Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1841

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
437506 / FA RK 09-6958
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot uitspreken van de adoptie vóór de geboorte van het kind op grond van artikel 1:230 lid 2 BW. De rechtbank is van oordeel dat de bewoordingen van artikel 1:230 lid 2 BW geen ruimte laat om de gewenste adoptie vóór de geboorte uit te spreken en acht het uitspreken van een adoptie van een kind dat op het moment van die uitspraak nog niet geboren is ongewenst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/74 met annotatie van Vonk
JIN 2010/9

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

CIVIELE SECTOR

BESCHIKKING

Adoptie

Beschikking in de zaak van:

[A],

nader te noemen verzoekster sub 1,

en

[B],

nader te noemen verzoekster sub 2,

beiden wonende te [plaatsnaam],

advocaat mr. W.J. Eusman te Amsterdam.

De rechtsmacht

Nu verzoeksters kiezen voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken.

Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Het verzoek

Verzoeksters hebben verzocht vóór de geboorte de adoptie door verzoekster sub 2 uit te spreken van het kind waarvan verzoekster sub 1 thans zwanger is en waarvan de uitgerekende bevallingsdatum is bepaald op 22 december 2009. Voorts hebben zij verzocht te bepalen dat zij na de geboorte van het betreffende kind het gezamenlijke gezag over dit kind zullen uitoefenen.

De advocaat van verzoeksters heeft in een soortgelijke zaak een gelijkluidend verzoek ingediend (09-5919). In die zaak is nog geen beslissing gegeven. Zij heeft in die zaak het verzoek de adoptie vóór de geboorte uit te spreken uitgebreid gemotiveerd. Zij heeft verzocht een en ander als hier herhaald en ingelast te beschouwen.

Verzoeksters hebben aangevoerd, dat als de adoptie niet vóór de geboorte zou kunnen worden uitgesproken, er een door de wetgever niet beoogd verschil ontstaat tussen het tijdstip van ontstaan van de familierechtelijke betrekkingen tussen enerzijds de erkenner en het kind en anderzijds de adoptief moeder en het kind.

Ook de Burgerlijke Stand heeft de nieuwe wetgeving in deze zin opgevat. In februari 2009 zijn er al modellen ontwikkeld voor geboorteaktes op te maken voor kinderen die worden geboren na een in kracht van gewijsde gegane adoptiebeschikking, aldus verzoeksters. Daarnaast hebben verzoeksters wel degelijk belang bij het uitspreken van de adoptie vóór de geboorte van het kind. Daartoe hebben verzoeksters erop gewezen, dat als de adoptie pas na de geboorte van het kind zou worden uitgesproken, het kind niet bij versterf erft van zijn/haar adoptief moeder als deze vóór de geboorte van het kind overlijdt, want op het moment dat deze overlijdt, staat zij nog niet in familierechtelijke betrekking tot het kind. Daarnaast is het de vraag of de adoptief moeder in de akte van overlijden van een kind dat levenloos ter wereld is gekomen kan worden vermeld (artikel 1:19i BW). Tenslotte vormt de vermelding van de namen van beide moeders als ouders direct op bladzijde 1 van de geboorteakte een extra bewijs van hun gelijkwaardig ouderschap, aldus verzoeksters.

De overwegingen

Verzoeksters hebben een affectieve relatie met elkaar. Verzoekster sub 1 is tengevolge van kunstmatige donorbevruchting met een voor verzoeksters bekende donor zwanger geworden. De donor heeft geen bezwaar tegen de verzochte adoptie. Op 22 december 2009 wordt het kind verwacht. Dat kind wordt dan naar verwachting binnen de relatie van verzoeksters geboren.

Voorop staat dat het in het belang van het kind is dat het ook in een familierechtelijke betrekking komt te staan met haar/zijn niet-biologische moeder, hetgeen door adoptie tot stand wordt gebracht.

Artikel 1:230, tweede lid, BW, is gewijzigd bij wet van 24 oktober 2008 (Stb 2008, 425)

en luidt sinds 1 januari 2009 als volgt:

“Indien het kind is geboren binnen de relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van geboorte van het kind; indien de adoptie uiterlijk zes maanden na de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van indiening van het verzoek. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing indien voor de adoptie familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het kind en een andere ouder en deze door de adoptie zijn verbroken. De adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook worden uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is overleden.”

In de betreffende memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt het volgende gesteld.

Naar aanleiding van de motie-Vos c.s. over afstammingsrechtelijke gelijkstelling van kinderen geboren binnen een relatie van twee vrouwen (Kamerstukken II 1999-2000, 26 672/26 673, nr. 9) is onderzocht in hoeverre zoveel mogelijk afstammingsrechtelijke gelijkstelling van kinderen geboren binnen een relatie van twee vrouwen kan worden bevorderd. Indien binnen deze relatie een kind wordt geboren, kan door middel van adoptie door de vrouwelijke partner van de moeder het juridisch ouderschap van deze partner worden gevestigd. (…)

Het wetsvoorstel voorziet erin dat de adoptie van het kind door deze partner reeds ten tijde van de geboorte werking kan hebben. Het is derhalve niet langer nodig dat haar partner – nadat het kind geboren is – eerst drie jaar met de moeder van het kind moet hebben samengeleefd alvorens een verzoek tot adoptie kan worden ingediend (…)

Door adoptie wordt juridisch ouderschap gecreëerd. Het wetsvoorstel voorziet erin dat – evenals bij erkenning van het kind of bij van rechtswege gevestigd ouderschap – het juridisch ouderschap ook in geval van een kind geboren binnen een relatie van twee vrouwen, in een zo vroeg mogelijk stadium en in ieder geval tijdig, namelijk met ingang van de geboorte, kan worden gevestigd (kamerstukken II 2005/06 30551, nr 3, p.2).

