 2º, van de OLW de dubbele strafbaarheid van de feiten dienen te beoordelen.

Anders dan de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de feiten kunnen worden aangeduid als georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB en de overige stukken van het dossier blijkt immers dat de opgeëiste persoon en zijn twee medeverdachten, in een auto waarop gestolen nummerplaten waren bevestigd, vanuit Nederland naar België zijn gereden om daar kort na elkaar twee ‘ramkraken’ te plegen. Een dergelijk handelen vereist onderlinge afstemming en het maken van een rolverdeling, hetgeen wordt bevestigd door de verklaring die één van de medeverdachten heeft afgelegd. Onder die omstandigheden kan in redelijkheid gesproken worden van georganiseerde diefstal. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat – anders dan de raadsman heeft betoogd – ook indien de rechtbank geoordeeld zou hebben dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de feiten kunnen worden aangeduid als georganiseerde of gewapende diefstal, een beoordeling van de dubbele strafbaarheid op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder 2º, van de OLW niet zou hebben geleid tot het weigeren van de overlevering. Immers, een in vereniging gepleegde diefstal met braak is ook in Nederland strafbaar en op dit feit is een gevangenisstraf gesteld met een maximum van tenminste 12 maanden.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Procureur des Konings te Turnhout, België, heeft op 3 juli 2009 de volgende garantie gegeven:

Bij deze geeft mijn ambt de Nederlandse Staat de officiële waarborg dat [opgeëiste persoon] indien hij dat wenst na zijn veroordeling in België daadwerkelijk aan de buitenlandse staat wordt overgeleverd teneinde er zijn straf te ondergaan.

Uiteraard is de omzettingsprocedure voorzien in artikel 11 van het Verdrag van de Raad van Europa Inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen van 21 maart 1983 tussen beide landen van toepassing, daar zij partij zijn bij dit Verdrag.

De raadsman is van mening dat door de Procureur des Konings slechts is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn eventuele veroordeling in België in Nederland zijn straf zal mogen ondergaan. Een ondubbelzinnige garantie met betrekking tot de omzetting is echter niet gegeven. Er wordt slechts gesteld dat de omzettingsprocedure van toepassing is. De raadsman acht de garantie onvoldoende en verzoekt de rechtbank om de overlevering te weigeren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 6, eerste lid, van de OLW luidt als volgt:

Overlevering van een Nederlander kan worden toegestaan voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Vermeld artikel ziet op de garantie dat de opgeëiste persoon, na een eventuele veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een vrijheidsstraf, zijn straf in Nederland zal mogen ondergaan. Zoals ook door de raadsman wordt aangenomen, is in casu door de Procureur des Konings een toereikende garantie aangaande deze terugkeer gegeven.

Artikel 11, eerste lid, VOGP luidt als volgt:

1. Ingeval van omzetting van de veroordeling zijn de in de wetgeving van de Staat van tenuitvoerlegging voorziene procedures van toepassing. Bij omzetting van de veroordeling:

a. is de bevoegde autoriteit gebonden aan de vaststelling van de feiten voor zover deze uitdrukkelijk of impliciet blijken uit het door de Staat van veroordeling uitgesproken vonnis;

b. kan de bevoegde autoriteit een sanctie die vrijheidsbeneming met zich mede brengt, niet in een geldstraf omzetten;

c. brengt de bevoegde autoriteit de volledige periode van de door de gevonniste persoon reeds ondergane vrijheidsbeneming in mindering; en

d. zal de bevoegde autoriteit de strafrechtelijke positie van de gevonniste persoon niet verzwaren en is niet gebonden aan een eventueel minimum waarin door de wet van de Staat van tenuitvoerlegging wordt voorzien voor het gepleegde strafbare feit of de gepleegde strafbare feiten.

In artikel 6 OLW noch elders in de OLW wordt aan de in artikel 11 VOGP bedoelde omzettings- of exequaturprocedure – waarin de opgelegde straf of maatregel naar Nederlandse maatstaven wordt bijgesteld – gerefereerd. In uitleveringszaken heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 31 maart 1995 (NJ 1996, 382) geoordeeld dat de uitlevering van Nederlanders slechts aanvaardbaar is indien erop mag worden vertrouwd dat zij, na uitlevering aan een ander land en veroordeling aldaar tot een vrijheidsstraf, naar Nederland zullen worden overgebracht met toepassing van de exequaturprocedure. De rechtbank heeft in het verleden reeds geoordeeld dat deze exequaturprocedure op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 6 OLW ook vereist is in het geval op grond van het eerste lid van dat artikel aan de daar genoemde terugkeergarantie uitvoering wordt gegeven.

De Procureur des Konings heeft uitdrukkelijk gesteld dat de omzettingsprocedure als bedoeld in artikel 11 van het VOGP van toepassing is. De rechtbank kan hetgeen de Procureur des Konings stelt niet anders opvatten dan als een instemming met het toepassen van de exequaturprocedure.

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat een enkele instemming met de omzettingsprocedure niet volstaat, maar dat de garantie dient te worden gegeven dat de straf daadwerkelijk zal worden omgezet. Dit verweer miskent evenwel dat voor het feitelijk omzetten van de in België opgelegde vrijheidsstraf de medewerking van de Belgische autoriteiten niet is vereist. De omzetting vindt immers plaats door de Nederlandse rechter, nadat de opgeëiste persoon vanuit België naar Nederland is overgebracht om hier zijn straf te ondergaan, welke overbrenging door de Procureur des Konings is gegarandeerd. Daarnaast heeft hij er op voorhand mee ingestemd dat omzetting zal plaatsvinden. Aldus is voldaan aan de hiervoor weergegeven vereisten. Het verweer wordt verworpen.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat de gegeven garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Diefstal door twee meer of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsartikelen

artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6, en 7 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, België ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. P.H.A. Knol en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2009.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[B]