En voorts:

artikel I, onder C

In artikel 230, nieuw tweede lid, wordt erin voorzien dat indien het kind wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder en de adoptie is verzocht vóór de geboorte van het kind, deze terugwerkt tot het tijdstip van geboorte. Indien de adoptie binnen zes maanden na de geboorte van het kind wordt verzocht werkt zij terug tot het tijdstip van indiening van het verzoek tot adoptie. Bovendien wordt bepaald dat de adoptie kan worden uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is overleden. Op deze wijze kan zoveel mogelijk gelijkstelling met de situatie door erkenning of met van rechtswege door geboorte ontstaan ouderschap worden bereikt. De wijziging van artikel 230 voorziet erin dat de adoptie van het kind door de partner van de ouder tot wie het kind door geboorte in familierechtelijke betrekking is komen te staan, werkt vanaf het moment dat de adoptant een verzoek daartoe heeft ingediend. Degene die de adoptie verzoekt heeft dus, evenals bij erkenning het geval zou zijn, zelf invloed op het moment waarop de adoptie werking heeft. Wordt het verzoek voor de geboorte van het kind ingediend, dan werkt de adoptie terug tot en met het moment van geboorte van het kind. Daarmee, en met de bepaling dat de adoptie ook na het overlijden van de verzoeker nog kan worden uitgesproken, krijgt een voor de geboorte ingediend adoptieverzoek dezelfde rechtsgevolgen als een voor de geboorte gedane erkenning. Met de beperking van de terugwerkende kracht van de adoptie tot verzoeken die uiterlijk binnen zes maanden na de geboorte van het kind zijn ingediend, wordt tegemoet gekomen aan de suggestie van de Raad van State om de uitzonderingen op de adoptieprocedure zo beperkt mogelijk te houden, terwijl de ouder en de partner niettemin voldoende tijd wordt gegund om een verzoek om adoptie – waaraan terugwerkende kracht kan worden verleend – in te dienen. (Kamerstukken II 2005/06 30551 nr 3 p.4.)

Voorts staat in de memorie van antwoord, voorzover hier van belang, het volgende.

Met de aanvulling van artikel 1:230 lid 2 BW wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de regeling van de erkenning, die ook reeds voor de geboorte kan worden gedaan en die ertoe leidt dat het kind reeds vanaf diens geboorte bij overlijden van de erkenner voor de geboorte in familierechtelijke betrekking komt te staan tot de erkenner. De terugwerkende kracht van de adoptie is beperkt gehouden: alleen wanneer de adoptie voor de geboorte of binnen zes maanden na de geboorte is verzocht, kan de adoptie terugwerkende kracht hebben. (Kamerstukken I 2007/08 30551 F, p.10)

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd zoveel mogelijk gelijkstelling te bereiken met de situatie door erkenning.

Met artikel 1:230, tweede lid, BW is echter volledige gelijkstelling niet bereikt nu de erkenning van de ongeboren vrucht werkt vanaf het moment van de erkenning en de adoptie, ook als deze voor de geboorte is verzocht, slechts terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van het kind en niet tot het tijdstip van indienen van het verzoek.

Om diezelfde reden is er ook op erfrechtelijk gebied een verschil in rechtsgevolg in het geval de adoptiefouder na het verzoek tot adoptie doch vóór de geboorte van het kind komt te overlijden.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de bewoordingen van artikel 1:230, tweede lid, BW waarbij de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen deze adoptie slechts terug te laten werken tot het tijdstip van geboorte van het kind, geen ruimte laat om de gewenste adoptie vóór de geboorte uit te spreken.

Het uitspreken van een adoptie van een kind dat op het moment van de adoptie-uitspraak nog niet is geboren, acht de rechtbank ongewenst.

De rechter kan immers in dat geval de identiteit van het adoptiefkind nog niet vaststellen terwijl die vaststelling bij het uitspreken van een adoptie essentieel is.

De stelling van de advocaat dat de Burgerlijk Stand naar aanleiding van de nieuwe wetswijziging reeds modellen heeft ontwikkeld voor geboorte-akten op te maken voor kinderen die geboren worden na een in kracht van gewijsde gegane adoptiebeschikking, doet aan het vorenstaande niet af. Ook de stelling dat indien de adoptie niet vóór de geboorte wordt uitgesproken beide ouders – anders dan bij prenatale erkenning – niet als ouders vermeld worden op de eerste bladzijde van de geboorteake kan niet leiden tot een andere beslissing.

De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, het verzoek de adoptie uit te spreken vóór de geboorte van het kind, waarvan verzoekster sub 1 thans zwanger is, afwijzen.

De rechtbank begrijpt het verzoek tevens als een verzoek de adoptie uit te spreken, nadat het kind is geboren. De rechtbank zal die beslissing in afwachting van de geboorte-akte daarom aanhouden.

De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek de adoptie uit te spreken vóór de geboorte van het kind, waarvan verzoekster sub 1 thans zwanger is, af;

- houdt voor het overige de beslissing in afwachting van de geboorte-akte aan;

-tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.E. van der Pol, A.M.C. de Wit en E.E.V. Lenos,

tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M. Langereis, griffier, op 14 oktober 2009..